Betalingsverplichting resultaatsverbintenis na behalen resultaat

Eiser en Gedaagde hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan Eiser namens Gedaagde een subsidieaanvraag zou indienen. Op deze manier zou Gedaagde een verplaatsingssubsidie verkrijgen. Dit alles zou gebeuren op basis van 'no cure, no pay', maar als de aanvraag succesvol zou zijn dan zou Gedaagde €4.000,- aan Eiser betalen. Eiser voert aan dat zij de werkzaamheden heeft uitgevoerd die partijen zijn overeengekomen en dat, nu aan Gedaagde een verplaatsingssubsidie is toegekend, Gedaagde zodoende gehouden is tot betaling van de overeengekomen vergoeding. Gedaagde is het hier niet mee eens omdat hij zogezegd het meeste werk heeft moeten verrichten. Hij vraagt de rechter dan ook om de overeenkomst te ontbinden en de eiser in de kosten van de procedure te veroordelen. Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen is de vraag of Eiser de werkzaamheden heeft uitgevoerd die partijen zijn overeengekomen. De rechter concludeert dat partijen een resultaatverbintenis zijn overeengekomen. Het resultaat is behaald, en de gedaagde moet daarom ook de vergoeding betalen. Dat eiser weinig heeft verricht maakt dan ook niet meer uit, aangezien het resultaat is behaald. 

Datum: 2 maart 2011
Rechtbank: Utrecht, Sector kanton, Locatie Utrecht
Zaaknummer: 690043 UC EXPL 10-6585 CTH 4065

Vonnis

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, gevestigd en kantoorhoudende te, verder ook te noemen Eiser,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: IntoCash, incassobureau,

tegen:

Gedaagde, h.o.d.n. Gedaagde, wonende en zaakdoende te, verder ook te noemen Gedaagde,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. EJ. Bakker, advocaat te Utrecht,

Het verloop van de procedure in conventie

Eiser heeft een vordering ingesteld;

Gedaagde heeft geantwoord op de vordering;

Eiser heeft voor repliek en Gedaagde heeft voor dupliek geconcludeerd, in reconventie

Gedaagde heeft een tegeneis ingediend; Eiser heeft geantwoord op de tegeneis;

Gedaagde heeft voor repliek en Eiser heeft voor dupliek geconcludeerd en heeft daarbij tevens een akte uitlating genomen. Hierna is uitspraak bepaald.

De feiten

Eiser en Gedaagde hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan Eiser namens Gedaagde een subsidieaanvraag zou indienen teneinde een verplaatsingssubsidie voor Gedaagde te verkrijgen. Partijen zijn voorts overeengekomen dat Eiser deze werkzaamheden op basis van ‘no cure, no pay' zou uitvoeren en dat Gedaagde een bedrag van € 4.000,00, exclusief btw, aan Eiser verschuldigd is indien door het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (hierna te noemen: X) aan Gedaagde een verplaatsingssubsidie zou worden toegekend.

Bij factuur van 3 oktober 2009 heeft Eiser de kosten voor de geleverde diensten bij Gedaagde in rekening gebracht voor in totaal € 4.760,00, inclusief btw.

De vordering en het verweer

in conventie

Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Gedaagde om aan haar te voldoen een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum der dagvaarding, zijnde 9 april 2010, tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Gedaagde in de kosten van de procedure. De oorspronkelijke vordering is als volgt samengesteld:

€ 4.760,00 aan hoofdsom;

€ 116,85 aan rente tot 22 februari 2010;

€ 450,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

Eiser beperkt haar vordering tot een hoogte van € 5.000,00, naar de kantonrechter begrijpt heeft zij onherroepelijk afstand gedaan van het meerdere.

Eiser voert aan dat zij de werkzaamheden heeft uitgevoerd die partijen zijn overeengekomen en dat, nu aan Gedaagde een verplaatsingssubsidie is toegekend, Gedaagde zodoende gehouden is tot betaling van de overeengekomen vergoeding ad € 4.760,00, inclusief btw. Gedaagde is in verzuim met betaling van de vordering, aldus Eiser. De verschuldigdheid van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten vloeit volgens Eiser voort uit de wet.

