Betwisting opdracht tot conceptwerkzaamheden faalt

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat eiseres conceptwerk­zaamheden niet heeft verricht of dat deze niet in zijn opdracht heeft verricht. Dit verweer wordt, in het licht van de door eiseres gegeven en met bescheiden onderbouwde uitleg, als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Gedaagde heeft namelijk in het geheel niet weersproken dat eiseres, althans mevrouw Y aantekeningen heeft gemaakt van de met hem gevoerde gesprekken en dat aan de hand van die uitgebreide aantekeningen door eiseres de concepten zijn opgesteld zoals die bij nadere conclusie zijn overgelegd. Ook heeft hij niet weersproken de stelling van eiseres dat zij de concepten, na het schrijven ervan, heeft toegezonden aan gedaagde en na diens goedkeuring ter registratie bij de belastingdienst heeft aangeboden. Dat impliceert onder meer dat voor de wijze van uitwerking van het besprokene een goedkeuring van gedaagde vereist was en zodanige goedkeuring zou niet hoeven te worden verleend indien eiseres voor het uitwerken geen opdracht zou hebben ontvangen. Indien overigens al juist zou zijn dat gedaagde in enigerlei vorm concepten aan eiseres ter hand had gesteld -die, naar de kantonrechter begrijpt, volgens hem niet uitgewerkt hoefden te worden- valt op dat gedaagde heeft nagelaten precies te omschrijven wat hij dan wel ter hand heeft gesteld en bovendien heeft nagelaten zijn standpunt met bescheiden te onderbouwen. Dat is te meer opmerkelijk nu gedaagde bij dupliek heeft gesteld dat hij zelf de drie concepten had geschreven.

Datum: 14 maart 2007
Rechtbank: Breda, Sector kanton, Locatie Breda
Zaaknummer: 414580-CV-6865/2006

Vonnis

inzake

de stichting EISER,

eiseres, gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

gemachtigde: mr. drs. C. Sneevliet, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam, tegen

Gedaagde, h.o.d.n. X, wonend, gevestigd en kantoorhoudend aan de, gedaagde, procederend in persoon.

Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

het tussenvonnis d.d. 20 december 2006;

de door eiseres genomen conclusie na tussenvonnis;

de door gedaagde genomen antwoordconclusie na tussenvonnis.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

De verdere beoordeling van het geschil

Eiseres heeft bij conclusie ter rolzitting van 17 januari 2007 de inlichtingen verstrekt waarom in het tussenvonnis werd verzocht. Gedaagde heeft ter rolzitting van 14 februari 2007 op die conclusie gereageerd.

Uit het tussenvonnis volgt dat voor de kantonrechter, mede gelet op de -met name bij repliek- overgelegde producties, de gang van zaken tussen partijen onvoldoende inzichtelijk was, hetgeen onder meer heeft geleid tot de omschrijvingen in de rechtsoverwegingen 3.1., en 3.5 van het tussenvonnis, ten aanzien waarvan eiseres bij nadere conclusie heeft gesteld dat deze (gedeeltelijk) onjuist zijn. Dat is op zichzelf niet betwist door gedaagde zodat de kantonrechter hierna van de juistheid van de opmerkingen van eiseres zal uitgaan, te meer nu zij deze voor het eerst met begrijpelijke producties heeft ondersteund.

Niettemin is ook nu nog voor de kantonrechter onduidelijk gebleven wat gedaagde ten tijde van de besprekingen met eiseres aan feitelijke concepten met betrekking tot zijn ideeën beschikbaar had. In het tussenvonnis is ervan uitgegaan dat gedaagde (handgeschreven) concepten aan eiseres ter hand heeft gesteld ter bewerking of ter uitwerking. Volgens eiseres hebben er op 16 mei 2003 en op 18 en 23 augustus 2003 besprekingen met gedaagde plaats­gevonden over diens ideeën waarna eiseres op basis van de door haar gemaakte notities drie concepten heeft geschreven. In reactie op de nadere conclusie van eiseres heeft gedaagde -voor wat betreft de kwestie van de concepten- enkel gesteld dat eiseres zijn concepten "heeft beschreven", volgens hem ten behoeve van het deponeren van die concepten als merknaam.

