Eiser heeft op tijd zijn fout bij de levering hersteld, gedaagde veroordeeld tot betalen van de facturen

Eiser heeft aan Gedaagde diverse (hout)plaatmaterialen verkocht. De facturen zijn ondanks aanmaningen niet betaald. Eiser geeft aan dat er een koopovereenkomst is gesloten en dat Gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Gedaagde is het niet eens met de vordering en zegt dat een deel van de platen die hij kreeg niet klopte met zijn bestelling. Uiteindelijk heeft Eiser de juiste materialen geleverd, maar dat was volgens Gedaagde te laat. Volgens Gedaagde heeft hij door deze te late levering schade geleden van €17.500,- en moet Eiser daarom maar met een voorstel komen om dit te vergoeden.

De rechter heeft een zitting ingelast waarbij Gedaagde zonder bericht niet is verschenen. Tijdens de zitting is Eiser ingegaan op het verweer van Gedaagde. Zij geeft toe dat een deel van het door haar geleverde materiaal niet correct geleverd was. Zij betwist echter dat zij na ontvangst van de klacht niet goed heeft gehandeld. Eiser geeft in dit verband aan dat zij na het telefonische overleg met Gedaagde in het weekend medewerkers naar het project heeft gestuurd voor het verrichten van de herstelwerkzaamheden. Die herstelwerkzaamheden zijn vervolgens naar tevredenheid uitgevoerd. Dat de herstelwerkzaamheden te laat zouden zijn uitgevoerd, waardoor er schade is geleden, is volgens Eiser niet waar. Ook vindt zij dat het door Gedaagde genoemde schadebedrag buitenproportioneel hoog is. Tot slot betoogt zij dat Gedaagde in het buitengerechtelijke traject nimmer heeft gemeld dat er niet betaald werd omdat men niet tevreden was. Er werd niet betaald, omdat Gedaagde nog geen betaling van haar opdrachtgever had ontvangen, aldus Eiser.

De rechter is van mening dat met deze toelichting het verweer van Gedaagde voldoende is weersproken. Daarom veroordeeld de rechter dat Gedaagde de facturen van Eiser moet betalen, alsmede de rente, incassokosten, proceskosten en salaris voor de gemachtigde.

Datum: 2 november 2016
Rechtbank: Rechtbank Gelderland
Zaaknummer: 5116934 \ CV EXPL 16-8837 \ 512 \ 564

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte Eiser B.V.

gevestigd te eisende partij

gemachtigde IntoCash

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde B.V.

gevestigd te gedaagde partij

vertegenwoordigd door haar directeur

Partijen worden hierna Eiser en Gedaagde genoemd.

1.         De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 13 juli 2016 en de daarin genoemde processtukken de comparitie van partijen van 7 oktober 2016.

2.          De feiten

2.1. Eiser heeft aan Gedaagde diverse (hout)plaatmaterialen verkocht en geleverd. Uit hoofde van het voorgaande heeft Eiser het navolgende aan Gedaagde gefactureerd:

Factuurnummer:        Datum:               Vervaldatum:                  Bedrag:

140867                     12-12-2014         11-01-2015         €          6.929,56

150153                     06-02-2015         08-03-2015         €             732,73

Totaal € 7.662,29

2.2. Ondanks diverse aanmaningen is Gedaagde niet tot betaling van de factuur overgegaan.

3.   De vordering en het verweer

3.1.       Eiser vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde zal veroordelen om aan haar te betalen:

a)   de hoofdsom, een bedrag groot € 7.662,29;

b)   de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan 12 april 2016 een bedrag groot € 776,32;

c)   de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom vanaf 12 april 2016 tot aan de dag van volledige b staling;

d)   de buitengerechtelijke incassokosten van 6 758,11 exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis, althans een in goede justitie redelijk geachte termijn, tot aan de dag van volledige betaling;

e)   de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis, althans een in goede justitie redelijk geachte termijn, tot aan de dag van volledige betaling;

f)   de nakosten ten bedrage van 50% van het geldende salaris gemachtigde, indien en voorzover Gedaagde niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een goede justitie redelijk geachte termijn, na betekening van het ten deze te wijzen vonnis heeft voldaan.

