Beëindigingsovereenkomst; geen verrekening cursuskosten met salaris

Eiser was in dienst bij Gedaagde. Dit dienstverband is middels een beëindigingsovereenkomst tot een einde gekomen. Eiser vordert nu betaling van de reiskosten en een deel van zijn salaris plus de wettelijke verhoging daarvan. Gedaagde is het niet eens met de reiskostenvergoeding, omdat de eiser hem niet de ingevulde kilometerlijsten wilt geven. Verder is Gedaagde het niet eens met een ziekmelding destijds van Eiser. Ook heeft Gedaagde destijds een cursus geregeld en betaald voor Eiser, waarvan hij de kosten daarvan nu verrekend wilt zien. Tijdens de comparitie is er uitvoerig ingegaan op de gevorderde kilometervergoeding. De rechter ziet echter dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de niet betaalde kilometervergoeding. Partijen zijn namelijk overeengekomen dat er hiervoor een wekelijks bedrag aan eiser voldaan zou worden. BIj de comparitie heeft de directeur vermeld dat hij deze regeling niet langer kon nakomen vanwege financiële omstandigheden. De kantonrechter is van oordeel dat reiskosten kunnen worden toegewezen, aangezien de gedaagde er destijds volledig akkoord mee is gegaan. Ook ziet de rechter dat er in de beëindigingsovereenkomst ondermeer staat opgenomen dat Gedaagde het achterstallig salaris zou voldoen. Het verrekenen van de cursuskosten is nergens overengekomen, en dit wordt dan ook niet toegewezen. De vordering van de eiser wordt toegewezen, maar de wettelijke verhoging wordt licht gematigd ten aanzien de financiele omstandigheden van gedaagde.

Datum: 4 november 2010
Rechtbank: 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: CV EXPL 10-7139 705952

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y Cheung, tegen:

Gedaagde, statutair gevestigd te, en kantoorhoudende te, gedaagde, procederend bij haar directeur X.

Partijen zullen verder worden aangeduid als 'Eiser' en 'Gedaagde'.

De procedure

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Bij rolbeslissing van de kantonrechter is vervolgens een comparitie van partijen gelast, welke is gehouden op 5 oktober 2010.

Voorafgaande aan die comparitie heeft Eiser nog nadere producties in het geding gebracht. Ter gelegenheid van die comparitie hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Het geschil en de beoordeling ervan

Tussen partijen staat als onweersproken in rechte het navolgende vast:

Eiser is vanaf 20 november 2007 bij Gedaagde in dienst. Dit dienstverband is middels een beëindigingsovereenkomst van 28 april 2010 tot een einde gekomen.

Eiser voert aan dat er nog geen deugdelijke eindafrekening heeft plaatsgevonden betreffende gemeld dienstverband.

Eiser vordert betaling van:

reiskosten (periode januari 2009 tot en met januari 2010)  € 2.923,50

restant salaris april 2010 € 663,17

wettelijke verhoging april 2010 € 331,59

salaris mei 2010 € 891,07

wettelijke verhoging mei 2010 € 445,54.

Daarnaast vordert Eiser betaling van rente en incassokosten en vermindert hij zijn vordering met een bedrag van € 400,- terzake inmiddels van Gedaagde ontvangen (deel)betalingen.

Gedaagde is het niet eens met de gevorderde reiskostenvergoeding. Zij voert daartoe aan dat Eiser in gebreke is gebleven met het indienen van ingevulde kilometerlijsten. Daarnaast betwijfelt Gedaagde of Eiser gedurende de periode januari 2009/januari 2010 wel steeds met een eigen auto heeft gereden.

Verder is Gedaagde het niet eens met een ziekmelding destijds van Eiser.

Ook dienen de door Gedaagde betaalde scholingskosten voor een door Eiser gevolgde VCA cursus ad. € 400,- te worden verrekend.

Tenslotte maakt Gedaagde melding van haar slechte financiële omstandigheden.

De kantonrechter overweegt als volgt:

Ter comparitie zijn partijen over en weer uitvoerig ingegaan op de al dan niet verschuldigdheid van de gevorderde kilometervergoeding en het overige door Eiser gevorderde. Er wordt hierbij ten onrechte voorbij gegaan aan de omstandigheid dat tussen partijen destijds, te weten op 23 april 2010, een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de niet betaalde kilometervergoeding. Partijen zijn overeengekomen dat Gedaagde in wekelijkse bedragen van € 200,- in totaal een bedrag van € 3.474,38 aan Eiser zou voldoen. Gedaagde is ook begonnen met de uitvoering van die regeling door in den beginne deelbetalingen te verrichten. Zo heeft zij in totaal € 400,- betaald. Daarna heeft Gedaagde zich niet meer aan deze regeling gehouden, waardoor deze is vervallen. Ter comparitie heeft de directeur van Gedaagde daarover verklaard dat hij namens Gedaagde de regeling niet langer kon nakomen, vanwege financiële omstandigheden. De kantonrechter is van oordeel dat, nu Gedaagde destijds volledig akkoord is gegaan met de navordering aan reiskostenvergoeding, het thans door hem opgeworpen verweer tardief en niet ter zake doende is. Dit betekent dat de gevorderde reiskosten van € 2.523,50 (€ 2.923,50 -/-€ 400,-) voor toewijzing gereed liggen.

Verder gaat Gedaagde ten onrechte voorbij aan de tussen partijen op 28 april 2010 gesloten beëindigingsovereenkomst (prod. 4 bij inleidende dagvaarding). Daarbij is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen op maandag 17 mei 2010 en dat Eiser van maandag 3 tot en met vrijdag 14 mei 2010 zou doorwerken. Verder is in de overeenkomst ondermeer opgenomen dat Gedaagde het achterstallig salaris zou voldoen, inclusief dat van april 2010.

Van een eventueel voorbehoud ten aanzien van het verrekenen met cursuskosten blijkt niet uit die overeenkomst. Ten aanzien van deze vorderingen acht de kantonrechter het gevoerde verweer omtrent het gedurende 8 weken niet werken door Eiser en diens ziekmelding in die periode niet ter zake doende. Dit verweer wordt verworpen.

Gedaagde ontkent niet dat zij het thans gevorderde restant salaris over april 2010 en het salaris over mei 2010 verschuldigd is.

In zijn schrijven van 10 juni 2010 aan Gedaagde sommeert Eiser Gedaagde tot betaling van de thans gevorderde loonbedragen ad in totaal € 1 554 24 binnen 3 dagen na dagtekening van dat schrijven. Bij gebreke daarvan zegt Eiser aan dat een loonvorderingsprocedure zal volgen, waarbij eveneens aanspraak zal worden gemaakt op de rente en wettelijke verhoging.

In dat licht bezien is de kantonrechter van oordeel dat Eiser thans op goede gronden deze rente en wettelijke verhoging vordert en zijn er geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven tot matiging van deze vordering.

Gelet op de door de gemachtigde van Eiser gedane inspanningen om voldoening buiten rechte te verkrijgen, zijn de mede gevorderde buitengerechtelijke incassokosten eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat deze gelet op de hoofdsom van € 4.854,87 conform het door de kantonrechters gehanteerde staffeltarief zullen worden vastgesteld op €714,-- (inclusief b.t.w.). Gedaagde zal tenslotte als de in het ongelijk gestelde party in de kosten van de procedure worden verwezen.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te voldoen de somma van € 5.568,27, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.854,87 vanaf 14 juli 2010 tot de voldoening;

Veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van Eiser tot aan deze uitspraak begroot op € 295,93 aan verschotten en € 500,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met BTW belast);

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.J. Spoor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.