Eiser heeft geen termijn voor herstel gekregen, gedaagde veroordeelt tot betalen facturen

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde badkamers betegeld. Ondanks aanmaningen is er geen betaling gekomen voor de twee facturen. Gedaagde geeft als reden dat Eiser geen goed werk zou hebben geleverd en aangezien Eiser zijn verplichtingen niet nakomt heeft hij de facturen niet betaald. De rechter beoordeeld dat er sprake is van een overeenkomst tot aanneming van werk. In artikel 7:759 BW staat dat wanneer het werk na oplevering niet correct is waarvoor de aannemer aansprakelijk is, de opdrachtgever aan de aannemer de gelegenheid moet geven hiervoor binnen een redelijke termijn met een oplossing te komen. Dit betekent dat Gedaagde als opdrachtgever aan Eiser als aannemer een redelijke termijn moet geven voor het verrichten van herstelwerkzaamheden. Nu is de vraag of Eiser een redelijk termijn gekregen heeft om te herstellen en of hij dit gedaan heeft.

Bij factuur 1 geeft Gedaagde aan dat de klant van mening was dat de voegen van de vloer te donker waren ingewassen. Eiser laat whatsapp berichten zien waarin hij in die tijd aangeeft naar de voegen te zullen kijken, nadat Gedaagde dat van hem gevraagd heeft. De rechter oordeelt dan ook dat in ieder geval Eiser door Gedaagde op het probleem is gewezen. Eiser geeft aan dat hij de betreffende klant heeft uitgelegd dat de vloer in de loop van tijd lichter zal worden en indien dit niet het geval was de klant contact kon opnemen met Eiser. Eiser heeft sindsdien niets meer van de klant vernomen, waardoor hij ervan uitging dat het probleem was opgelost. De rechter ziet in geen van de stukken dat Eiser een redelijk termijn heeft gekregen van Gedaagde om het een en ander te herstellen. Gedaagde had dan ook niet de factuur van Eiser onbetaald mogen laten.

Ook factuur twee heeft Gedaagde niet betaald. Hij stelt dat dit kwam omdat een muur niet goed is betegeld en het voegwerk in de wc niet goed is ingevoegd. Gedaagde stelt dat zowel de klant als hij hierover per e-mail en telefonisch contact heeft gehad met Eiser. Omdat er maar geen oplossing kwam zou de klant het vertrouwen in Eiser hebben opgezegd. Eiser vertelt zijn kant van het verhaal, waarin hij aangeeft dat Gedaagde hem via WhatsApp één keer heeft laten weten dat er problemen waren met een klein gedeelte van de voegen van de wc. Eiser zou toen het probleem hebben opgelost en de klant heeft dit toen goedgekeurd. Gedaagde heeft de factuur ontvangen en pas nadat de vordering ter incasso is gekomen kwam hij met dit bezwaar. Er is vervolgens whatsapp contact geweest, echter hieruit blijkt volgens de rechter niet voldoende dat de problemen niet naar tevredenheid zouden zijn opgelost. Ook heeft Eiser geen redelijk termijn van Gedaagde gekregen om het op te lossen. De conclusie is dan ook dat ook bij deze factuur de Gedaagde niet bevoegd was om de factuur niet te betalen. Hierdoor is Gedaagde in verzuim en zal de vordering van Eiser worden toegewezen. Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

Datum: 1 september 2016
Rechtbank: Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummer: 4731607 Rolnummer : 16-276

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, tevens h.o.d.n. Eiser Tegelwerken,

wonende en zaakdoende te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam, tegen

Gedaagde, tevens h.o.d.n. Gedaagde Loodgieter,

wonende en zaakdoende te Helmond, gedaagde partij, procederend in persoon.

Partijen zullen hierna "Eiser" en "Gedaagde" worden genoemd.

1.  Het verdere verloop van het geding

1.1.  Dit blijkt uit het volgende:

- het tussenvonnis van 4 februari 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- een akte overlegging producties van de zijde van Gedaagde;

- een akte overlegging producties van de zijde van Eiser;

- een akte overlegging (aanvullende) producties van de zijde van Gedaagde;

- de comparitie na antwoord (hierna: de zitting), gehouden op 30 mei 2016, waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2. Tot slot is opnieuw vonnis bepaald.

