Advocaat bericht cliënt terecht niet over afwijzing toevoeging rechtsbijstand

Gedaagde was directeur en volledig gevolmachtigde van een vennootschap dat in 2009 failliet is verklaard. Na dit faillissement heeft de eiseres (een advocaat) in deze zaak hem juridisch geholpen. Voor deze juridische dienstverlening heeft eiseres een factuur gestuurd, maar deze is door de gedaagde niet betaald. De reden hiervoor zit in de aanvraag van een toevoeging. Een toevoeging wordt door een advocaat aangevraagd als je onvoldoende inkomsten hebt om deze advocaat te betalen. Als deze wordt afgegeven, dan hoef je slechts de eigen bijdrage te betalen. De gedaagde is van mening dat de eiseres had moeten doorgeven dat de aanvraag voor een toevoeging was afgewezen, zodat de gedaagde bezwaar had kunnen maken. De rechter oordeelt in eerste instantie dat de eiseres gehouden was om de afwijzing van de aanvraag met gedaagde te bespreken om te kijken of er bezwaar kon worden gemaakt. Hierop reageert de eiser dat ze goede gronden had om aan te nemen dat de aanvraag terecht zou worden afgewezen. Er staat namelijk heel duidelijk in de Wet op de Rechtsbijstand dat deze niet wordt verleend als het betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. De rechter begrijpt na een uitgebreide toelichting dat het inderdaad nooit mogelijk was geweest voor de gedaagde om voor deze vergoeding in aanraking te komen. De vordering tot het betalen van de factuur en extra kosten wordt dan ook toegewezen.

Datum: 19 juni 2013
Rechtbank: Midden-Nederland, Afdeling Civiel recht kantonrechter, locatie Utrecht
Zaaknummer: 802659 UC EXPL 12-4389

Vonnis

inzake

Eiseres, wonende te, verder ook te noemen Eiseres, eisende partij,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung (IntoCash),

tegen:

Gedaagde, wonende te, verder ook te noemen Gedaagde, gedaagde partij, procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 28 november 2012;
het proces-verbaal van comparitie van 6 februari 2013;
de akte uitlating tevens vermindering van eis, met producties, van Eiseres
de akte uitlating met productie van Gedaagde.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Gedaagde was directeur en volledig gevolmachtigde van de commanditaire vennootschap X,  welk bedrijf op 21 april 2009 failliet is verklaard. Het faillissement is op 24 augustus 2010 opgeheven wegens een gebrek aan baten.

Gedaagde heeft als directeur namens X zaken gedaan met Y (hierna: "Y"). Y had 42 quads besteld en vooruit betaald. Levering heeft ingevolge het faillissement niet plaatsgevonden, waarop Y Gedaagde in rechte heeft betrokken onder andere stellende dat Gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De dagvaarding is betekend op 29 april 2009.

Gedaagde heeft zich met behulp van Eiseres met succes verweerd tegen deze persoonlijke aansprakelijkstelling. Ten behoeve van de door haar te verlenen rechtsbijstand heeft Eiseres namens Gedaagde een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor de Rechtsbijstand. Op het aanvraagformulier heeft Eiseres onder punt 5 vermeld dat de aanvraagster geen zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent. Bij de aanvraag is een kopie van de dagvaarding gevoegd.

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft de Raad voor de Rechtsbijstand de toevoeging afgewezen. Op het besluit staat de volgende motivering vermeld:

Voor rechtsbelangen die betrekking hebben op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf wordt geen toevoeging verleend, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand en evenmin het beroep of bedrijf in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd. De Raad voor Rechtsbijstand is van oordeel dat hiervan geen sprake is (artikel 12, lid 2, aanhef en onder e, Wrb). Dit nu de onderneming per 21-04-09 is beëindigd ivm faillissement.

