Gedaagde is niet onredelijk benadeeld door fout in dagvaarding

Op 9 mei 2007 hebben 26 uitleners (verder te noemen: de uitleners) en Gedaagde, als lener, een volmacht verschaft aan Boober Nederland B.V. om tussen hen een overeenkomst van geldlening te sluiten, waarbij de uitleners zich verplichten een bedrag van in totaal € 2.500,00 over te maken aan Boober Nederland B.V., die dat geld weer overmaakte aan Gedaagde. De Gedaagde zou vervolgens een bedrag van €3.038,40 in 36 maanden terugbetalen aan Boober Nederland, welke vervolgens de uitleners zou uitbetalen. Op 4 augustus 2009 is Boober Nederland failliet verklaard. SBAG (eiser) heeft de administratie overgenomen. Gedaagde heeft 19 maanden voldaan, het restant is onbetaald gebleven.

Gedaagde verweert zich tegen de vordering. Hij maakt bezwaar tegen de dagvaarding, aangezien zijn naam daarop niet juist vermeld staat. Ook zou volgens hem een deel van het bedrag zijn kwijtgescholden door Boober, waardoor het openstaande bedrag lager moet zijn. De rechter overweegt dat in artikel 45 van het Wetboek van Rechtsvordering is bepaald welke gegevens er in de dagvaarding vermeld moeten staan. Onder lid 3 sub d staat vermeld dat de naam en woonplaats van degene die de dagvaarding ontvangt vermeld moet staan. Indien dit niet juist vermeld staat zou de dagvaarding nietig kunnen zijn, als de ontvanger (de Gedaagde) daardoor onredelijk is benadeeld. De rechter oordeelt dat er niet is gebleken dat de Gedaagde niet begreep over welke vordering werd gesproken en dat Gedaagde voldoende de gelegenheid heeft gekregen verweer te voeren. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Gedaagde niet onredelijk benadeeld is door het gebrek aan de dagvaarding. De zaak zal dan ook worden voortgezet.

Vervolgens gaf Gedaagde aan dat gevorderde bedrag is kwijtgescholden door Boober. Dit zou hem bericht zijn via een e-mail die hij gekregen zou hebben van Boober. SBAG betwist dat Boober dit mailtje gestuurd heeft. De rechter oordeelt dat de e-mail te laat in de  procedure is gebracht en bovendien onvoldoende om de stelling van Gedaagde te onderbouwen. Het e-mailbericht is namelijk doorgestuurd naar zijn e-mailadres, wat ervoor zorgt dat er wijzigingen in kunnen worden aangebracht. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in alle kosten.

Datum: 24 februari 2016
Rechtbank: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummer: 4389355 CV EXPL 15-5050

vonnis

inzake

de stichting Stichting Boober Afwikkeling Gebruikersovereenkomsten,

statutair gevestigd te en kantoorhoudende aan het

Eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam ten kantore van IntoCash te Rotterdam,

tegen

Gedaagde,

wonende te,  gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna "SBAG" en "Gedaagde".

1.  Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a.  de dagvaarding van 17 augustus 2015 met producties;

b.  de conclusie van antwoord van 24 augustus 2015 met één productie;

c.  de aanvullende conclusie van antwoord van 20 september 2015 met producties;

d.  de conclusie van repliek van 21 oktober 2015 met producties;

e.  de conclusie van dupliek van 14 december 2015 met producties;

f.  de akte zijdens SB AG van 13 januari 2016.

2.  Het geschil

2.1 SBAG vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen tot betaling van:

- een bedrag van € 1.416,78 aan hoofdsom, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 12% per jaar over voornoemde hoofdsom, berekend tot 7 augustus 2015 op een bedrag van € 1.073,48, alsmede te vermeerderen met voornoemde contractuele, dan wel de wettelijke rente, vanaf 7 augustus 2015 tot de dag van de algehele voldoening;

- de vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van primair een bedrag van € 363,00 (incl. btw) en subsidiair een bedrag van € 451,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dagtekening van dit vonnis;

- dat Gedaagde in de procedure niet begreep over welke vordering werd gesproken en dat Gedaagde voldoende de gelegenheid heeft gekregen verweer te voeren. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Gedaagde niet onredelijk benadeeld is door het gebrek aan de dagvaarding, zodat de zaak inhoudelijk zal worden behandeld.

