Betalingsverplichting na opzegging overeenkomst

Eiser verrichtte in opdracht van Gedaagde administratieve werkzaamheden. Gedaagde heeft per brief deze samenwerking opgezegd wegens tekortkoming in de uitvoering van de werkzaamheden. Gedaagde heeft vervolgens slechts een van de vier facturen betaald. Eiser vordert nu dat de andere facturen ook betaald worden en wilt de wettelijke rente en een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. Het verweer van de gedaagde is dat de eiser tekort schoot in de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden. De kantonrechter is het hier niet mee eens. Gedaagde heeft de overeenkomst namelijk opgezegd en niet ontbonden. Het verschil hierbij is dat bij opzegging geen vergoeding tot slecht geleverde prestatie ontstaat. Gedaagde heeft geen beroep op schade uit wanprestatie, waardoor de eiser dan ook voor de werkzaamheden moet betalen. Vervolgens stelt gedaagde dat de eiser heel weinig werk heeft geleverd en dat de facturen dan ook te hoog zijn. In de repliek laat de eiser zien welke werkzaamheden hij heeft verricht, en deze kunnen niet aangemerkt worden als weinig. Ook zijn er bij dagvaarding specificatie versterkt die aangeven hoeveel uren op welke dagen zijn gemaakt. Gedaagde motiveert onvoldoende waarom die specificatie niet zou kloppen. De vordering is toewijsbaar. Bij conclusie van dupliek in conventie stelt Gedaagde een eis in reconventie in. Artikel 137 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord moet worden ingesteld. Gedaagde stelde haar vordering te laat in en is daarin niet-ontvankelijk.

Datum: 11 april 2011
Rechtbank: Middelburg, Sector kanton, Locatie Middelburg
Zaaknummer: 212688/ 10-5367

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

de besloten vennootschap EISER,

gevestigd te, eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie, verder te noemen: Eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y Cheung,

tegen:

GEDAAGDE,

wonende te, handelend onder de naam GEDAAGDE,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, verder te noemen:

Gedaagde, in persoon.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

dagvaarding van 17 november 2010,

conclusies van antwoord en repliek,

conclusie van dupliek in conventie, tevens van eis in reconventie,

de beoordeling van de zaak

in conventie

Eiser verrichtte in opdracht van Gedaagde administratieve werkzaamheden. Eiser zond haar op 21 april 2010 een schriftelijke opdrachtbevestiging. Bij brief van 26 augustus 2010 schreef Gedaagde per direct af te zien van verdere samenwerking met Eiser wegens tekortkomingen in de uitvoering van de werkzaamheden. Eiser zond aan Gedaagde facturen, gedateerd op 7 mei, 11 juni, 1 juli en 13 augustus 2010. Gedaagde betaalde de factuur van 1 juli 2010, groot € 792,11. De andere facturen betaalde zij niet.

Eiser vordert de veroordeling van Gedaagde tot betaling van € 2.149,37 met wettelijke rente over € 1.799,58 vanaf 11 november 2010. Het bedrag van € 2.149,37 is de som van de bedragen van de facturen van 7 mei, 11 juni en 13 augustus 2010, in totaal € 1.799,58, € 49,79 aan wettelijke rente daarover tot 11 november 2010 en € 300,-- als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

Gedaagde voert verweer. Naar zij stelt, schoot Eiser tekort in de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Gedaagde zegde de overeenkomst van opdracht op. Anders dan ontbinding van de overeenkomst, heeft opzegging niet tot gevolg dat een verbintenis ontstaat tot vergoeding van de prestatie waarvan de aard uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt welke vergoeding wordt beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger werkelijk heeft gehad indien de prestatie niet aan de verbintenis heeft beantwoord. Gedaagde doet geen beroep op een opschortingsrecht of op schade uit wanprestatie ter verrekening met de vordering van Eiser. Zij zal dan ook voor de werkzaamheden van Eiser moeten betalen zoals partijen daarover zijn overeengekomen. Dit strookt ook met de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke gang van zaken: wie ontevreden is over de uitvoering van administratieve werkzaamheden, zegt de overeenkomst van opdracht op en betaalt het verschuldigde.

