Beroep van gedaagde om de facturen van eiser te verrekenen met omzetderving gaat niet op

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde diverse brochures met acceptgirokaarten in folie verpakt en verzendklaar gemaakt. In dat kader heeft Eiser zes facturen verstuurd naar Gedaagde. De gedaagde heeft een bedrag onbetaald gelaten. Enkele brochure's (van 1 factuur) waren kromgetrokken. Hierdoor heeft Eiser dat deel op een andere wijze verpakt, waardoor de adresdragers op de voorkant terecht zijn gekomen in plaats van op de achterzijde van de brochure. Hierover is SMS contact geweest waarbij de gedaagde aankaartte dat er een paar problemen waren, maar dat hij ook wel heel tevreden was met de uitkomst van de brochure's.

De kantonrechter moet nu de vraag beantwoorden of Gedaagde de facturen moet betalen. Eiser vindt van wel en geeft daarbij als toelichting dat hij het werk goed en naar behoren heeft uitgevoerd. De brochures die waren krom getrokken betrof maar een klein deel van het totaal. Ook is er nooit specifiek afgesproken dat de adresgegeven op de achterzijde van de brochure moest komen. De gedaagde is juist van mening dat hij alle facturen niet hoeft te betalen omdat de adresgegevens niet goed stonden. Hierdoor zou gedaagde veel schade hebben geleden in de vorm van omzetderving. De schade is volgens gedaagde groter dan de facturen van eiser.

De kantonrechter leest het verweer van Gedaagde aldus dat hij een beroep doet op verrekening. Een beroep op verrekening kan gelet op het bepaalde in artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen indien de gegrondheid van dit beroep op eenvoudige wijze is vast te stellen. De tegenvordering waar Gedaagde zich ter verrekening op beroept, valt niet eenvoudig vast te stellen, nu Eiser de vordering gemotiveerd heeft betwist. Het beroep zal dan ook worden gepasseerd. Verder heeft de Gedaagde geen juridische gevolgen aan zijn verweer verbonden. De kantonrechter oordeelt dan ook dat het verweer van Gedaagde faalt, en wijst de vordering van Eiser toe.

Datum: 19 juni 2018
Rechtbank: Rechtbank Leeuwarden
Zaaknummer: 6676825 / CV EXPL 18-1173

vonnis

inzake

Eiser, h.o.d.n. Eiser,

wonende te 's, eiser,

gemachtigde: E.C.Y. Cheung te Rotterdam, tegen

Gedaagde,

wonende, gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna Eiser en Gedaagde worden genoemd.

1.          Procesverloop

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-           de inleidende dagvaarding van 16 februari 2018 van de zijde van Eiser;

-           de conclusie van antwoord van de zijde van Gedaagde;

-           de conclusie van repliek van de zijde van Eiser;

-           de conclusie van dupliek van de zijde van Gedaagde;

-           de akte van uitlating producties van de zijde van Eiser.

1.2.       Ten slotte is vonnis bepaald.

2.           De feiten

2.1. Eiser heeft in opdracht van Gedaagde diverse brochures met acceptgirokaarten in folie verpakt en verzendklaar gemaakt. In dat kader heeft Eiser de navolgende zes facturen verstuurd naar Gedaagde met een totaalbedrag van € 2.696,55:

-           factuur 173444 van 23 mei 2017 ad€ 813,12;

-           factuur 173450 van 1 juni 2017 ad € 498,07;

-            factuur 173452 van 1 juni 2017 ad € 840,85;

-            factuur 173461 van 12 juni 2017 ad€ 196,63;

-            factuur 173444 van 3 juli 2017 ad € 169,40;

-            factuur 173486 van 3 juli 2017 ad € 178,48.

2.2.       Factuur 173444 ad € 813,12 betreft 18.200 brochures, waarvan een beperkt deel was kromgetrokken. Hierdoor heeft Eiser dat deel op een andere wijze verpakt, waardoor de adresdragers op de voorkant terecht zijn gekomen in plaats van op de achterzijde van de brochure. Eiser heeft hierover per sms-bericht op of omstreeks 31 mei 2017 onder andere het volgende geschreven aan Gedaagde:

'Morgen, zoals deze magazines zijn de eerste twee lagen onmogelijk te gebruiken met face down. Ik had wel moeten overleggen, door spoed heb ik zelf besloten om ze anders in te leggen. Verder zag de opdracht er perfect uit.'

2.3.        Gedaagde heeft daar op dezelfde dag per sms-bericht als volgt op gereageerd:

'Dank voor je uitleg. Ik weet dat het soms lastig is om producten volgens de opdracht te verwerken. Maar zonder overleg anders verpakken is niet goed. Als er iets niet gaat omdat het product moet goed is, koppel ik dit altijd terug naar de klant. Nu heb ik dit niet kunnen doen en is mijn klant erachter gekomen dat het fout is geseald. Ze zijn daar behoorlijk pissig over. Even afwachten wat de gevolgen zijn. Ik houdje op de hoogte.'