- de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dagtekening van dit vonnis; de nakosten.

2.2 Gedaagde voert verweer.

3. De beoordeling

3.1  Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist, staat tussen partijen het volgende vast:

- op 9 mei 2007 hebben 26 uitleners (verder te noemen: de uitleners) en Gedaagde, als lener, een volmacht verschaft aan Boober Nederland B.V. om tussen hen een overeenkomst van geldlening te sluiten, waarbij de uitleners zich verplichten een bedrag van in totaal € 2.500,00 over te maken aan Boober Nederland B.V., die dat geld weer overmaakte aan Gedaagde, en waarbij Gedaagde binnen 36 maanden een bedrag van € 3.038,40, via Boober Nederland B.V., aan de uitleners zou uitbetalen; op 4 augustus 2009 is Boober Nederland B.V. failliet verklaard;

SBAG heeft de administratiewerkzaamheden met betrekking tot de gesloten overeenkomsten overgenomen en de uitleners hebben zich bij SBAG gemeld; Gedaagde heeft 19 maandelijkse termijnbedragen, in totaal een bedrag van € 1.603,10, voldaan, het restant is onbetaald gebleven.

3.2  SBAG vordert betaling van de resterende (achterstallige) termijnbedragen, te vermeerderen met rente en kosten. Zij voert aan dat het resterende bedrag nooit is kwijtgescholden. Het door Gedaagde overgelegde e-mailbericht is onvoldoende ter onderbouwing van die stelling, nu het e-mailbericht aan hemzelf is doorgezonden en daardoor manipuleerbaar is. Ook heeft Gedaagde de in het e-mailbericht aangekondigde brief ter bevestiging van dat e-mailbericht niet overgelegd. Daarbij was Boober Nederland B.V. op dat moment failliet, zodat haar bedrijfsvoering stil lag. Bovendien is dit verweer tardief, nu het pas bij dupliek is aangevoerd. Daarnaast voert zij aan dat de door Gedaagde gestelde hoogte van het bedrag, dat hij nog verschuldigd zou zijn, niet juist is, nu hij geen rekening heeft gehouden met de tussen partijen overeengekomen rente. Tot slot erkent zij dat zij per abuis de verkeerde naam heeft opgenomen in de kop van de dagvaarding.

3.3  Gedaagde voert bij antwoord aan dat zijn naam niet juist is vermeld op de dagvaarding en hij daar bezwaar tegen maakt. Daarnaast is het bedrag onjuist, nu, naar zijn berekening, enkel een bedrag van € 897,00 open zou kunnen staan. Bij dupliek voert hij aan dat het resterende bedrag hem is kwijtgescholden door Boober Nederland B.V.. Ter onderbouwing legt hij het e-mailbericht van 14 mei 2009 zijdens Boober Nederland B.V. over, waarin hem dat wordt medegedeeld.

3.4       De kantonrechter overweegt dat in artikel 45 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) is bepaald welke gegevens dienen te worden vermeld in een exploot (van dagvaarding). Onder lid 3 sub d van voornoemd artikel staat vermeld dat de naam en de woonplaats van degene die het exploot ontvangt dienen te worden vermeld. Indien dit voorschrift niet op de juiste wijze wordt nageleefd, brengt dit, ingevolge het bepaalde in artikel 66 lid 1 Rv, nietigheid mee van het desbetreffende exploot, indien de ontvanger (in het onderhavige geval Gedaagde) daardoor onredelijk is benadeeld. Tussen partijen staat vast dat in de dagvaarding de voornamen van Gedaagde onjuist zijn weergegeven, zodat enkel dient te worden beoordeeld of Gedaagde daardoor onredelijk is benadeeld. Bij het voorgaande is van belang dat niet is gebleken dat Gedaagde in de procedure niet begreep over welke vordering werd gesproken en dat Gedaagde voldoende de gelegenheid heeft gekregen verweer te voeren. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Gedaagde niet onredelijk benadeeld is door het gebrek aan de dagvaarding, zodat de zaak inhoudelijk zal worden behandeld.

