Beroep op opschorting van de VvE bijdrage slaagt niet

De gedaagde is eigenaar van een pand en moet daarvoor verplicht een maandelijkse bijdrage leveren aan de Vereniging van Eigenaars. De gedaagde heeft dit bedrag echter niet betaald. Als reden geeft de gedaagde hiervoor dat de bedragen van de maandelijkse bijdragen niet kloppen.  Ook heeft de gedaagde twijfels over wat er met het geld van de VvE is gebeurd en wilt daarom de jaarstukken inzien. Voordat hij antwoord krijgt op zijn vragen wilt hij niet betalen. De rechter vindt dat de gedaagde onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen oordelen dat de bedragen niet kloppen. De gevorderde hoofdsom wordt toegewezen, inslcusief de rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Datum: 13 november 2014
Rechtbank: Oost-Brabant
Zaaknummer: 3304426

vonnis

in.de zaak van:

de Vereniging van Eigenaars Vereniging van Eigenaren Eiser te,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te, eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna worden genoemd "de VvE" en "Gedaagde".

1.  Het verloop van het geding

1.1.  Dit blijkt uit het volgende:

a.   de dagvaarding van 17 juli 2014 met producties;

b.   de conclusie van antwoord met producties;

c.   de comparitie na antwoord d.d. 14 oktober 2014 ten behoeve waarvan de VvE producties in het geding heeft gebracht die zowel aan de rechtbank als aan Gedaagde zijn toegezonden.

1.2.  Ter comparitie is de heer M. namens de (beheerder van de) VvE verschenen.

1.3.  Tot slot is vonnis bepaald.

2.   Het geschil

2.1.            De VvE vordert betaling van € 1.570,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.294,44 vanaf 15 juli 2014 tot de dag der voldoening en met veroordeling van Gedaagde in de kosten van het geding.

2.2. De VvE legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Gedaagde is eigenaar van een pand. Op grond van het bepaalde in artikel 5:125 lid 2 BW is Gedaagde van rechtswege lid van de VvE. Door de leden wordt in vergadering van eigenaars een bijdrage vastgesteld die de leden verplicht zijn te

voldoen. Gedaagde heeft de maandelijkse bijdrage van april 2011 tot en met december 2013 alsmede het restant van april 2014 in totaal ten bedrage van € 1.294,44 onbetaald gelaten. Nu Gedaagde ondanks herhaalde aanmaning en sommaties in gebreke is gebleven om het verschuldigde bedrag aan de VvE te voldoen, zag VvE zich genoodzaakt haar vordering uit handen te geven aan haar gemachtigde. De VvE vordert derhalve een bedrag van € 241,26 aan buitengerechtelijke incassokosten. De verschuldigde wettelijke rente tot en met 15 juli 2014 bedraagt € 34,81.

2.3. Gedaagde heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

De vordering is volgens Gedaagde onjuist omdat de bedragen van de maandelijkse bijdragen niet kloppen. Het is de VvE bekend waarom Gedaagde de betaling heeft opgeschort. Hij heeft dat in 2011 al aangegeven. Gedaagde heeft namelijk twijfels over wat er met het geld van de VvE is gebeurd, over het administratieve bestuur en hij weet niet waar de vorige bestuurder is gebleven. Gedaagde en andere leden zijn niet geïnformeerd over de nieuwe bestuurder. Ook wil hij de jaarstukken zien, maar die krijgt hij niet (ofschoon hij die stukken onlangs heeft ontvangen). Tot slot wil hij weten of er door de komst van een nieuwe bestuurder ook een nieuwe overeenkomst van opdracht is ontstaan en of deze nieuwe bestuurder wel bevoegd is rechtshandelingen namens de VvE te verrichten. Als lid van de VvE hebben hij en andere leden recht op gecontroleerde jaarstukken en/of de kas klopt en goed door de administrateur wordt bijgehouden. Gedaagde wil zijn vragen graag beantwoord zien.

3. De beoordeling

3.1.   Tussen partijen is niet in geschil dat Gedaagde gehouden is de door de VvE vastgestelde bijdrage te voldoen. Dat vloeit voort uit de wet. Gedaagde heeft gelet op de onderbouwing door VvE onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat de hoogte van het gevorderde bedrag niet juist is. Gedaagde beroept zich op zijn opschortingsrecht. Hij heeft daartoe aangegeven dat er bij hem twijfel is gerezen over wat er met het geld van de VvE is gebeurd. Twijfel is op zich genomen onvoldoende grond voor opschorting van de bij wet geregelde betalingsverplichting. Aan Gedaagde staan als lid van de VvE diverse instrumenten ter beschikking om opheldering te krijgen over datgene waarover hij twijfelt. Daargelaten dat Gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat er goede gronden zijn om te twijfelen kan het niet zo zijn dat hij die instrumenten niet gebruikt en meteen ertoe over gaat om zijn betalingsverplichtingen op te schorten. De gevorderde hoofdsom van € 1.294,44 zal dan ook worden toegewezen, inclusief de rente ad € 34,81 nu hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

3.2.            Gedaagde maakt bezwaar tegen de buitengerechtelijke incassokosten.

VvE vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het Besluit is echter slechts van toepassing indien het verzuim op of na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat die situatie in dit geval niet aan de orde is. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn zal daarom worden getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voor-werk II. De vordering wegens buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar, nu voldoende is gebleken dat werkzaamheden zijn verricht waarvoor de proceskostenregeling geen vergoeding inhoudt. De gevorderde incassokosten worden toegewezen zoals gevorderd.

3.3.   De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3.4.  Gedaagde wordt als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan de VvE te betalen de som van € 1.570,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.294,44 vanaf 15 juli 2014 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van de VvE tot heden begroot op:

€ 77,52 aan explootkosten,

€ 462,00 aan griffierecht en

€ 300,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

veroordeelt Gedaagde in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 75,= als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.