Gedaagde voert aan dat Eiser de facturen gedateerd op 7 mei en 11 juni 2010 pas verzond na de opzegging van de opdracht op 26 augustus 2010. Dit verweer miskent dat voor de vraag of de bedragen van de uiteindelijk alle door Gedaagde ontvangen facturen niet afhangt van de vraag wanneer zij die ontving maar of de facturen terecht zijn in die zin dat de werkelijk gemaakte uren ter uitvoering van de opdracht zijn gerekend volgens het overeengekomen tarief. De opdrachtbevestiging van 21 april 2010 houdt in dat Eiser op zich nam de financiële administratie, zoals omschreven in de bevestiging, het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en overige diensten. De diensten en activiteiten geschieden op nacalculatie en facturering vindt plaats per maand achteraf op basis van werkelijk bestede uren. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat Eiser voor haar werkzaamheden in de vier facturen te veel in rekening bracht. Met de betaling zonder protest van de factuur van 1 juli 2010 accepteerde zij de juistheid van die factuur. Gedaagde kan daarop naar het oordeel van de kantonrechter niet terugkomen.

Volgens Gedaagde rekende Eiser in vier facturen in totaal € 495,- exclusief BTW voor het regelen van de door haar vorige boekhouder verwaarloosde kinderopvangtoeslag over 2007. Herhaaldelijk had Eiser verklaard dat dit geregeld was met een of twee telefoontjes met de belastingdienst waaraan zij niet veel tijd en moeite hoefde te spenderen. Gedaagde schat de kosten op € 75,-. Dit verweer vindt zijn weerlegging in de bij repliek overgelegde stukken waaruit blijkt dat Eiser een beroepschrift opstelde en indiende bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. De zaak van de kinderopvangtoeslag was dus niet gedaan met een of twee telefoontjes met de belastingdienst.

Naar Gedaagde aanvoert, bracht Eiser met € 244,75 exclusief BTW te veel in rekening voor de salarisadministratie over de maanden april tot en met augustus 2010. Afgesproken was voor twee assistentes € 12,50 per maand, dat is in totaal € 125,-. Eiser betwist dit. Zij wijst erop dat Gedaagde meermalen van assistentes wisselde en er ook arbeidsovereenkomsten moesten komen. Daardoor moest Eiser meer werkzaamheden verrichten die zouden worden afgerekend op basis van nacalculatie. De kantonrechter kan Gedaagde niet volgen in dit verweer. Op de factuur van 11 juni 2010 is € 76,-- genoteerd voor het verzorgen van loonadministratie, op de facturen van 1 juli en 13 augustus 2010 telkens € 37,50 voor overige werkzaamheden met betrekking tot lonen. Omdat op de factuur van 7 mei 2010 daarvoor niets is gerekend, is de conclusie dat in totaal € 151,- exclusief BTW is gerekend voor dergelijke werkzaamheden. Volgens de niet betwiste specificatie van de factuur van 13 augustus 2010 is € 18,75 exclusief BTW gerekend voor een telefoongesprek inzake 2008. Deze werkzaamheden kunnen zonder nadere toelichting die ontbreekt niet begrepen worden geacht in de werkzaamheden voor de salarisadministratie over april tot en met augustus 2010. Als dus inderdaad zou zijn overeengekomen dat voor de salarisadministratie € 12,50 per assistente per maand zou worden gerekend, zou Eiser € 7,25 exclusief BTW te veel rekenen. Dat een dergelijke afspraak - in afwijking van de opdrachtbevestiging - is gemaakt, staat niet vast. Gedaagde motiveert onvoldoende hoe de afspraak is gemaakt, zodat dit verweer wordt verworpen.