2.4.        Op 31 mei 2017 heeft Gedaagde met betrekking tot de brochures waarvan een deel op een andere wijze is verpakt, per e-mailberichten onder andere het volgende geschreven aan zijn opdrachtgever Jaap Kuik Drukwerkbegeleiding en -advies (hierna te noemen Kuik)

'Ik heb de persoon gesproken en hij gaf aan dat hij het overgrote deel conform afspraak op de achterzijde geseald heeft. Bij een serie bladen was de bolling door het bundelen dusdanig krom (...) dat deze niet op de goede manier over de meeneem baan van de machine liep. Hij heeft toen op eigen initiatief een gedeelte van de bladen om moeten draaien, helaas zonder overleg. (...) Aantal is niet helemaal in te schatten. Het gaat om een paar duizenden exemplaren (...).'

en:

'Ik heb aangegeven dat dit nog een staartje gaat krijgen, maar heb geen idee hoe hoog die tegemoetkoming zou moeten zijn. Als je een suggestie hebt, kan ik daar rekening mee houden met betalingen naar hem toe (...). '

2.5.        Kuik heeft bij e-mailbericht van 1 juni 2017 onder meer het volgende geschreven aan Gedaagde:

'In overleg (...) wordt een compensatie (...) verwacht van € 400,00.'

2.6.        Bij e-mailbericht van 3 juli 2017 heeft Eiser onder andere het volgende geschreven aan Gedaagde:

'Bij deze de twee facturen en zou je willen kijken; je hebt nog openstaande facturen van mei.'

2.7.        Gedaagde heeft bij e-mailbericht van 6 juli 2017 onder andere als volgt gereageerd op bovenstaand bericht:

'Sorry dat ik nu pas reageer. Ik ben met de administratie bezig en zal snel de eerste facturen aan je voldoen.'

2.8.        Bij e-mailbericht van 7 september 2017 heeft Gedaagde naar aanleiding van een bericht van een door Eiser ingeschakelde incassogemachtigde met betrekking tot openstaande facturen onder andere het volgende aan Eiser geschreven:

'Ik begrijp best datje op betalingen zit te wachten, ik zit ook op betalingen te wachten. Dat je het uit handen geeft begrijp ik totaal niet!! Bijgaand een factuur waarvoor ik een creditnota moet maken, omdat jij zonder overleg de adresdragers op de voorzijde van het magazine hebt geseald. (...) Ik zie het aangepaste bedrag, jouw creditnota graag tegemoet.'

2.9.        Op de door Gedaagde meegestuurde creditnota ad € 484,00 inclusief btw bij zijn e-mailbericht van 7 september 2017 staat als factuurdatum 22 juni 2017.

2.10.      Eiser heeft op bovenstaand bericht op 7 september 2017 als volgt gereageerd:

'Ik heb je gebeld, je neemt niet op geen reactie dus incasso. Ik moet ook eten. Ik geef ook geen creditnota, daar ben je te laat mee. Ik heb de opdracht gedaan zoals voor mij klanten zijn. Ik weet niet hoe je afspreekt, maar achteraf is altijd makkelijk nakaarten.'

2.11.      Gedaagde heeft op dezelfde dag op bovenstaand bericht onder meer als volgt gereageerd.

'Je weet drommels goed dat je opdracht onjuist hebt verwerkt en daar hebben we over gesproken. Ook heb ik je gemeld dat dit een staartje zou krijgen. Dat ik jouw bericht niet heb ontvangen of je telefoontje heb gemist doet niet ter zake. Dus het missen van een telefoontje is gelijk een incasso, erg vreemd. (...) De factuur staat (...) en daar ben ik niet te laat mee en het is zeker niet achteraf omdat je wist dat deze productie onjuist was verwerkt. (...) Ik heb door een fout van jou een creditnota moeten maken en dus ga jij die betalen.'

212. Gedaagde heeft op de opeenstaande facturen een bedrag van € 329,12 voldaan. Ondanks aanmaningen daartoe heeft hij het resterende bedrag van € 2.367,43 onbetaald gelaten.

3. De vorderingen

3.1. De vorderingen van Eiser strekken ertoe, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde veroordeelt tot betaling:

I. van een bedrag van € 2.367,43 aan Eiser, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. van een bedrag van € 29,44 aan Eiser ter zake van wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan 30 januari 2018;

III. van een bedrag van € 394,66, exclusief btw, ter zake van buitengerechtelijke

incassokosten aan Eiser, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf

14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans een in goede justitie redelijk geachte termijn, tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans een in goede justitie redelijk geachte termijn, tot aan de dag der algehele voldoening;

V. van de nakosten.

3.2.        Gedaagde voert verweer, waarbij hij heeft geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van Eiser - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van de procedure.

3.3.        Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling daarvan

Openstaande factuur

4.1.        De kantonrechter ziet zich, gelet op het door partijen gestelde en aangevoerde, voor de vraag gesteld of Gedaagde gehouden is het door Eiser gevorderde bedrag van € 2.367,43 te voldoen, zijnde het totaal bedrag van de openstaande facturen.