3.2.       Eiser legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten en dat Gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting uit hoofde van die overeenkomst door de facturen, zoals weergegeven onder 2.1., niet te voldoen.

3.3.       Gedaagde voert verweer. Zij betoogt dat een deel van het geleverde materiaal niet voldeed aan hetgeen bij Eiser is besteld. Uiteindelijk heeft Eiser de juiste materialen geleverd, maar dat was volgens Gedaagde te laat. Zij betoogt dat zij door het handelen van Eiser schade heeft geleden van € 17.500,00 en dat Eiser met een voorstel zou komen hoe zij de door Gedaagde extra verrichte demontage werkzaamheden zou vergoeden. Gedaagde wenst een en ander thans met het door Eiser gevorderde te verrekenen. Zij geeft aan dat zij de uren die zij kwijt was met het verrichten van de extra demontagewerkzaamheden op papier zal zetten.

3.4.       Op de stellingen van partijen zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.

4.   De beoordeling

4.1.       Gedaagde is opgeroepen voor de comparitie van partijen, maar zonder bericht van verhindering niet verschenen. Ook heeft Gedaagde de uren van de door haar gestelde extra demontagewerkzaamheden niet in het geding gebracht.

4.2.       Tijdens de comparitie is Eiser ingegaan op het door Gedaagde gevoerde verweer. Zij erkent dat een deel van het door haar geleverde materiaal niet voldeed aan hetgeen Gedaagde daarvan mocht verwachten. Zij betwist echter dat zij na ontvangst van de klacht niet voortvarend heeft gehandeld. Eiser geeft in dit verband aan dat zij na het telefonische overleg met Gedaagde in het weekend medewerkers/arbeidskrachten naar het project heeft gestuurd voor het verrichten van de herstelwerkzaamheden. Die herstelwerkzaamheden zijn vervolgens naar tevredenheid uitgevoerd. Dat de herstelwerkzaamheden te laat zouden zijn uitgevoerd, waardoor er schade is geleden, wordt uitdrukkelijk betwist. Ook meent zij dat het door Gedaagde genoemde schadebedrag buitenproportioneel hoog is. Tot slot betoogt zij dat Gedaagde in het buitengerechtelijke traject nimmer heeft gemeld dat er niet betaald werd omdat men niet tevreden was. Er werd niet betaald, omdat Gedaagde nog geen betaling van haar opdrachtgever had ontvangen, aldus Eiser.      I

4.3.       De kantonrechter is van oordeel dat Blokplaatmateriaal met deze nadere inlichtingen het verweer van Gedaagde voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Gedaagde is derhalve gehouden om de door Blokplaatmateriaal gezonden facturen te voldoen. De kantonrechter zal dan ook de gevorderde hoofdsom dan ook toewijzen.

4.4.       De gevorderde wettelijke handelsrente wordt als onbetwist toegewezen.

4.5.       De kantonrechter acht voldoende gebleken dat Eiser buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en die geacht worden redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten al zijn betaald.

4.6.       Gedaagde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na dit vonnis, tot aan de dag van volledige betaling. Het gevorderde nasalaris wordt toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 100,00, indien Gedaagde niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.       veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van 6 7.662,29;

5.2.       veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen de vervallen wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW tot aan 12 april 2016 van € 776,32;

5.3.       veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 7.662,29 vanaf 12 april 2016 tot aan de dag van volledige betaling;

5.4.       veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 758,11 exclusief btw;

5.5.       veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Eiser begroot op € 77,75 aan dagvaardingskosten, € 471,00 aan griffierecht, € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen zijn voldaan, vanaf de veertiende dag na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.6.      veroordeelt Gedaagde in het nasalaris, tot deze uitspraak aan de kant van Eiser begroot op € 100,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan als Gedaagde niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan;

5.7.      verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.      wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen déor de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.