Betwisting onderaanneming onvoldoende onderbouwd

Een stukadoor heeft in opdracht van gedaagde stucwerkzaamheden verricht. Ondanks sommaties kreeg hij niet betaald voor zijn werkzaamheden. De stukadoor denkt dat de gedaagde de stucwerkzaamheden eerst heeft doorgefactureerd aan een ander (X). De stukadoor denkt dat X de factuur ook betaalt heeft aan de gedaagde en dat er sprake is van onderaanneming. De rechter neemt aan dat de werkzaamheden van de stukadoor in opdracht en voor rekening van gedaagde zijn verricht. Dat deze werkzaamheden is opdracht en rekening van X zijn geweest vindt de rechter onvoldoende onderbouwd en treft geen doel. De rechter veroordeelt de gedaagde om het bedrag van de stucwerkzaamheden te betalen aan de stukadoor.

Datum: 8 oktober 2012
Rechtbank: Middelburg, Sector kanton, Locatie Middelburg
Zaaknummer: 237756/ 12-2108

Vonnis

in de zaak van

Eiser, Eiser, gevestigd te Goes, eisende partij, verder te noemen: Eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen:

Gedaagde, h.o.d.n. Gedaagde, gevestigd te, gedaagde partij, verder te noemen: Gedaagde, in persoon.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

dagvaarding van 7 mei 2012,
mondeling antwoord,
conclusie van repliek,
mondelinge toelichting.

de beoordeling van de zaak

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde stucwerkzaamheden verricht in de woning van X aan de te. Daarop bracht Eiser op 6 juni 2011 een bedrag van € 3.800,00 in rekening. Ondanks sommaties betaalde Gedaagde niet aan Eiser.

Eiser vordert de veroordeling van Gedaagde tot betaling van de hoofdsom ad. € 3.800,00 met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de vervaldatum tot aan 24-04-2012 een bedrag groot € 261,03 en de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 24-04-2012 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten van € 600,00 plus de daarover niet verrekenbare BTW van € 0,00 en de kosten van de procedure waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde en de kosten van de dagvaarding.

Gedaagde voert bij monde van Pekaar verweer dat zich als volgt laat samenvatten. De factuur van Eiser werd door hem in eerste instantie in rekening gebracht bij X en X heeft deze ook voldaan. Vervolgens heeft Gedaagde X een creditnota gezonden voor hetzelfde bedrag en dit bedrag is verrekend met de andere facturen die door Gedaagde aan X zijn gezonden. Met X werd afgesproken dat hij zelf zou zorg dragen voor betaling van het stucwerk aan Eiser.

Eiser blijft bij het gestelde dat hier sprake is van onderaanneming. Gedaagde heeft de stucwerkzaamheden doorgefactureerd aan X en deze heeft de factuur betaald. Eiser betwist en ontkent dat er tussen partijen op enig moment een commissiebedrag is overeengekomen, zoals door Gedaagde bij mondeling antwoord werd opgevoerd. Eiser heeft een verklaring van X overgelegd, waarin staat dat er sprake is van onderaanneming en dat het verschuldigde bedrag werd voldaan aan Gedaagde. Deze verklaring werd onderbouwd met de factuur en een bankrekening afschrift.

De kantonrechter overweegt het volgende. Vaststaat dat Eiser stucwerkzaamheden heeft verricht in het huis van X. Eiser heeft daarop een factuur gezonden aan Gedaagde, deze heeft de factuur zonder commentaar behouden. Gedaagde heeft Eiser niet in kennis gesteld van het feit dat hij de factuur rechtstreeks aan de klant moet richten. Gedaagde heeft Eiser niet in gebreke gesteld noch de factuur voldaan. Vaststaat ook dat Gedaagde een factuur heeft gezonden aan X op 21-07-2011 betreffende deze stucwerkzaamheden en dat X op 15-08-2011 deze factuur heeft voldaan. Gelet op deze feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, neemt de kantonrechter aan dat Eiser de werkzaamheden in opdracht en voor rekening van Gedaagde heeft verricht. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat Eiser de werkzaamheden heeft verricht in opdracht en voor rekening van X. Gedaagde heeft deze stelling echter onvoldoende onderbouwd, zodat hij niet zal worden toegelaten zijn stelling te bewijzen. Het verweer van Gedaagde is onvoldoende gemotiveerd en treft derhalve geen doel. De vordering van Eiser zal worden toegewezen.

Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

de beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van €3.800,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldatum tot 24-04-2012 een bedrag groot € 261,03;

vermeerderd met de wettelijke rente, over de hoofdsom vanaf 24-04-2012 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding, welke aan de zijde van Eiser tot op heden worden begroot op € 694,17, waaronder begrepen een bedrag van € 400,00 wegens salaris van de gemachtigde van Eiser;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.