4.2.        Eiser meent van wel en hij stelt daartoe - kort gezegd - dat hij de opdracht in mei 2017 (factuur 173444) goed en naar behoren heeft uitgevoerd. Eiser betwist dat Gedaagde specifieke wensen heeft geuit met betrekking tot de opdracht, meer in het bijzonder dat hij de opdracht zou hebben gekregen de adressen op de achterzijde van de brochures te leggen. Het aantal brochures betrof 18.200, waarvan een beperkt deel (plusminus 10%) was kromgetrokken, waardoor deze brochures nog maar op één wijze verwerkt konden worden met als gevolg dat de adresdragers op de voorkant terecht zijn gekomen. Eiser geeft aan dat hij nog geprobeerd heeft hierover contact te krijgen met Gedaagde, hetgeen niet is gelukt. Om de deadline te halen heeft Eiser besloten naar eigen inzicht te handelen. Daargelaten dat Eiser meent dat Gedaagde te laat is met zijn creditnota en de verschuldigdheid ervan derhalve betwist, geeft Eiser aan dat het bedrag van 6 484,00 in geen verhouding staat tot de factuur van Eiser ad € 813,12 voor deze werkzaamheden. Voorts betwist Eiser de gehoudenheid tot schadevergoeding in verband met de door Gedaagde gestelde maar niet onderbouwde omzetderving.

4.3.        Gedaagde heeft de vordering betwist, daartoe aanvoerend dat Eiser de opdracht tot, het verpakken van poststukken in folie in mei 2017 niet naar behoren heeft uitgevoerd, nu hij de zogenoemde adresdragers niet op de achterzijde van de poststukken heeft geseald. Dat zulks was overeengekomen blijkt ook wel uit het sms-bericht van Eiser van 31 mei 2017 (rechtsoverweging 2.2). Als gevolg van deze fout heeft Gedaagde zijn opdrachtgever een creditnota moeten sturen ter grootte van € 484,00 inclusief btw. Dit bedrag dient in mindering te strekken op de openstaande facturen. Gedaagde stelt naast deze schadepost voorts nog schade te hebben geleden in de vorm van omzetderving als gevolg van het feit dat bovengenoemde opdrachtgever nadien geen opdrachten meer heeft gegeven aan Gedaagde.

Deze schade is groter dan de onderhavige vordering van Eiser op Gedaagde en dient eveens in mindering te strekken op de vordering van Eiser.

4.4.        De kantonrechter oordeelt als volgt.

De kantonrechter leest het verweer van Gedaagde aldus dat hij een beroep doet op verrekening. Een beroep op verrekening kan gelet op het bepaalde in artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW) alleen worden gehonoreerd indien de gegrondheid van dit beroep op eenvoudige wijze is vast te stellen. De tegenvordering waar Gedaagde zich ter verrekening op beroept, valt niet eenvoudig vast te stellen, nu Eiser de vordering gemotiveerd heeft betwist. Het beroep zal dan ook worden gepasseerd.

4.5.        De kantonrechter stelt vast dat Gedaagde zich niet op (partiële) ontbinding van de overeenkomst heeft beroepen noch een zelfstandige (tegen)vordering (in reconventie) heeft ingesteld, zodat een inhoudelijke beoordeling over de vraag of Eiser al dan niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de verbintenis en, zo ja, of Gedaagde zijn recht dienaangaande heeft verwerkt op grond van artikel 6:89 BW, achterwege kan blijven. Anders gezegd: Gedaagde heeft geen juridische gevolgen aan zijn verweer verbonden.

4.6.        Bovenstaande brengt met zich dat het verweer van Gedaagde faalt en dat de vordering tot betaling van een bedrag van € 2.367,43 zal worden toegewezen. De gevorderde (vervallen) wettelijke rente hierover zal eveneens worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.7.        Eiser heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

Proceskosten

4.8.        Gedaagde zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten/De proceskosten worden aan de zijde van Eiser vastgesteld als volgt:

- salaris advocaat

- explootkosten

€ 350,00 (2 x tarief € 175,00)

€ 81,00 € 226,00 + € 657,00.

- griffierecht Totaal

Nakosten en wettelijke rente

4.9. De nakosten, waarvan Eiser betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden vastgesteld. De door Eiser gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal worden toegewezen zoals hieronder nader is aangegeven.

5            De beslissing

De kantonrechter

5.1.        veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van een bedrag van € 2.367,43, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.        veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van een bedrag van € 29,44 ter zake van wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de verschillende onderhavige facturen tot aan 30 januari 2018;

5.3.        veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van een bedrag van € 394,66, exclusief btw, ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.        veroordeelt Gedaagde in de proceskosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Eiser vastgesteld op een bedrag van € 657,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5.        veroordeelt Gedaagde tot betaling van de nakosten ten bedrage van € 100,00 indien betekening van het vonnis plaatsvindt;

5.6.        verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.