2.  Het geschil

2.1. Eiser vordert Gedaagde te veroordelen tot betaling van: een bedrag van € 2.750,67 aan hoofdsom;

- een bedrag van € 78,31 aan wettelijke handelsrente tot 9 december 2015;

- de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 9 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

- een bedrag van € 400,07 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente; de proceskosten en de nakosten.

2.2.  Eiser legt aan zijn vordering, beknopt weergegeven, ten grondslag dat hij in opdracht van Gedaagde badkamers heeft betegeld. Ondanks aanmaning(en) is Gedaagde in gebreke gebleven met betaling van twee facturen voor een totaalbedrag van € 2.750,67. Eiser heeft zich genoodzaakt gezien zijn vordering ter incasso uit handen te geven. De kosten hiervan bedragen € 400,07. Gedaagde is over de hoofdsom de wettelijke handelsrente verschuldigd.

2.3.  Gedaagde voert hiertegen aan, beknopt weergegeven, dat Eiser geen goed werk heeft geleverd. Eiser is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en Gedaagde heeft daarom zijn betalingsverplichtingen opgeschort.

3. De beoordeling

3.1.  Eiser vordert betaling van:

- € 1.187,49 uit hoofde van factuurnummer 185 van 25 mei 2015;

- € 1.563,18 uit hoofde van factuurnummer 206 van 5 augustus 2015.

3.2.  Vast staat dat Eiser zich heeft verbonden om voor Gedaagde badkamers te betegelen, zodat Gedaagde in beginsel is gehouden voor de overeengekomen en uitgevoerde werkzaamheden te betalen. Gedaagde heeft zijn betalingsverplichtingen opgeschort vanwege problemen met het tegelwerk.

3.3.  Er is sprake van een overeenkomst tot aanneming van werk. In artikel 7:759 BW is bepaald dat wanneer het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, de opdrachtgever aan de aannemer de gelegenheid moet geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen. Dit betekent dat Gedaagde als opdrachtgever aan Eiser als aannemer een redelijke termijn moet geven voor het verrichten van herstelwerkzaamheden. Dit is alleen anders wanneer dit in verband met de omstandigheden niet van Gedaagde kan worden gevergd.

3.4.  Beoordeeld moet worden of Eiser in de gelegenheid is gesteld om binnen een redelijke termijn de (beweerdelijke) gebreken te herstellen, of hij daartoe is overgegaan, en of het beroep van Gedaagde op het opschortingsrecht stand kan houden.

Factuur 185 - datum 25 mei 2015 - € 1.187,49 - Rubeemden (te Brandevoort)

3.5.  De betaling van deze factuur is door Gedaagde opgeschort, omdat de klant van mening was dat de voegen van de vloer te donker waren ingewassen.

3.6.  Eiser heeft als productie 4 een WhatsApp-bericht van 15 juli 2015 overgelegd, waarbij Gedaagde aan hem, voor zover thans relevant, het volgende schrijft:

"(...) En ben je wel al in brandevoort geweest hoe zit het met die voegen daar? "

Eiser antwoordt vervolgens:

"(...) Rubeemden zal ik morgen bellen om naar de voegen te kijken. "

3.7.  Gelet op de inhoud van dit bericht moet worden aangenomen dat Eiser al vóór 15 juli 2015 door Gedaagde op het probleem met de voegen is gewezen. De stelling van Eiser dat Gedaagde de factuur zonder protest heeft behouden houdt geen stand.

