Beroep op opschorting factuur slaagt niet

samenvatting:

Eiser heeft aan Gedaagde advertentieruimte in een magazine verkocht. De factuur hiervoor heeft Gedaagde onbetaald gelaten. Als reden voor het onbetaald laten zegt Gedaagde dat Eiser had moeten aantonen hoeveel exemplaren van het magazine zijn gedrukt en op welke locaties de bladen zijn verspreid en uitgereikt. De Eiser geeft aan dat de afspraak was dat de advertentie geplaatst zou worden, en dat is gebeurd. Ook laat de eiser met bewijsstukken aan de rechter zien dat de magazine is verspreid. Eiser geeft tot slot aan dat Gedaagde nooit verzocht heeft om informatie over de verspreiding en ook niet tijdig heeft geklaagd hierover, waardoor zij nu niet de factuur onbetaald kan laten. De gedaagde is niet op de zitting verschenen. De rechter oordeelt dat de Eiser met de publicatie aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat Gedaagde geen enkele reden heeft om niet te betalen. De rechter wijst de hele vordering en alle kosten toe.

Datum: 11 oktober 2019
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 7826059 CV EXPL 19-25297

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EISER BV,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEDAAGDE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

Gedaagde,

Partijen worden hierna aangeduid als 'Eiser' en 'Gedaagde'.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1. de dagvaarding van 3 juni 2019, met producties;
2. de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van Gedaagde en de conclusie van antwoord;
3. het tussenvonnis van 29 juli 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
4. de stukken ten behoeve van de comparitie van partijen aan de zijde van Eiser, ingekomen op 18 september 2019;
5. het proces-verbaal van de op 24 september 2019 gehouden comparitie van partijen.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2 Eiser heeft op 19 juni 2017 een factuur aan Gedaagde verstuurd voor een bedrag van € 844,58 inclusief btw.

2.3 Gedaagde heeft deze factuur onbetaald gelaten.

3. De vordering en het verweer

3.1 Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen om aan Eiser tegen

deugdelijk bewijs van kwijting te betalen:

a. een bedrag van € 844,58 aan hoofdsom;
b. de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom, vanaf de vervaldatum tot aan 23 mei 2019 een bedrag van 45,91;
c. de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, over de hoofdsom vanaf 23 mei 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;
d. de buitengerechtelijke incassokosten van C 126,69 exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten vanaf 14 dagen na het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
e. de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten vanaf 14 dagen na het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
f. de nakosten ten bedrage van 50% van het geldende salaris gemachtigde, indien en voor zover Gedaagde niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen na betekening van het vonnis heeft voldaan;
g. de kosten van de dagvaarding.

3.2 Eiser vordert nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de met Gedaagde gesloten overeenkomst.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op wat zij heeft aangevoerd zal hierna, voor zover hier van belang, worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat Eiser aan Gedaagde advertentieruimte heeft verkocht en geleverd. Gedaagde heeft aangevoerd dat Eiser zich niet heeft gehouden aan de plaatsings- en verspreidingsafspraken. Eiser heeft niet aangetoond hoeveel exemplaren er zijn gedrukt en op welke locaties deze zijn verspreid en uitgereikt. Gedaagde heeft geen betaling gedaan omdat Eiser is tekortgekomen in haar toezeggingen en uitvoering van de opdracht, aldus Gedaagde.

4.2 De kantonrechter begrijpt het verweer van Gedaagde als een beroep op opschorting van de nakoming van de op haar rustende betalingsverplichting zolang Eiser niet aantoont dat zij zich heeft gehouden aan de gemaakte plaatsings- en verspreidingsafspraken.

4.3 Volgens artikel 6:262 BW bestaat de bevoegdheid om de nakoming van een verbintenis op te schorten wanneer de wederpartij de daartegenover staande verbintenis niet nakomt. Daarbij geldt dat de opschorting geen grotere omvang mag aannemen dan de tekortkoming waartegen zij is gericht. Dit betekent dat de opschorting in verhouding moet staan tot de tekortkoming.

4.4 Eiser heeft ter comparitie van partijen betwist dat zij is tekortgekomen. Afgesproken was dat de advertentie geplaatst zou worden in de Nesselande Living en dat is gebeurd. Eiser heeft ter onderbouwing stukken in het geding gebracht waaruit blijkt waar de Nesselande Living is verspreid. Eiser heeft verder gesteld dat Gedaagde niet tijdig heeft geklaagd, waardoor zij geen beroep meer kan doen op een eventueel gebrek in de prestatie. Gedaagde heeft ook nooit verzocht om informatie over de verspreiding, aldus Eiser.

4.5 Nu Gedaagde zich op haar bevoegdheid tot opschorting beroept, ligt het op haar weg om te stellen en zo nodig te bewijzen dat Eiser haar verplichtingen niet deugdelijk is nagekomen. Gedaagde heeft, nu zij niet ter zitting is verschenen, niet weersproken dat partijen hebben afgesproken dat de advertentie zou worden geplaatst in de Nesselande Living en dat dit ook is gebeurd. Uit de door Eiser overgelegde producties blijkt over welk gebied de Nesselande Living is verspreid. Gedaagde heeft niet weersproken dat dit conform de gemaakte afspraken was. Gedaagde heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting door Eiser, onvoldoende onderbouwd dat Eiser zou zijn tekortgekomen in de nakoming van haar verplichtingen. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Het beroep op opschorting slaagt niet.

4.6 Nu van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst geen sprake is, ontbreekt eveneens een grond voor een eventueel beroep op ontbinding van de overeenkomst, voor zover Gedaagde dit heeft bedoeld te doen.

4.7 Nu Gedaagde de vordering tot betaling van de hoofdsom verder niet heeft betwist zal deze worden toegewezen.

4.8 De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, mi daartegen geen nader verweer is gevoerd.

4.9 Eiser maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat voldaan is aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat eiseres deze kosten reeds aan haar incassogemachtigde betaald heeft.

4.10 Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde aan Eiser te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 1.017,18, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van € 844,58 vanaf 23 mei 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op:

€ 486,00 aan griffierecht;
€ 86,40 aan dagvaardingskosten;
€ 240,00 aan salaris voor de gemachtigde;

voornoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

en indien Gedaagde niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 60,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.