Huurder stelt dat hij de huur contant heeft betaald en laat zichzelf horen als getuige

samenvatting:

De verhuurder stapt naar de rechter om zijn oude huurder te laten veroordelen in de huurachterstand die hij destijds heeft laten ontstaan. De huurder stelt dat er geen huurachterstand is omdat hij dit contant heeft betaald. Hier heeft hij geen bewijs van. De rechter legt hem uit dat het wel op zijn weg ligt om contante betalingen te bewijzen nu deze worden betwist. De huurder laat zichzelf horen als getuige en verklaart dat hij de huur steeds contant heeft betaald.

De kantonrechter geeft eerst aan dat de huurder een partijgetuige is, waardoor alles wat hij zegt enkel als aanvulling van eerdere bewijsstukken kan worden gezien. Er zijn echter geen bewijsstukken. Verder is wat de huurder verklaard erg algemeen en vaag naar oordeel van de rechter. Daarbij komt dat de huurder ook tegenstrijdig is in zijn eigen verklaring. De huurder geeft ook nog aan dat de huurder wel heel lang heeft gewacht tot het overgaan van dagvaarden. Dit is welliswaar in zekere zin ondersteunend, maar niet zodanig sterk dat dit als bewijs kan dienen ten voordele van de huurder. De huurder slaagt er naar het oordeel van de rechter dan ook niet om te bewijzen dat er contant is betaald. De huurachterstand zal worden toegewezen en de proceskosten komen voor rekening van de huurder.

Datum: 6 maart 2020
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 7260497/ CV EXPL 18-42228

vonnis

in de zaak van

Eiser,

wonende te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung te Rotterdam,

tegen

Gedaagde,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als `Eiser' en `Gedaagde'.

1. Het (verdere) procesverloop

1.1. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

het tussenvonnis van 3 mei 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de akte uitlaten van Gedaagde;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 4 december 2019;
de conclusie na enquête van Gedaagde met producties;
de conclusie na enquête van Eiser.

1.2. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij het voormelde tussenvonnis heeft de kantonrechter Gedaagde toegelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat de huur over de periode januari 2016 tot en met september 2018 reeds door hem is voldaan.

2.2. Daarop heeft Gedaagde zichzelf doen horen als getuige. Hij heeft daarbij (kort gezegd) verklaard dat hij de huur, na verrekening van de door hem betaalde energienota's, steeds contant heeft betaald aan aanvankelijk N Vastgoed (de vorige verhuurder) en later aan Eiser. De huur vanaf februari 2018 is niet meer door Gedaagde voldaan, met een beroep op verrekening.

2.3. Voorop stelt de kantonrechter dat Gedaagde dient te worden aangemerkt als partijgetuige, zoals bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv. Zijn verklaring is daarom onderworpen aan de beperkingen die uit dat artikel volgen. Aan zijn getuigenverklaring kan slechts bewijs ten voordele van hem worden ontleend indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de getuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (ECLI:NL:HR:2001:AB1057). Dergelijke aanvullende bewijzen zijn niet voorhanden. De verklaring die Gedaagde bij zijn conclusie na enquête in het geding heeft gebracht is namelijk dermate algemeen en vaag dat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan. Gedaagde heeft verder slechts aangetoond dat de huur aan N Vastgoed contant betaald werd en heeft aangevoerd dat het lang heeft geduurd voordat Eiser is overgegaan tot dagvaarding. Deze omstandigheden steunen weliswaar in zekere zin de stellingen van Gedaagde, maar zijn niet zodanig sterk en betreffen niet zodanig essentiële punten dat deze maken dat de getuigenverklaring kan dienen als bewijs ten voordele van Gedaagde. Daarbij komt dat Gedaagde tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, aangezien hij bij het getuigenverhoor heeft verklaard dat hij de huur na februari 2018 niet meer heeft voldaan, in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring, op de comparitie van partijen, dat hij de huur tot en met september 2018 heeft voldaan.

2.4. Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat Gedaagde de huur over januari 2016 tot en met september 2018 heeft voldaan. De vordering tot betaling hiervan zal dan ook worden toegewezen.

2.5. Ten aanzien van de hoogte van de huurachterstand overweegt de kantonrechter het volgende. Onbetwist is dat partijen een huurprijs zijn overeengekomen van € 500,- per maand, en dat Gedaagde de energiekosten, die hij vanaf 2015 tot en met juni 2018 voor zijn rekening nam, mocht verrekenen met dit bedrag_ Gedaagde heeft aangevoerd dat hij in 2016 tot en met 2018 € 5.003,39 aan energiekosten heeft betaald en dat dit nog verrekend dient te worden met de door Eiser gevorderde huurachterstand. Hiermee miskent Gedaagde echter dat Eiser over de periode januari 2016 tot en met juni 2018 'slechts' aanspraak maakt op € 300,- per maand, in plaats van de overeengekomen € 500,-. Gesteld noch gebleken is dat Gedaagde in die periode gemiddeld meer dan € 200,- per maand aan energiekosten heeft betaald, zodat in de gevorderde hoofdsom al geacht moet worden rekening te zijn gehouden met deze kosten, zodat verder geen grond bestaat voor verrekening van de aangevoerde energiekosten. De kantonrechter oordeelt daarom dat de gevorderde huurachterstand ten tijde van de dagvaarding van € 10.500,-, berekend tot en met september 2018 voor toewijzing gereed ligt.

2.6. Als onbetwist staat vast dat Gedaagde de sleutel van het gehuurde op 27 februari 2019 heeft ingeleverd. De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zullen dan ook worden afgewezen, nu deze per de voornoemde datum al hebben plaatsgevonden. De door Gedaagde aangevoerde omstandigheid dat hij het gehuurde al op 21 december 2018 heeft verlaten maakt dit niet anders, omdat gesteld noch gebleken is dat hij Eiser hiervan op de hoogte heeft gesteld, zodat deze omstandigheid voor zijn rekening komt.

2.7. De vordering tot betaling van € 500,- per maand vanaf oktober 2018 zal op grond van het voorgaande worden toegewezen tot en met februari 2019, dus tot een totaalbedrag van € 2.500,-. De totale huurachterstand tot en met februari 2019 bedraagt daarom € 13.000,-.

2.8. Zoals de kantonrechter al in het tussenvonnis heeft overwogen dient hiermee nog een bedrag van € 1.692,92 te worden verrekend, inzake de waterschapsbelasting en gemeentelijke heffingen.

2.9. De gevorderde rente over de huurachterstand, die tot 24 september 2018 € 281,81 bedraagt, wordt als niet betwist en op de wet gegrond toegewezen op de wijze zoals onder de beslissing is vermeld.

2.10. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Gedaagde veroordeeld in de kosten van deze procedure, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser worden vastgesteld op 226,- aan griffierecht, 99,91 aan dagvaardingskosten en 1.200,- aan salaris voor de gemachtigde. Inzake de gevorderde rente over de proceskosten zal worden beslist zoals hierna vermeld. De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van € 11.588,89 aan huurachterstand berekend tot en met februari 2019 en verschenen rente tot 24 september 201 8, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo vanaf 25 september 2018 dat aan huurachterstand, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 325,91 aan verschotten en 1.200,- aan salaris voor de gemachtigde, voornoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening; en indien Gedaagde niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.