Gedaagde heeft met Eiseres op 17 oktober 2010 een zogenaamde "overeenkomst betalingsregeling" gesloten die onder punt 7 van die overeenkomst is getypeerd als vaststellingsovereenkomst (hierna: "de vaststellingsovereenkomst"). In de vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat Gedaagde de door haar uit hoofde van de verleende rechtsbijstand verschuldigde tegenprestatie in termijnen zou voldoen, bij gebreke waarvan aanspraak zou worden gemaakt op de verschuldigde rente en extra invorderingskosten. Gedaagde heeft een aantal van deze termijnen voldaan.

3. Het geschil

Eiseres vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Eiseres om aan haar te voldoen € 1.870,61 (bestaande uit € 1.450,00 aan hoofdsom, € 63,61 aan rente tot 5 maart 2012 en € 357,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 5 maart 2012 tot de voldoening en met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten.

Ter onderbouwing van die vordering stelt Eiseres dat Gedaagde jegens haar toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot juridische dienstverlening door de factuur, ondanks sommaties, deels onbetaald te laten. Eiseres maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu Gedaagde in verzuim is geraakt, respectievelijk Eiseres de vordering uit handen heeft moeten geven.

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van Eiseres in de proceskosten.

Gedaagde baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende.

Eiseres is tekort geschoten in haar verplichtingen als advocaat door de afwijzing van de aanvraag voor een toevoeging die namens Gedaagde door Eiseres was ingediend niet aan Gedaagde door te leiden en haar aldus de mogelijkheid te ontnemen daar bezwaar tegen te maken teneinde alsnog een toevoeging te krijgen. Als zij tijdig bezwaar had gemaakt zou een toevoeging zijn verleend omdat haar inkomen in het peiljaar, al dan niet met gebruikmaking van de mogelijkheid van peiljaarverlegging, daartoe aanleiding gaf, hetgeen Eiseres wist. Als Gedaagde had geweten dat door het schuldhulpverleningstraject alle vrij beschikbare middelen dus ook het vakantiegeld, zou worden aangewend voor de gezamenlijke schuldeisers met wie akkoord is bereikt en waar de vordering van Eiseres buiten is gehouden, had zij de vaststellingsovereenkomst met Eiseres nooit gesloten. Eiseres heeft bovendien te veel in rekening gebracht, door het overleg te factureren dat zij ten behoeve van Gedaagde heeft gevoerd met haar patroon.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De kantonrechter stelt voorop dat Eiseres haar vordering betreffende het gefactureerde overleg met haar patroon heeft laten vervallen. Ook het verweer van Gedaagde op dit punt met betrekking tot de hoogte van de gefactureerde werkzaamheden is daarmee komen te vervallen. Dit betekent dat de kantonrechter integraal bevoegd is van de vordering van Eiseres kennis te nemen.

Gedaagde betwist op zichzelf de hoogte van het, na vermindering van eis, resterende factuurbedrag niet zodat de vordering in beginsel voor toewijzing gereed ligt. De door Gedaagde genoemde financiële en persoonlijke omstandigheden leveren op zichzelf geen overmacht op en ontslaan Gedaagde niet van haar betalingsverplichting.

Voor wat betreft de problematiek van de gefinancierde rechtsbijstand waarvan Gedaagde stelt gebruik te hebben kunnen maken als Eiseres zich behoorlijk van haar taak als rechtsbijstandverlener, op dit punt, had gekweten, overweegt de kantonrechter als volgt.

Artikel 24 van de gedragsregels van de Nederlandse Orde van advocaten bepaalt het volgende:

1. Tenzij een advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, is hij verplicht met zijn cliënt bij het begin van de zaak en verder telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om te trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen.
2. De advocaat zal voor de behandeling van een zaak waarin hij is toegevoegd voor zijn werkzaamheden geen vergoeding, in welke vorm dan ook, bedingen of in ontvangst nemen, afgezien van eigen bijdragen en verschotten volgens de daarvoor geldende regels.
3. Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin verkiest daarvan geen gebruik te maken, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.

