Aanpassing overeenkomst niet nader betwist

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde een grafsteen gemaakt en geleverd. Voor de factuur is een betalingsregeling afgesproken. Omdat de gedaagde van mening is dat de eiser niet heeft geleverd conform afgesproken heeft hij niet het gehele bedrag betaald. Zo zou het lettertype verkeerd zijn. Vervolgens is gedaagde niet ter comparitie verschenen. Dit betekend niet dat het gedaagde het verweer heeft laten varen. Eiser verklaard tegenover de rechter dat hij gedaagde heeft voorgehouden dat de door haar gekozen belettering niet mooi zou staan op een staand grafmonument en dat zij enkele weken moest wachten alvorens de belettering kon worden aangebracht. Volgens Eiser heeft zij Gedaagde een voorbeeld van een ander lettertype gestuurd en haar aangeboden deze letter tegen een meerprijs van € 200,- te plaatsen. Volgens Eiser heeft Gedaagde met dit voorstel ingestemd en Eiser heeft vervolgens de grafsteen geplaatst. Het had op de weg van Gedaagde gelegen om op de stellingen van Eiser te reageren. Nu zij dat echter heeft nagelaten zal haar verweer als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. Dit betekent dat de vordering van Eiser zal worden toegewezen.

Datum: 2 januari 2008
Rechtbank: 's-Gravenhage, Sector kanton, locatie 's-Gravenhage
Zaaknummer: 702065/07-22851

Vonnis

in de zaak van:

De vennootschap onder firma Eiser V.O.F.,

gevestigd en kantoorhoudende te, eisende partij,

gemachtigde: mr. drs. C. Sneevliet,

tegen

Gedaagde,

wonende te 's-Gravenhage, gedaagde partij, procederend in persoon.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken:

de dagvaarding van 28 september 2007;

de conclusie van antwoord.

De kantonrechter heeft op 10 december 2007 om 13.30 uur een comparitie na antwoord gehouden. Eiser werd ter zitting vertegenwoordigd door haar eigenaar X, bijgestaan door haar gemachtigde. Gedaagde is ter comparitie niet verschenen en heeft ook overigens niets van zich laten horen. Van hetgeen ter zitting is verhandeld zijn door de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

Feiten

Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld en blijkt uit overgelegde stukken, een en ander voor zover niet of onvoldoende weersproken, kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan:

Omstreeks september 2006 heeft Eiser in opdracht van Gedaagde een grafsteen gemaakt en geleverd.

Op 29 september 2006 heeft Eiser Gedaagde ter zake een factuur gestuurd van € 4.017,06.

Gedaagde heelt een bedrag van € 3.490,- en in het kader van een betalingsregeling nog een bedrag van € 175,- in mindering voldaan.

Vordering

Eiser heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd - kort samengevat - Gedaagde, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen een bedrag van € 529,-, vermeerderd met de wettelijke rente over € 352,06 vanaf 17 september 2007 tot de dag der algehele voldoening, alsmede de kosten van het geding. Zij legt - zakelijk weergegeven - aan haar vordering ten grondslag dat Gedaagde ondanks herhaalde aanmaningen en sommaties in gebreke is gebleven met de (volledige) voldoening van de haar gezonden factuur. Behalve betaling van het resterende bedrag van de factuur vordert zij tevens een bedrag van € 150,- (exclusief BTW) aan buitengerechtelijke kosten en een bedrag ad € 26,94 aan rente.

Verweer

Zakelijk weergegeven komt het verweer van Gedaagde er op neer dat Eiser niet heeft geleverd wat met haar was afgesproken. Zo was afgesproken dat de belettering op de grafsteen (lettertype Albatros) zou worden ingegraveerd in de grafsteen. Een week voor de plaatsing van de grafsteen werd Gedaagde door Eiser gebeld met de mededeling dat ingraveren niet mogelijk was en dat de letters tegen een meerprijs van € 200,- dienden te worden geboord. Onder druk van Eiser is zij met dit andere lettertype akkoord gegaan. Gedaagde is bereid de vordering te voldoen, maar verzoekt om een betalingsregeling.

Beoordeling

Gedaagde is niet ter comparitie verschenen.

Als uitgangspunt heeft echter te gelden dat de kantonrechter slechts ervan kan uitgaan dat een partij haar verweer heeft laten varen indien dat, uitdrukkelijk of stilzwijgend, op ondubbelzinnige wijze is geschied. De kantonrechter verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2006, zoals gepubliceerd op Rechtspraak.nl onder LJN-nummer AW2089. Dat Gedaagde haar verweer op ondubbelzinnige wijze heeft prijsgegeven is de kantonrechter niet gebleken.

Gedaagde voert tegen de vordering van Eiser als verweer aan dat Eiser een andere belettering voor de grafsteen van wijlen haar echtgenoot heeft geleverd dan aanvankelijk was afgesproken. Eiser heeft ter comparitie verklaard dat hij Gedaagde heeft voorgehouden dat de door haar gekozen belettering niet mooi zou staan op een staand grafmonument en dat zij enkele weken moest wachten alvorens de belettering kon worden aangebracht. Volgens Eiser heeft zij Gedaagde een voorbeeld van een ander lettertype gestuurd en haar aangeboden deze letter tegen een meerprijs van € 200,- (in plaats van € 600,-) te plaatsen. Volgens Eiser heeft Gedaagde met dit voorstel ingestemd en Eiser heeft vervolgens de grafsteen geplaatst. Het had op de weg van Gedaagde gelegen om op de stellingen van Eiser te reageren. Nu zij dat echter heeft nagelaten zal haar verweer als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. Dit betekent dat de vordering van Eiser zal worden toegewezen.

Nu Eiser genoodzaakt was haar vordering ter incasso uit handen te geven, geldt hetzelfde voor de eveneens gevorderde buitengerechtelijke kosten. Gedaagde heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde rente ad € 26,94, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen.

Voor het eventueel treffen van een betalingsregeling dient Gedaagde zich te wenden tot (de gemachtigde van) Eiser, nu de kantonrechter niet bevoegd is zonder instemming van Eiser een dergelijke regeling in het vonnis op te nemen.

Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, met dien verstande dat nu eisende partij stelt BTW-plichtig te zijn, geen BTW over buitengerechtelijke- en proceskosten zal worden toegewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen de somma van € 529,-- vermeerderd met de overeengekomen rente over € 352,06 vanaf 17 september 2007 tot de dag der voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure aan de zijde van Eiser, tot op deze uitspraak vastgesteld op € 428,66, waarvan € 200,- wegens salaris van haar gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. H.S. Wiarda en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 januari 2008.