Gedaagde stelt dat Eiser in totaal voor administratieve ondersteuning € 806,25 exclusief BTW rekende, terwijl de werkelijke kosten € 187,50 zijn voor vijf uren. De door Eiser opgevoerde kosten acht zij onverklaarbaar en buitenproportioneel. De kantonrechter verwerpt ook dit verweer. De factuur van 1 juli 2010 bevat een bedrag van € 300,- exclusief BTW voor administratieve ondersteuning en is door Gedaagde zonder protest betaald. Van de drie overige facturen geldt dat Eiser bij dagvaarding een specificatie verstrekte. Die specificatie geeft weer welke uren zij op welke dagen zou hebben gemaakt ten behoeve van de administratieve ondersteuning. Gedaagde motiveert onvoldoende waarom die specificatie ondeugdelijk zou zijn en vijf uren zouden volstaan. Aan de stelling van Gedaagde dat de medewerker van Eiser Gedaagde heeft geholpen met het openen van een stapel ongeopende post omdat hij gezellig zat te kletsen en die middag niets gepland had, gaat de kantonrechter voorbij. Gedaagde stelt namelijk niet wanneer dit zou zijn gebeurd en hoeveel uren daarvoor ten onrechte zouden zijn gerekend zodat in zoverre het verweer onvoldoende is gemotiveerd.

De verweren tegen de hoogte van de drie facturen van 7 mei, 11 juni en 13 augustus 2010 snijden geen hout. De vordering tot betaling van € 1.799,58 is toewijsbaar.

De wettelijke rente over het bedrag van de factuur van 13 augustus 2010 is toewijsbaar vanaf de vervaldatum. De kantonrechter acht aannemelijk dat Gedaagde de facturen van 7 mei en 11 juni 2010 pas na de opzegging ontving. In reactie op de opzegging maakte Eiser op 30 augustus 2010 aanspraak op betaling van € 1.799,58, de som van de drie factuurbedragen. Daarbij was een overzicht van openstaande posten gevoegd. Op 31 augustus 2010 ontkende Gedaagde de eerdere ontvangst van de facturen van 7 mei en 11 juni 2010. In haar opzeggingsbrief betwistte zij de verschuldigdheid van de facturen van in totaal € 1.309,76. Dit bedrag is gelijk aan het totaal van de factuurbedragen van 1 juli en 13 augustus 2010. Voorts acht de kantonrechter het opmerkelijk dat voor eind augustus 2010 Eiser Gedaagde niet aansprak op de betaling van deze facturen, hoewel de betaling daarvan niet plaatshad binnen de daarvoor gestelde termijn van 14 dagen na dagtekening (artikel 6 van de algemene voorwaarden). Eveneens is opmerkelijk dat Eiser in haar brief van 26 augustus 2010 verzocht om overmaking van "onze factuur" terwijl het voorde hand lag aan te dringen op betaling van beide facturen. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat Gedaagde de facturen van de 7 mei en 11 juni 2010 pas ontving op 30 augustus 2010. De facturen hadden dan ook betaald moeten zijn uiterlijk op 13 augustus 2010, zodat de wettelijke rente over die beide facturen pas toewijsbaar is vanaf 14 augustus 2010.

De vordering wegens buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar. Het is redelijk dat Eiser zich wendde tot gemachtigde om te proberen haar vordering buiten rechte te incasseren. Dat de kosten zijn gemaakt is niet betwist. De gevorderde vergoeding is berekend volgens het gebruikelijke tarief en redelijk. Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

in reconventie

Bij conclusie van dupliek in conventie stelt Gedaagde een eis in reconventie in. Artikel 137 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord moet worden ingesteld. Gedaagde stelde haar vordering te laat in en is daarin niet-ontvankelijk. Als in het ongelijk gestelde partij dient zij te worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat Eiser geen kosten maakte, worden die begroot op nihil.

de beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt Gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 2.099,58 vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 517,65 vanaf de vervaldatum en over een bedrag van € 1.281,93 vanaf 14 augustus 2010 telkens tot de dag der voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding welke aan de zijde van Eiser tot op heden worden begroot op € 653,89 waaronder begrepen een bedrag van € 300,- wegens salaris van de gemachtigde van Eiser;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd;

in reconventie:

verklaart Gedaagde in de vordering niet-ontvankelijk;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding welke aan de zijde van Eiser tot op heden worden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.