Op grond van dit artikel was Eiseres gehouden de afwijzing van de aanvraag om een toevoeging met Gedaagde te bespreken en te bezien of er termen waren daartegen bezwaar te maken teneinde te trachten alsnog de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand te verkrijgen. Niet ter discussie staat dat een dergelijke bespreking niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Eiseres tenzij Eiseres goede gronden had om aan te nemen dat Gedaagde niet in aanmerking kon komen voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand.

Eiseres voert - naar de kantonrechter begrijpt ter onderbouwing van haar standpunt dat zij dergelijke goede gronden had - aan dat de Raad voor de Rechtsbijstand de toevoegingsaanvraag terecht heeft afgewezen op grond van artikel 12 lid 2, aanhef en onder e, van de Wet op de Rechtsbijstand (hierna: Wrb). Dit artikel bepaalt, zo stelt Eiseres dat rechtsbijstand niet wordt verleend:

A indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf voorzover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand.

B het beroep of bedrijf ten minste één jaar voor de aanvraag is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij de procedure betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

De onder A en B genoemde uitzonderingen deden zich volgens Eiseres niet voor omdat X failliet is verklaard, waardoor voortzetting van het bedrijf niet afhankelijk was van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand en X minder dan één jaar voor de aanvraag failliet was verklaard. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat voor de vraag of in dit geval het rechtsbelang een bedrijfsmatig karakter droeg, de oorsprong van het rechtsbelang bepalend is. Dat was volgens Eiseres het geval omdat Gedaagde als directeur en volledig gevolmachtigde van X zaken heeft gedaan met Y en niet in persoon. Daar was het verweer in de betreffende procedure, zo begrijpt de kantonrechter, ook op gericht. De hoogte van de inkomensgegevens van Gedaagde en het peiljaar waren volgens Eiseres dan ook niet relevant en bezwaar maken tegen de afwijzing van de toevoeging had dus geen zin.

De vraag die voorligt is of de Raad voor de Rechtsbijstand, zoals Eiseres meent, de onderhavige aanvraag voor gefinancierde rechtsbijstand terecht op grond van het bepaalde in artikel 12 Wrb af heeft mogen wijzen. Voor de beantwoording van die vraag is allereerst van belang de volledige tekst van artikel 12 Wrb en de daarbij behorende memorie van toelichting te bezien. De tekst van artikel 12 Wrb luidt als volgt:

1. Rechtsbijstand wordt uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.
2.Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:
a. de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot;
b. de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak;
(...)
d. de daartoe strekkende aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon die is opgericht met het doel om een gerechtelijke procedure te voeren;
e. het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:
1°. voortzetting van het beroep of bedri jf voorzover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of
2°. het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed;
(...)
g. het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Het bepaalde in artikel 12 lid 2 sub e is bij wetswijzing van 4 december 2003, in werking getreden 1 mei 2004 in de Wet op de rechtsbijstand terechtgekomen. De memorie van toelichting op deze wetswijziging luidt als volgt:

De wijziging van onderdeel e is gedeeltelijk terminologisch en technisch van aard. De wijziging van technische aard betreft een verduidelijking. Aansluitend op de praktijk wordt in onderdeel e thans in de tekst opgenomen dat het bedrijf dat voor rechtsbijstand in aanmerking wil komen geen rechtspersoon mag zijn.