3.8.  Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij na de ontvangst van voormeld bericht bij de betreffende klant is geweest en heeft uitgelegd dat de voegen na verloop van tijd lichter worden. Eiser stelt dat de klant tevreden was met de uitleg en ook aangaf dat de voegen inderdaad al lichter waren geworden. Tijdens de zitting heeft Eiser nog betoogd dat met de klant is afgesproken dat die hem zou informeren wanneer de voegen niet beter zouden worden. Omdat Eiser niets meer heeft gehoord, ging hij ervan uit dat het probleem was opgelost. Omdat er maar niet door Gedaagde werd betaald, heeft Eiser in januari 2016 zelf nog contact opgenomen met de betreffende klant. Bij WhatsApp bericht van 25 januari 2016 schrijft de betreffende klant dat de voeg niet beter is geworden en dat Grando (de opdrachtgever van Gedaagde, kantonrechter) inmiddels met een andere aannemer de badkamer aan het afronden is, nadat een andere tegelzetter de vloer in zijn geheel opnieuw heeft gevoegd.

3.9.  Bij conclusie van antwoord heeft Gedaagde een e-mail van 19 augustus 2015 overgelegd. Hierin is een overzicht opgenomen van diverse facturen waarvan Eiser stelt dat Gedaagde deze nog moet betalen. Uit dit overzicht blijkt dat de factuur met nummer 185 nog openstaat. Gedaagde schrijft "zoals eerder aan jullie aangegeven volgt er weer een betaling als grando de badkamer in brandevoort heeft goedgekeurd wat betreft voegwerk en waneer er daar gecompenseerd moet worden op voegwerk doen jullie dit ook". Voor het overige is niet gebleken dat tussen Gedaagde en Eiser is gecommuniceerd over de geconstateerde gebreken en het herstel daarvan. Gedaagde stelt weliswaar dat bij ieder contact met Eiser continu over, onder andere, dit probleem is gesproken, maar dat staat haaks op het standpunt van Eiser die aangeeft niets meer te hebben gehoord.

3.10. Door Gedaagde is niet gesteld en dit is ook niet gebleken dat hij Eiser een redelijke termijn heeft gegeven waarbinnen hij het (beweerdelijke) gebrek diende te herstellen. Dit klemt des te meer nu door Gedaagde geen omstandigheden zijn gesteld, en daarvan is ook niet gebleken, waaruit volgt dat van hem niet kon worden gevergd Eiser hiertoe in de gelegenheid te stellen. Wel staat vast dat het gebrek inmiddels door een derde is hersteld.

3.11. Niet duidelijk is of Eiser ook Gedaagde heeft geïnformeerd over zijn bezoek aan de betreffende klant en de daarbij gemaakte afspraken. Ervan uitgaande dat Eiser dit heeft nagelaten, moet dit hem worden aangerekend omdat Gedaagde zijn opdrachtgever was en niet de klant in kwestie. Zwaarder weegt echter dat Gedaagde Eiser geen redelijke termijn heeft gegeven om tot herstel over te gaan en op enig moment een derde heeft ingeschakeld om tot herstel over te gaan.

3.12.  Onder die omstandigheden kan het beroep van Gedaagde op het opschortingsrecht geen stand houden. Het opschortingsrecht strekt er immers toe om druk uit te oefenen op de wederpartij om die alsnog in de gelegenheid te stellen correct na te komen. Gedaagde heeft Eiser daartoe geen redelijke termijn gegeven en bovendien is nakoming door Eiser inmiddels blijvend onmogelijk geworden. Dit brengt met zich dat Gedaagde in verzuim is geraakt en de vordering van Eiser in beginsel voor toewijzing gereed ligt.

Factuur 206 — datum 5 augustus 2015 — € 1.563,18 — Dierdonklaan te Helmond

3.13.  Gedaagde heeft betaling van deze factuur opgeschort, omdat een muur niet goed is betegeld en het voegwerk in de wc niet goed is ingevoegd. Gedaagde stelt dat zowel de klant als hij hierover contact heeft gehad met Eiser. Er is mailverkeer en telefonisch contact geweest. Omdat er maar geen oplossing kwam, heeft de betreffende klant, te weten de familie M, het vertrouwen in correcte nakoming door Eiser opgezegd.