Gedaagde voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Eiser in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan. Hij betoogt dat Eiser tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst nu hij zelf het leeuwendeel van de werkzaamheden heeft moeten verrichten teneinde de verplaatsingssubsidie te verkrijgen. Gedaagde voert aan dat Eiser enkel een aanvraagformulier heeft ingevuld en stukken heeft nagezonden aan X en voor het overige geen werkzaamheden heeft verricht.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

Gedaagde vordert gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, met veroordeling van Eiser in de kosten van de procedure.

De tekortkoming die Gedaagde aan de ontbinding ten grondslag legt bestaat er uit dat de verplaatsingssubsidie is toegekend (voornamelijk) door zijn eigen inspanningen en niet door die van Eiser. Gedaagde voert aan dat hij het grootste deel van de inspanningen, met name tijdens het bezoek door X aan het bedrijf van Gedaagde en de aansluitende besprekingen, zelf heeft moeten verrichten.

De beoordeling

in conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen beide geschillen gezamenlijk worden behandeld.

Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen is de vraag of Eiser de werkzaamheden heeft uitgevoerd die partijen zijn overeengekomen, zoals Eiser stelt doch Gedaagde betwist, en Gedaagde zodoende gehouden is de overeengekomen vergoeding aan Eiser te betalen.

Wat er ook zij van de door Eiser uitgevoerde werkzaamheden, de omvang hiervan, de hieraan toegeschreven tijdsbesteding, vooropgesteld wordt dat partijen een resultaatverbintenis zijn overeengekomen. Dit volgt uit het feit dat partijen zijn overeengekomen dat Gedaagde aan Eiser eerst dan een vergoeding verschuldigd is indien de werkzaamheden van Eiser ertoe leiden dat door X aan Gedaagde een verplaatsingssubsidie wordt toegekend en ook dat Gedaagde geen vergoeding verschuldigd is voor de werkzaamheden van Eiser indien geen subsidie wordt toegekend.

Nu vaststaat dat aan Gedaagde een verplaatsingssubsidie is toegekend is hij daarom reeds gehouden de overeengekomen vergoeding aan Eiser te betalen. Dat Eiser, zoals Gedaagde stelt doch Eiser betwist, onvoldoende inspanningen zou hebben geleverd en de toekenning van de subsidie (grotendeels) het gevolg is van de eigen werkzaamheden van Gedaagde is onvoldoende komen vast te staan en doet - ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van Gedaagde op dit punt - aan hetgeen hiervoor is overwogen niet af. De vordering van Eiser ligt voor toewijzing gereed.

Het standpunt van Gedaagde dat Eiser heeft nagelaten de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten wordt verworpen. De wijze waarop, de volgorde waarin en de snelheid waarmee Eiser de werkzaamheden heeft uitgevoerd vormen geen onderdeel van de overeenkomst nu deze enkel ziet op de toekenning van een verplaatsingssubsidie. Voorts blijkt uit de uitvoerige beschrijving van Eiser dat zij bezoeken aan Gedaagde heeft gebracht, stukken verzameld, opgesteld en verzonden heeft en dat zij diverse malen contact heeft onderhouden met Gedaagde, de accountant van Gedaagde en X zodat het standpunt van Gedaagde dat Eiser onvoldoende werkzaamheden heeft verricht, althans dat de door Eiser verrichte werkzaamheden niet hebben bijgedragen aan de toekenning van de subsidie, dient te worden verworpen. Gedaagde laat voorts na zijn stelling dat het bedrijfsbezoek dat X aan zijn bedrijf bracht essentieel was voor de toekenning van de subsidie te onderbouwen, zodat deze stelling niet houdbaar is. Nu niet is komen vast te staan dat Eiser is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen, ontbreekt een grond om de overeenkomst geheel, dan wel gedeeltelijk, te ontbinden. Gedaagde is dan ook gehouden de overeengekomen vergoeding aan Eiser te betalen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de vordering in conventie worden toegewezen en de vordering in reconventie worden afgewezen.

Gedaagde zal, als de zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden in conventie begroot op:

dagvaarding € 87,93

vast recht € 208,00

salaris gemachtigde € 400,00 (2,0 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 695,93

In reconventie worden de kosten aan de zijde van Eiser begroot op € 200,00 (2,0 punten x factor 0,5 x tarief € 200,00).

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen bewijs van kwijting te betalen € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2010 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 695,93,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst het gevorderde af,

veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten in reconventie aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 200,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2011.