Beroep op verrekening gepasseerd

De gedaagde heeft voor 2 dagen een 21-meter verreiker met machinist ingehuurd op de detacheringsbasis van de eiser voor werkzaamheden op het dak van de eiser. De eiser heeft daarvoor een factuur verzonden aan de gedaagde, welke nog niet betaald is. De gedaagde beroept zich erop dat zij een tegenvordering heeft. De gedaagde vordert in reconventie schadevergoeding van de eiser, omdat de machinist door een stuurfout schade aan een hekwerk heeft gemaakt. Gedaagde heeft dit moeten laten herstellen. De eiser heeft de vordering van Gedaagde gemotiveerd betwist. Zij zegt dat niet de machinist maar een medewerker van de gedaagde een fout heeft gemaakt door het geven van foutieve instructies aan de machinist tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. De gedaagde zou de door haar gestelde toerekenbare tekortkoming dienen te bewijzen, maar doet dit niet. Dit betekent dat de vordering van de gedaagde zal worden afgewezen.

Datum: 16 november 2011
Rechtbank: Breda, Sector Kanton, Locatie Breda
Zaaknummer: 646219 CV EXPL 11-1372

Vonnis

inzake

EISER, th.o.d.n. eiser, wonend en zaakdoende te, eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam ten kantore van IntoCash te Rotterdam,

tegen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid, t.h.o.d.n., statutair gevestigd te en kantoorhoudende, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procederende bij haar directeur.

Partijen worden hierna aangeduid als Eiser en Gedaagde.

Het verdere verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

het tussenvonnis van 11 mei 2011 en de daarin vermelde stukken;

de aantekeningen van de comparitie van partijen van 19 juni 2011;

het proces-verbaal van inlichtingen van de comparitie van 19 juni 2011;

de akte uitlating voortzetting procedure van Eiser.

De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

Het geschil

In conventie:

Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om Gedaagde te veroordelen tot betaling van € 2.007,83 aan hoofdsom, € 75,25 aan wettelijke rente en € 300,00, in totaal € 2.383,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 4 februari 2011 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten.

Gedaagde voert verweer.

In reconventie:

Gedaagde vordert Eiser te veroordelen tot betaling van € 2.229,18, veroordeling van Eiser in de proceskosten.

Eiser voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering in reconventie, met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten.

De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie:

Tijdens de comparitie van partijen gehouden op 9 juni 2011 zijn partijen een voorwaardelijke minnelijke regeling overeengekomen, inhoudende dat Gedaagde een bedrag van € 1.000,00 zou betalen aan Eiser en dat partijen zich zouden inspannen de schadeclaim met betrekking tot het hekwerk voor te leggen aan de verzekeringsmaatschappij van Eiser waarbij Gedaagde zich zou inspannen om de foto's en de overige bescheiden te overleggen. De onderhavige procedure zou worden aangehouden in afwachting van de reactie van de verzekeringsmaatschappij. Onder de voorwaarde van het volledige honoreren van de schadeclaim zouden partijen de onderhavige procedure doorhalen en het schadebedrag met de factuur van Eiser verrekenen, met dien verstande dat met het bedrag van de uitkering het restantbedrag van de factuur van Eiser zou worden voldaan. Partijen zijn ook een verdeling van de proceskosten ieder bij helften overeengekomen. In afwachting van de beslissing van de verzekeringsmaatschappij hebben partijen vervolgens om aanhouding van de onderhavige procedure gevraagd.

Bij akte uitlating voortprocederen heeft Eiser aangegeven dat Gedaagde geen betaling heeft verricht en dat Gedaagde zich evenmin heeft ingespannen om de schadeclaim voor te leggen aan de verzekeringsmaatschappij van Eiser. Eiser heeft vervolgens zelf de schadeclaim ingediend bij zijn verzekeringsmaatschappij, waarop deze is geweigerd. Vanwege deze weigering en het uitblijven van enige reactie van de zijde van Gedaagde, wenst Eiser de onderhavige procedure voort te zetten. Gedaagde heeft hierop geen gebruik gemaakt van de aan haar vervolgens geboden mogelijkheid om op deze akte reageren. De kantonrechter zal derhalve het verzoek van Eiser honoreren en de procedure voortzetten in de stand waarin het zich bevindt, waarbij geen acht meer zal worden geslagen op de in het proces-verbaal van 9 juni 2011 omschreven niet in vervulling gegane minnelijke regeling.

Tussen partijen staat het volgende vast. Gedaagde heeft voor 12 en 14 juli 2010 een 21-meter verreiker met machinist ingehuurd op detacheringsbasis van Eiser voor werkzaamheden met betrekking tot het dak van te. Eiser heeft daarvoor een factuur voor een bedrag van € 2.007,83 verzonden aan Gedaagde. Gedaagde heeft deze factuur niet voldaan.

