Aanvullende werkzaamheden bij overeenkomst van opdracht

De gedaagde partij heeft in 2066 zijn advocaat gevraagd om zijn bank aansprakelijk te stellen voor het slecht beheren van zijn effectenportefeuille. Hierdoor zou hij schade hebben geleden. De advocaat van deze gedaagde besloot toen om de eisende partij in te schakelen om de claim op juiste wijze te onderbouwen. De eiser heeft toen een rapport opgesteld en deze naar de bank verzonden. De factuur hiervan is door de gedaagde volledig voldaan. De kwestie met de bank heeft vervolgens meer dan drie jaar stilgelegen. In 2010 heeft de eiser zijn werkzaamheden weer opgepakt op instructie van de advocaat. Deze factuur wordt niet betaalt door de gedaagde. Als reden geeft hij dat hij ervan uitging dat hij in 2008 al voor alle werkzaamheden betaald had. Plus het bedrag van de factuur is niet redelijk als je kijkt naar het geleverde werk. Eiser vertelt dat door het het feit dat de zaak 3 jaar heeft stilgelegen hij extra uren aan deze zaak heeft moeten besteden. Gedaagde heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist, waardoor hij de factuur moet betalen.

Datum: 9 februari 2012
Rechtbank: 's-Gravenhage. Sector kanton, locatie Gouda
Zaaknummer: 1112536 \ CV EXPL 11-3502

Vonnis

in de zaak:

de besloten vennootschap EISER B.V., statutair gevestigd te   en kantoorhoudende te  , gemeente  , eisende partij bij dagvaarding,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung;

tegen

GEDAAGDE, wonende te  , gemeente  , gedaagde partij, procederende in persoon.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: de dagvaarding + producties; de conclusie van antwoord + producties; de conclusie van repliek + producties; de conclusie van dupliek;

Overwegingen

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende weersproken staat het volgende vast:

gedaagde partij - nader te noemen Gedaagde - heeft in 2006 zijn advocaat opgedragen om zijn bank aansprakelijk te stellen voor het onjuist beheren van zijn effectenportefeuille, als gevolg waarvan hij meende schade te hebben geleden.

De advocaat van Gedaagde besloot eisende partij - nader te noemen Eiser - in te schakelen om de claim op juiste wijze te onderbouwen; aldus heeft Eiser het rapport opgesteld dat naar de bank is verzonden.

De factuur die Eiser voor dit rapport heeft verzonden, heeft Gedaagde in 2008 volledig voldaan.

De kwestie met de bank heeft vervolgens meer dan drie jaar stilgelegen; in deze periode zijn door de advocaat noch Eiser werkzaamheden verricht; Eiser heeft haar werkzaamheden in 2010 hervat op instigatie van de advocaat.

Eiser vordert veroordeling van Gedaagde tot betaling van € 1.954,83, alsmede de wettelijke rente over € 1.621,38 vanaf 5 oktober 2011 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Gedaagde in de kosten van het geding. De som van € 1.954,83 is het saldo van de hoofdsom van € 1.621,38, de wettelijke rente tot 5 oktober 2011 ad € 33,45 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 300,—. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van Gedaagde advieswerkzaamheden heeft verricht, in het kader van de onder 2.1.a genoemde kwestie. De onderhavige factuur heeft betrekking op de in 2010 verrichte werkzaamheden. De factuur van 2007/2008 had slechts betrekking op het opstellen van het rapport, en niet op de nadien verrichte werkzaamheden. Het in rekening gebrachte bedrag is op grond van de overeenkomst, althans de wet, althans rapport VoorWerk II en de redelijkheid en billijkheid vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten.

Gedaagde heeft de vordering betwist en aangevoerd dat hij ervan uitging dat hij in 2008 reeds voor alle werkzaamheden had betaald. Hij heeft een aantal posten van de factuur van Eiser betwist en aangevoerd dat hij slechts bereid is tot betaling van een bedrag dat in overeenstemming is met het geleverde werk. De onderhavige factuur is dat volgens hem niet.

De stellingen van partijen met betrekking tot de diverse posten van de factuur zullen voor zover nodig bij de beoordeling aan de orde komen.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Partijen hebben in 2006 een overeenkomst van opdracht gesloten, waarvoor in 2010 nog aanvullende werkzaamheden zijn verricht. Gedaagde heeft de door Eiser in zijn factuur van 31 januari 2011 gehanteerde tarieven niet betwist. Wel heeft hij betwist dat het gesprek in Den Haag, waarvoor Eiser een uur in rekening heeft gebracht, een uur heeft geduurd. Nu Eiser vervolgens heeft erkend dat het gesprek in Den Haag slechts een half uur heeft geduurd valt, bij gebreke van een daartoe strekkende afspraak, die door Eiser niet gesteld is, niet in te zien waarom Gedaagde vergoeding van het door Eiser ingeplande volle uur verschuldigd zou zijn geworden. Voor zover zal de vordering van Eiser derhalve worden afgewezen. Bij het factureren van de reistijd heeft Eiser de door hem geleden vertraging niet in rekening gebracht en het door hem gehanteerde tarief is door Gedaagde niet betwist. Deze post zal daarom worden toegewezen. Gedaagde heeft tevens weersproken dat Eiser 3 uur heeft besteed aan de post 'beantwoorden brief Mr Pielkenrood', aangezien deze brief al jaren zou hebben bestaan. Eiser heeft deze stelling gemotiveerd betwist, en aangevoerd dat de brief van de bank (waarop deze brief een reactie was) toen nog niet was ontvangen, zodat hij zijn reactie pas in 2010 heeft kunnen formuleren.

In verband met het feit dat de zaak drie jaar had stilgelegen heeft Eiser, volgens haar stellingen, 3 uur aan het schrijven danwel bewerken van de brief moeten besteden en nader overleg moeten voeren met de advocaat. Gedaagde heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd betwist dat Eiser deze uren aan de zaak heeft besteed. Uit de stellingen van partijen maakt de kantonrechter op dat beide partijen menen dat het feit dat de zaak drie jaar heeft stilgelegen te wijten is aan de advocaat van Gedaagde, die leidend was in de afhandeling van de kwestie waarvoor Gedaagde hem had benaderd. De gevolgen daarvan kunnen daarom aan Eiser niet worden tegengeworpen en zijn dus geen reden om de post niet te voldoen. De betreffende kosten moeten derhalve worden toegewezen, zodat in totaal toewijsbaar is een bedrag van € 1472,63 inclusief omzetbelasting. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de vervaldatum van de factuur.

Gedaagde heeft gesteld het door Eiser gedane schikkingsvoorstel en de aanmaningen niet te hebben ontvangen. Hij heeft echter aangegeven dat zijn kantooradres gewijzigd was en niet weersproken dat zijn nieuwe adres aan Eiser onbekend was. Om deze reden neemt de kantonrechter aan dat het niet ontvangen van deze brieven het gevolg is geweest van zijn eigen handelen, zodat dit voor zijn rekening komt. Nu de hoogte van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten overeenkomt met het gebruikelijke tarief volgens de zogenaamde kantonrechterstaffel, opgenomen als bijlage bij het rapport Voor-werk II van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, zal deze geheel worden toegewezen

Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Eiser.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan Eiser te betalen de som van € 1.772,63 met de wettelijke rente over € 1.472,63 vanaf 14 februari 2011 tot de dag der voldoening, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:119 BW;;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot heden begroot op € 802,31, waaronder begrepen een bedrag van 6 300,-, voor salaris van de gemachtigde van Eiser, onverminderd de eventueel over de verschotten verschuldigde btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Nijenhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2012.