De aanvulling van onderdeel e evenwel beoogt met name een mogelijkheid te creëren voor degene die zijn beroep of bedrijf heeft beëindigd om in bepaalde gevallen gesubsidieerde rechtsbijstand te ontvangen. In dit onderdeel is thans geregeld dat geen rechtsbijstand wordt verleend, indien het rechtsbelang waarop het verzoek betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een aantal gevallen geoordeeld dat de uitsluiting van gesubsidieerde rechtsbijstand ook van toepassing is, indien het rechtsbelang zich na bedrijfsbeëindiging voordoet (bijvoorbeeld ABRS, 4 augustus 1998, HO 1.97.0757). Een dergelijke uitsluiting blijkt echter in de praktijk tot een onbevredigende situatie te kunnen leiden. Voorgesteld wordt om in bepaalde gevallen bij de beëindiging van een beroep of bedrijf wel gesubsidieerde rechtsbijstand te verlenen. Daarbij wordt als uitgangspunt gekozen dat in dergelijke gevallen alleen dan gesubsidieerde rechtsbijstand wordt verleend, indien het rechtsbelang dat voortvloeit uit het bedrijf de rechtzoekende meer als particulier dan als ex-ondernemer raakt. Daartoe zijn de volgende criteria ontwikkeld. Ten eerste is van belang dat de rechtzoekende ex-ondernemer in eerste aanleg niet als eiser maar als verweerder in de procedure wordt betrokken. Indien de ex-ondernemer vervolgens in hoger beroep als eiser optreedt kan ook een toevoeging worden verleend. Indien de ex-ondernemer in eerste aanleg een eis in reconventie instelt, hoeft daarvoor geen nieuwe toevoeging te worden aangevraagd. Deze proceshandeling wordt bestreken door de toevoeging die betrokkene als verweerder ontvangt. Wordt de eis in reconventie in eerste aanleg afgewezen dan verkrijgt de betrokkene geen toevoeging, indien hij hiervan in hoger beroep wil gaan. Betrokkene was immers met betrekking tot de eis in reconventie geen verweerder in eerste aanleg.

Als tweede criterium voor het verkrijgen van gesubsidieerde rechtsbijstand geldt dat het bedrijf een jaar of langer geleden moet zijn beëindigd. Het moment waarop het bedrijf is beëindigd wordt niet nader bepaald. Het ligt voor de hand om aan te sluiten bij het moment waarop de inschrijving van de onderneming in het handelsregister is doorgehaald. Indien de inschrijving niet is doorgehaald kan de beëindiging van het bedrijf op andere wijzen jegens de raad worden aangetoond. Te denken valt aan de beëindiging van de toepasselijkheid van speciale fiscale regelingen voor het bedrijf.

Een laatste criterium waaraan moet zijn voldaan om voor rechtsbijstand in aanmerking te komen is dat de kosten die voortvloeien uit de rechtsbijstand niet zijn verzekerd krachtens een verzekeringsovereenkomst. In het bijzonder kan hier gedacht worden aan schadeverzekeringen.

Het bovenstaande laat onverlet dat geen rechtsbijstand wordt verleend, indien zich één van de andere in artikel 12, tweede lid, genoemde gronden voordoet.

De kantonrechter begrijpt uit deze memorie van toelichting dat het de bedoeling van de wetgever is geweest nader te preciseren wanneer er ruimte is voor rechtsbijstand waar het gaat om bedrijfsgerelateerde belangen, mede gelet op de destijds geldende jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRvS). Voor wat betreft de uitleg die aan het thans geldende artikel 12 lid 2 sub e moet worden gegeven is onverkort van belang de navolgende overweging van de ABRvS in zijn uitspraak van 11 augustus 1998 (LJN AI5291).

Appellante is als voormalig beherend vennoot van een commanditaire vennootschap gedagvaard tot betaling van facturen, die door de vennootschap onbetaald zijn gebleven. Het verzoek om toevoeging betreft rechtsbijstand in deze procedure.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het rechtsbelang, waarop het verzoek betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand. Vast staat dat de tegen haar ingestelde vordering betrekking heeft op de voormalige bedrijfsuitoefening door appellante. Gelet hierop stond artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb, aan verlening van een toevoeging in de weg. Dat, naar appellante heeft gesteld, geen sprake meer is van een onderneming waarin de middelen voor het betalen van rechtshulp kunnen worden gegenereerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat ook het privévermogen van appellante, naar zij stelt, bij eventuele toewijzing van de vordering kan worden uitgewonnen, doet dat evenmin. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e van de Wrb strekt er blijkens de bijbehorende Memorie van Antwoord mede toe te voorkomen dat de kosten van rechtsbijstand die voortvloeien uit bedrijfsvoering worden afgewenteld op de overheid. De bepaling ziet dan ook tevens op het geval dat rechtsbijstand wordt verzocht ter zake van een rechtsbelang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf. Zij kent slechts een uitzonderingsmogelijkheid voor het geval voortzetting van een zelfstandig beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte bijstand. Dat daarvan sprake is, is evenwel gesteld noch gebleken.