3.14.  Eiser stelt hier tegenover dat Gedaagde hem via WhatsApp één keer heeft laten weten dat er problemen waren met een klein gedeelte van de voegen van de wc boven. Eiser heeft het probleem opgelost en de klant heeft dit goedgekeurd. Pas daarna heeft Eiser de factuur opgemaakt en naar Gedaagde verzonden. Gedaagde heeft nooit bezwaar gemaakt tegen de factuur en pas nadat de vordering ter incasso was overgedragen heeft Gedaagde aangegeven dat de voegen van de wc boven niet in orde zouden zijn.

3.15.  Uit de door Eiser bij productie 4 overgelegde WhatsApp-berichten, kan worden afgeleid dat hij door Gedaagde op 8 juli 2015 op de hoogte is gesteld van de door de familie M geconstateerde problemen. Gedaagde weet ook dat Eiser de problemen gaat repareren, zo blijkt uit een WhatsApp-bericht van 11 juli 2015. Uit een WhatsApp bericht van 15 juli 2015 maakt de kantonrechter op dat Eiser de reparatie op 16 juli 2015 heeft afgerond.

3.16.  Pas daarna, op 5 augustus 2015 heeft Eiser een factuur aan Gedaagde uitgebracht.

3.17.  In de al eerder genoemde e-mail van 19 augustus 2015 heeft Gedaagde aan Eiser geschreven: "dit zelfde verhaal geld ook voor de familie M te helmond deze heeft ook nog niets betaald i.v.m voegwerk wc boven en wil mogelijk ook compensatie zien".

Voor het overige is niet gebleken van communicatie tussen Gedaagde en Eiser over de geconstateerde gebreken. Uit deze e-mail volgt niet, althans onvoldoende, dat Gedaagde Eiser na de factuurdatum heeft laten weten dat de problemen kennelijk niet naar tevredenheid waren opgelost. Gedaagde heeft Eiser geen redelijke termijn gegeven waarbinnen hij de gebreken diende te herstellen, althans dit is niet gebleken. Dit klemt des te meer nu door Gedaagde geen omstandigheden zijn gesteld, en daarvan is ook niet gebleken, waaruit volgt dat dit niet van hem kon worden gevergd. Eiser heeft ter zitting aangeboden om de problemen alsnog op te lossen. Dat dit geen optie meer is, omdat de betreffende klant, met name vanwege het tijdsverloop, geen vertrouwen meer heeft in een correcte nakoming door Eiser kan gelet op het voorgaande niet aan Eiser worden tegengeworpen.

3.18.  De conclusie is dat ook met betrekking tot deze factuur Gedaagde niet bevoegd was zijn betalingsverplichtingen op te schorten. Dit brengt met zich dat Gedaagde in verzuim is geraakt en ook deze vordering van Eiser voor toewijzing gereed ligt.

Voorstel Gedaagde

3.19.  Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord het voorstel gedaan om het probleem te laten oplossen door derden. Daarbij dienen dan de facturen (van herstel, zo begrijpt de kantonrechter) in mindering te worden gebracht op de vordering van Eiser. Voor zover Gedaagde hiermee een tegenvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade heeft willen instellen, dient deze vordering te worden afgewezen. Eiser is door Gedaagde niet op de in artikel 6:82 BW bedoelde wijze in gebreke gesteld, verkeert om die reden niet in verzuim en is daarom ook niet gehouden de door Gedaagde geleden schade te vergoeden.

Rente en kosten

3.20.  In verband met het verzuim van Gedaagde is de gevorderde rente eveneens toewijsbaar. Uit de bij dagvaarding gevoegde producties blijkt voldoende, dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden van substantiële aard en omvang zijn verricht. Daarom worden de buitengerechtelijke incassokosten eveneens toegewezen.

3.21.    Gedaagde wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen nadat Gedaagde schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van € 2.750,67 aan hoofdsom en € 78,31 aan wettelijke handelsrente tot 9 december 2015, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.750,67 vanaf de vervaldata van de betreffende facturen tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van € 400,07 als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 77,84 aan explootkosten, € 223,00 aan griffierecht en € 350,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen nadat Gedaagde schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;

veroordeelt Gedaagde in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 87,50 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad; wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2016.