In conventie:

De factuur van Eiser is op zichzelf niet in geschil, maar Gedaagde beroept zich erop dat zij een tegenvordering heeft bestaande uit de herstelkosten van € 2.229,18 ten aanzien van schade die zou zijn ontstaan door een stuurfout van de machinist van de verreiker tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Ten aanzien van de gevorderde hoofdsom voert Gedaagde dus een verrekeningsverweer. De tegenvordering van Gedaagde betreft een vordering tot schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming.

Eiser betwist dat hij gehouden is tot vergoeding van de herstelkosten. Hij stelt dat de machinist geen fout heeft gemaakt in de uitvoering van zijn werk en dat niet aan Eiser is toe te rekenen dat schade is ontstaan bij de uitvoering van het werk en voorts dat Eiser niet in de gelegenheid is gesteld om het werk zelf te herstellen. Tot slot betwist Eiser de hoogte van de tegenvordering.

Beoordeeld dient te worden of Eiser gehouden is tot vergoeden van schade. Hierbij wordt het volgende overwogen. Voor een verplichting tot schadevergoeding is vereist dat schade is ontstaan door een tekortkoming welke aan Eiser kan worden toegerekend en dat Eiser in verzuim is.

Gedaagde stelt dat de schade is ontstaan door een stuurfout van de machinist. Aangezien deze machinist door Eiser aan Gedaagde is gedetacheerd is Eiser aansprakelijk voor de schade die hierdoor is ontstaan. De machinist was tijdens het rijden met de verreiker met zijn mobiele telefoon aan het bellen waardoor hij een stuurfout heeft gemaakt waardoor schade aan het hekwerk is ontstaan. Eiser betwist gemotiveerd deze gang van zaken. De machinist was niet aan het bellen en de schade is juist ontstaan door instructies van Gedaagde aan de machinist tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming welke aan Eiser valt toe te rekenen is niet vast komen te staan. Daartoe zou bewijslevering door Gedaagde - nu zij zich erop beroept dat Eiser schadeplichtig is en de bewijslast van haar stellingen daartoe draagt - nodig zijn. De gegrondheid van het verrekeningsverweer is daardoor niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Op de voet van artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek wordt het beroep van Gedaagde op verrekening in conventie gepasseerd.

Op grond van het vorenstaande zal de gevorderde hoofdsom van € 2.007,83 worden toegewezen. De vordering ter zake wettelijke rente zal, als onbetwist en op de wet gegrond, eveneens worden toegewezen.

De buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen nu niet in geschil is dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en de hoogte van de gevorderde vergoeding, gelet op de hoogte van de oorspronkelijke hoofdsom ter inning waarvan de buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, in overeenstemming is met de in de rechtspraak geldende tarieven.

In reconventie:

Gedaagde vordert schadevergoeding van Eiser van € 2.229,18. Zij stelt daartoe dat de door Eiser aan Gedaagde gedetacheerde machinist een stuurfout heeft gemaakt waarvoor Eiser aansprakelijk is. Door deze stuurfout is schade aan een hekwerk ontstaan welke Gedaagde heeft moeten laten herstellen. Eiser heeft de vordering van Gedaagde gemotiveerd betwist. Zij voert aan dat niet de machinist maar een medewerker van Gedaagde een fout heeft gemaakt bestaande uit het geven van foutieve instructies aan de machinist tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Eiser heeft ook een verklaring van de machinist in het geding gebracht die deze gang van zaken bevestigt. De schade is derhalve niet aan Eiser toe te rekenen en voorts is Eiser niet in de gelegenheid gesteld om het werk zelf te herstellen. Tot slot betwist Eiser de hoogte van de tegenvordering. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Eiser zal Gedaagde de door haar gestelde toerekenbare tekortkoming dienen te bewijzen. Zij heeft echter hiertoe geen specifiek bewijsaanbod gedaan. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter voor bewijslevering geen plaats. Dit betekent dat de vordering van Gedaagde zal worden afgewezen.

In conventie en in reconventie:

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van eiseres in conventie begroot op € 142,00 aan griffierecht, € 76,31 aan explootkosten en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde van Eiser, in totaal € 518,31 en in reconventie begroot op € 75,00 aan salaris voor de gemachtigde van Eiser.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen € 2.383,08 vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.007,83 vanaf 4 februari 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde Eiser tot op heden begroot op € 518,31, daarin begrepen een bedrag van € 300,00 als salaris voor de gemachtigde van Eiser;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde Eiser tot op heden begroot op € 75,00 als salaris voor de gemachtigde van Eiser;

in conventie en in reconventie:

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst de vorderingen voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. de Kroon, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.