Betwisting ondertekening schuldbekentenis faalt

Er is aan de gedaagde meerdere malen geld geleend door de eiser. Ondanks afspraken hierover heeft de gedaagde nog niets betaald. Gedaagde zegt dat de lening nooit zo hoog is als de eiser stelt. Ook zegt hij dat het niet zijn handtekening is onder de schuldbekentenis. Wel heeft de gedaagde een betalingsregeling aangeboden aan IntoCash, waardoor hij de vordering erkend. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat hij het bedrag wat in de schuldbekentenis staat aan de eiser moet betalen. Dat deze schuldbekentenis niet rechtsgeldig zou zijn wordt verworpen. 

Datum: 11 september 2011
Rechtbank: Maastricht, Sector Kanton, Locatie Maastricht
Zaaknummer: 399563 CV EXPL 10-5170

Vonnis

in de zaak

EISER, wonend te, eisende partij, verder te noemen: Eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam, tegen

GEDAAGDE, wonend te gedaagde partij, verder te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: procederend in persoon.

Verloop van de procedure

Eiser heeft bij dagvaarding van 28 oktober 2010 een vordering ingesteld tegen Gedaagde en daarbij drie (meervoudige) producties meebetekend.

Gedaagde heeft na gevraagd en verkregen uitstel schriftelijk geantwoord en daarbij twee producties overgelegd.

Eiser heeft vervolgens voor repliek geconcludeerd onder overlegging van één productie. Gedaagde heeft daarop geconcludeerd voor dupliek onder overlegging van één productie.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op heden gesteld is.

Motivering

Eiser vordert veroordeling van Gedaagde - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van e 3.910,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2010 over een bedrag van € 3.375,--tot aan de dag van voldoening.

Tevens vordert Eiser veroordeling van Gedaagde tot betaling van de kosten van het geding. Eiser heeft daartoe gesteld dat zij aan Gedaagde diverse malen geld heeft geleend van welke leningen een schuldbekentenis is opgesteld op 6 april 2010, die door partijen ondertekend is.

Ondanks afspraken heeft Gedaagde geen enkele aflossing verricht met als gevolg dat het volledige bedrag terstond opeisbaar is.

Eiser vordert dan ook een bedrag van € 3.375,00 aan hoofdsom zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2010. Door de niet-betaling van Gedaagde heeft Eiser kosten moeten maken die zij ook vordert van Gedaagde en wel tot een bedrag van € 535,50.

Gedaagde heeft verweer gevoerd en gesteld dat hij inderdaad diverse malen geld geleend heeft van Eiser echter nooit tot een bedrag van € 3.375,-. Verder betwist hij de handtekening onder de door Eiser in het geding gebrachte schuldbekentenis. Gedaagde stelt daartoe dat hij op 6 april 2010 nooit getekend kan hebben omdat hij op die dag in Maastricht was. Gedaagde betwist niet dat de handtekening onder de schuldbekentenis zijn handtekening is. Hij verklaart daartoe: "Als ik de schuldbekentenis zie denk ik ook dat is mijn handtekening. Maar ik weet zeker dat ik dit nooit ondertekend heb. Er stonden spullen van mij bij haar opgeslagen, ik heb haar gezegd dat ik pas teken als ik mijn spullen terug heb. Dit heb ik in week 15 gedaan en heb toen niks ondertekent. Ik zou op 6 april getekend hebben maar toen was ik in Maastricht".

In voortgezet debat stelt Eiser dat het inderdaad juist is dat de schuldbekentenis niet op 6 april 2010 ondertekend is door Gedaagde maar op 13 april 2010 (week 15). In eerste instantie hadden partijen afgesproken dat Gedaagde op 6 april 2010 zou langskomen om de schuldbekentenis te ondertekenen en zijn spullen op te halen. Gedaagde kon echter niet en hij is vervolgens op 13 april 2010 langs gekomen om te tekenen en zijn spullen op te halen. Eiser stelt tevens dat Gedaagde aan het door haar ingeschakelde incassobureau een betalingsregeling heeft aangeboden om het verschuldigde bedrag af te lossen middels een betalingsregeling van € 50,- per maand. Gedaagde heeft hiermee de vordering erkend.

In zijn reactie op de conclusie van repliek van Eiser betwist Gedaagde niet dat hij op 13 april 2010 de litigieuze schuldbekentenis ondertekend heeft. Ook betwist hij niet dat hij een betalingsregeling aangeboden heeft aan het incassobureau.

De kantonrechter is gelet op dit laatste van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat Gedaagde de litigieuze schuldbekentenis ondertekend heeft en dat hij het in die schuldbekentenis genoemde bedrag aan Eiser verschuldigd is.

Het (nadere) verweer van Gedaagde dat de schuldbekentenis niet rechtsgeldig is omdat er van hem geen met de handgeschreven zin in staat wordt door de kantonrechter verworpen. Een schuldbekentenis is immers niet aan enige formaliteit onderhevig.

De vordering van Eiser ligt derhalve voor toewijzing gereed met dien verstande dat er een bedrag van € 50,00 in mindering dient te worden gebracht op het gevorderde bedrag nu Gedaagde dit bedrag immers aan het door Eiser ingeschakelde incassobureau heeft betaald.

Ook de door Eiser gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente zijn toewijsbaar.

Gedaagde dient tevens, als de geheel in het ongelijk gestelde partij, de kosten van dit geding te dragen.

Beslissing

Veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 3.860,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.375,-- vanaf 31 oktober 2010 tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt Gedaagde voorts tot betaling van de kosten van het geding, aan de zijde van Eiser tot heden in totaal begroot op € 627,93, waaronder een bedrag van € 400,- ter zake van salaris van de gemachtigde van Eiser.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr, J.M.A.F. COENEGRACHT, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.