3.5  Gedaagde voert vervolgens aan dat het thans nog gevorderde bedrag hem is kwijtgescholden. Ter onderbouwing van die stelling legt hij een e-mailbericht van 14 mei 2009 over, waarvan hij stelt dat dit bericht van Boober Nederland B.V. afkomstig is. Dit wordt echter gemotiveerd betwist door SBAG. Buiten het feit dat het verweer tardief (= te laat) is gevoerd en daardoor niet inhoudelijk kan worden behandeld, overweegt de kantonrechter dat het voornoemde e-mailbericht onvoldoende is om de stelling zijdens Gedaagde te onderbouwen. Immers, het e-mailbericht is doorgestuurd naar zijn e-mailadres, wat ervoor zorgt dat er wijzigingen in kunnen worden aangebracht. Bovendien heeft Gedaagde de ter bevestiging aan hem verzonden brief, waarvan in het e-mailbericht melding wordt gemaakt, niet overgelegd. Dit onderdeel van het verweer slaagt dus niet.

3.6  Tot slot voert Gedaagde aan dat SBAG het thans gevorderde bedrag onjuist heeft berekend. Hij onderbouwt zijn verweer echter niet. Bij repliek heeft SBAG de berekening overgelegd, waarop zij haar vordering heeft berekend. Op het voorgaande heeft Gedaagde niet verder gereageerd, zodat de kantonrechter van oordeel is dat Gedaagde de hoogte van het resterende bedrag onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Zijn verweer zal dan ook worden gepasseerd. Het voorgaande betekent dat de hoofdsom van een bedrag van € 1.416,78 toewijsbaar is.

3.7  SBAG vordert vervolgens een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten. Nu SBAG stelt dat het verzuim voor 1 juli 2012 is ingetreden, is de kantonrechter van oordeel dat de vordering dient te worden beoordeeld naar de richtlijnen van Rapport Voorwerk II. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten dient dan ook te worden gesteld en onderbouwd dat de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter het uitgangspunt dat het moet gaan om werkzaamheden die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. SBAG heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, zodat het primair gevorderde bedrag van € 363,00, gebaseerd op de toen geldende tarieven van rapport Voorwerk II, zal worden toegewezen. Het voorgaande betekent dat de subsidiaire vordering niet meer behoeft te worden behandeld.

3.8  De gevorderde contractuele rente van 12 % per jaar (thans verschenen een bedrag van € 1.073,48) zal als niet, dan wel onvoldoende, weersproken worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar zoals gevorderd.

3.9  Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Deze worden begroot aan de zijde van SBAG op een bedrag van € 94,19 aan dagvaardingskosten, een bedrag van € 466,00 aan griffierecht en een bedrag van € 437,50 aan gemachtigdensalaris (2 punten a € 175,00 voor de dagvaarding en conclusie van repliek en V2 punt a € 175,00 voor de akte zijdens SBAG van 13 januari 2016), zijnde een totaalbedrag van € 997,69. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover Gedaagde de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan.

3.10 De gevorderde nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen, voor zover nakosten gemaakt zullen worden en Gedaagde niet vrijwillig binnen twee dagen na betekening van voornoemd vonnis aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan. De nakosten zullen worden begroot conform landelijk beleid tot een half salarispunt, zijnde een bedrag van € 87,50.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SBAG te betalen een bedrag van € 2.853,26, te vermeerderen met:

- de contractuele rente van 12% per jaar over een bedrag van € 1.416,78 vanaf 7 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

- de wettelijke rente over een bedrag van € 363,00 vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde van SBAG tot op heden begroot op € 997,69, daarin begrepen een bedrag van € 437,50 als salaris voor de gemachtigde van SBAG, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde om aan SBAG te betalen de nakosten, welke voorwaardelijk worden begroot op € 87,50 voor het geval dat Gedaagde gedurende twee dagen na betekening van dit vonnis niet heeft voldaan aan de bij dit vonnis uitgesproken veroordeling;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken.