Betaling hoofdsom na overdracht incasso: incassokosten terecht

Eiseres heeft aan gedaagde verschillende producten gekocht en geleverd. Hiervoor heeft zij facturen gestuurd met een totaalbedrag van €468,54. Toen gedaagde deze facturen onbetaald liet, heeft Eiseres de vordering uit handen gegeven. Gemachtigde heeft daarop vier aanmaningen verstuurd. De eerste brief was op 11 juli 2006 en op 13 juli 2006 heeft gedaagde toen €468,54 betaald. Nu stelt gedaagde dat ze al betaald had voordat de vordering ter incasso werd overgedragen. Eiseres legt bij repliek het bankafschrift neer waarop staat dat de betaling 2 dagen na de aanmaning ontvangen is. De rechter vindt dit genoeg om te oordelen dat gedaagde pas heeft betaald nadat de vordering ter incasso uit handen was gegeven.

Datum: 12 december 2006
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton, locatie Schiedam
Zaaknummer: 753078 \ CV EXPL 06-30073

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, woonplaats: Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 11 september 2006, gemachtigde: IntoCash te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde, woonplaats:, gedaagde,

voor wie W. Arends heeft gereageerd.

Het verloop van het proces

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de dagvaarding;

de conclusie van antwoord;

de conclusie van repliek.

De kantonrechter heeft gedaagde in de gelegenheid gesteld te reageren op de conclusie van repliek. Gedaagde heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De vordering en de standpunten van partijen

Eiseres heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen € 85,99, zijnde € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 10,99 aan vervallen rente met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat zij diverse producten aan gedaagde heeft verkocht en geleverd. Hiervoor heeft zij facturen aan gedaagde verstuurd voor een totaalbedrag van € 468,54. Gedaagde heeft deze facturen in eerste instantie niet betaald. Eiseres heeft meerdere betalingsherinneringen verstuurd. Daarna heeft zij de vordering uit handen gegeven aan haar gemachtigde. De gemachtigde heeft daarop vier aanmaningen verstuurd naar gedaagde, waarvan de eerste op 11 juli 2006. Op 13 juli 2006 heeft gedaagde toen € 468,54 betaald.

Gedaagde heeft de vordering betwist en stelt dat de betaling al was verricht voordat de vordering ter incasso werd overgedragen. Gedaagde is daarom de incassokosten en rente niet verschuldigd aan eiseres.

Eiseres legt bij repliek een bankafschrift over waarop staat dat de betaling van gedaagde op 13 juli 2006 is ontvangen, derhalve nadat de vordering uit handen was gegeven.

De beoordeling van de vordering

De kantonrechter is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de betaling van gedaagde heeft ontvangen nadat zij de vordering uit handen had gegeven aan haar gemachtigde. Op het bankafschrift staat vermeld dat de betaling op 13 juli 2006 ontvangen is. Op het bankafschrift staat bij de betaling vermeld waarvoor deze betaling bestemd is, namelijk de openstaande facturen. De betaling dient dan afgeboekt te worden op deze facturen en niet op de rente en de kosten. Nu gedaagde betaald heeft nadat de vordering uit handen is gegeven is gedaagde de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten wordt dan ook toegewezen. De kosten hiervoor zijn berekend overeenkomstig de daarvoor geldende maatstaven en derhalve geheel toewijsbaar.

De vordering is op de wet gegrond en wordt dan ook toegewezen, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt.

Het deel van de vordering onder c. van het petitum, te weten "het restant van de hoofdsom ter grootte van de wettelijke rente over de hoofdsom van iedere factuur vanaf 04-09-2006 tot aan de dag der algehele voldoening" wordt afgewezen nu de facturen reeds op 13 juli 2006 zijn betaald.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt gedaagde verwezen in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen kwijting te betalen € 85,99 (vijfentachtig euro en negenennegentig cent);

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op € 130,32 aan verschotten en € 60,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.