In dit geval had de aanvraag om een toevoeging betrekking op een procedure waarbij Gedaagde in rechte is aangesproken in verband met door de commanditaire vennootschap waarvan Gedaagde, zo begrijpt de kantonrechter, beherend vennoot was, onbetaald gelaten facturen. Ingevolge de vaste jurisprudentie van de ABRvS is rechtsbijstand betreffende dit soort procedures uitgesloten van de gefinancierde rechtshulp. Omdat Gedaagde, zoals Eiseres terecht aanvoert, niet valt onder de, na deze uitspraak van de ABRvS nader in de wet vastgelegde, uitzonderingen, heeft de Raad voor de Rechtsbijstand in lijn met het bepaalde in artikel 12 Wrb de gevraagde toevoeging afgewezen.

Dit zo zijnde had Eiseres dus goede gronden om aan te nemen dat bezwaar tegen de geweigerde toevoeging geen zin had en is van een tekortkoming van Eiseres niet gebleken. De door Gedaagde geschetste inkomenssituatie kan derhalve in het midden blijven.

Eiseres heeft de wettelijke rente gevorderd over de hoofdsom waarin begrepen is het bedrag van € 250,00 betreffende de door Gedaagde bestreden kosten van overleg met haar patroon. Aangezien Eiseres haar vordering met dit bedrag heeft verminderd zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de datum waarop Eiseres moet worden geacht in verzuim te zijn, te weten 17 oktober 2010, zijnde de dag waarop de vaststellingsovereenkomst is gesloten.

Eiseres heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, gebaseerd op de stelling dat een dergelijke vergoeding in de overeenkomst tussen partijen is bedongen. Eiseres heeft echter geen overeenkomst overgelegd waarin een duidelijke bepaling met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten is opgenomen. In de vaststellingsovereenkomst is weliswaar summier iets opgenomen over mogelijke buitengerechtelijke kosten maar die bepaling omvat niet de hoogte van deze kosten. De kantonrechter kan derhalve niet toetsen of en op welke wijze de gevorderde vergoeding daadwerkelijk is bedongen. Een dergelijke (ambtshalve) toetsing op een mogelijk onredelijk bezwarend beding is echter, gelet op de aard van de door Eiseres met Gedaagde als consument gesloten overeenkomst en van het beding waar Eiseres zich kennelijk op wenst te beroepen, aangewezen op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. Pannon- arrest, 4 juni 2009, C-243/08). Bij gebreke van afdoende onderbouwing van de stellingen van Eiseres gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Op grond hiervan kunnen deze stellingen van Eiseres niet tot toewijzing van het gevorderde leiden.

Subsidiair heeft Eiseres dit onderdeel van de vordering gebaseerd op artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Eiseres heeft ten aanzien van voormelde criteria voldoende gesteld en onderbouwd om tot toewijzing van het gevorderde te kunnen overgaan. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de staffel kantonrechters als bedoeld in het rapport Voorwerk II en daarmee - zijnde conform de tarieven volgens welke zodanige kosten gewoonlijk aan opdrachtgevers in rekening worden gebracht - redelijk. De kantonrechter ziet derhalve geen reden tot matiging en wijst het gevorderde bedrag toe.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat de informatiekosten worden beperkt, nu de vordering op dit punt niet in overeenstemming is met de landelijk gehanteerde tarieven (vgl. de aanbeveling "Vergoeding kosten uittreksel GBA en KVK" op www.rechtspraak.nl). De kosten aan de zijde van Eiseres worden begroot op:

dagvaarding € 93,60
griffierecht € 207,00
salaris gemachtigde € 450,00 (3 punten x tarief € 150,00)

Totaal € 750,60

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiseres tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.807,00 vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.450,00 vanaf 17 oktober 2010 tot de voldoening;

veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiseres, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 750,60, waarin begrepen € 450,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2013.