Voor zover gedaagde met deze summiere reactie op de stellingen van eiseres in haar nadere conclusie heeft willen volharden bij zijn standpunt dat eiseres de conceptwerk­zaamheden niet heeft verricht of dat deze niet in zijn opdracht heeft verricht, moet dat verweer in het licht van de door eiseres gegeven en met bescheiden onderbouwde uitleg, als onvoldoende gemotiveerd worden gepasseerd. Gedaagde heeft namelijk in het geheel niet weersproken dat eiseres, althans mevrouw Y aantekeningen heeft gemaakt van de met hem gevoerde gesprekken en dat aan de hand van die uitgebreide aantekeningen door eiseres de concepten zijn opgesteld zoals die bij nadere conclusie zijn overgelegd. Ook heeft hij niet weersproken de stelling van eiseres dat zij de concepten, na het schrijven ervan, heeft toegezonden aan gedaagde en na diens goedkeuring ter registratie bij de belastingdienst heeft aangeboden. Dat impliceert onder meer dat voor de wijze van uitwerking van het besprokene een goedkeuring van gedaagde vereist was en zodanige goedkeuring zou niet hoeven te worden verleend indien eiseres voor het uitwerken geen opdracht zou hebben ontvangen. Indien overigens al juist zou zijn dat gedaagde in enigerlei vorm concepten aan eiseres ter hand had gesteld -die, naar de kantonrechter begrijpt, volgens hem niet uitgewerkt hoefden te worden- valt op dat gedaagde heeft nagelaten precies te omschrijven wat hij dan wel ter hand heeft gesteld en bovendien heeft nagelaten zijn standpunt met bescheiden te onderbouwen. Dat is te meer opmerkelijk nu gedaagde bij dupliek heeft gesteld dat hij zelf de drie concepten had geschreven.

Onweersproken is voorts dat de concepten zijn opgemaakt kort na de besprekingen op 16 mei 2003 en 18 en 23 augustus 2003. Vóór de gesprekken in augustus 2003 had gedaagde, zo staat eveneens onweersproken vast, al de factuur van 23 mei 2003 met betrekking tot het schrijven van het concept "Z", met bijbehorende werkzaamheden, ontvangen. Dat gedaagde tegen die nota vóór de gesprekken in augustus 2003 op enigerlei wijze bezwaar heeft gemaakt is niet gesteld of gebleken en ook daaruit kan het bestaan van een opdracht voor de conceptwerkzaamheden worden afgeleid, omdat anders niet valt te begrijpen waarom gedaagde, kennis dragende van die factuur, heeft deelgenomen aan de besprekingen in augustus 2003.

Op grond van het vorenstaande staat voor de kantonrechter vast dat gedaagde opdracht heeft gegeven voor de conceptwerkzaamheden. Ook indien juist is dat het oorspronkelijk mede de bedoeling van partijen was om concepten als merknaam te registreren staat de omstandigheid dat gedaagde (uiteindelijk) geen opdracht heeft gegeven voor die registratie er niet aan in de weg dat eiseres betaling vordert van de voorbereidende werkzaamheden. Het kan immers niet zo zijn dat enkel door het niet doorgaan van de registratiewerkzaamheden de voorbereidende werkzaamheden voor rekening van eiseres zouden moeten blijven. De kantonrechter acht daarom de vordering, waar hetgeen aan bedragen in rekening is gebracht naar omvang niet is bestreden, geheel toewijsbaar, ook ten aanzien van de medegevorderde en op zich niet weersproken bedragen ter zake buitengerechtelijke kosten en rente.

Gedaagde dient als de verliezende partij te worden verwezen in de kosten. Nu eiseres er eerst bij nadere conclusie in is geslaagd duidelijkheid te creëren omtrent haar vordering en niets haar ervan had hoeven te weerhouden deze informatie eerder in het geding te brengen, zal de kantonrechter bij de vaststelling van het salaris voor de gemachtigde van eiseres geen rekening houden met die nadere conclusie.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 1.955,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.282,39 vanaf 4 september 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verwijst gedaagde in de kosten van het geding en veroordeelt hem mitsdien tot betaling van die kosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 531,32, waaronder begrepen een bedrag van € 300,- ter zake het salaris voor de gemachtigde van eiseres;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L.L. Poeth, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 maart 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tussenvonnis

d.d. 20 december 2006

inzake

de stichting EISER,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. drs. C. Sneevliet, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam, tegen

Gedaagde, handelend onder de naam X, wonend, gevestigd en kantoorhoudend aan de,

gedaagde, procederend in persoon.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

het exploot van dagvaarding van 13 september 2006, met producties

de conclusie van antwoord;

de conclusie van repliek, met producties;

de conclusie van dupliek.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

Eiseres vordert de veroordeling van gedaagde tot betaling van een bedrag € 1.955,33 (inclusief € 372,94 aan wettelijke rente en € 300,- aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.282,39 vanaf 4 september 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts vordert zij gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in of omstreeks augustus 2003 in opdracht van gedaagde diverse merken heeft geregistreerd en verscheidene concepten heeft opgesteld en daarvoor bij facturen van 23 mei 2003 (ad € 447,-), 23 augustus 2003 (ad € 585,29) en 22 september 2003 (ad € 250,10) in totaal € 1.282,39 in rekening heeft gebracht doch gedaagde ondanks aanmaningen in gebreke is gebleven met de betaling van die facturen.

Gedaagde bestrijdt de vordering, aanvoerende dat hij geen opdracht tot registratie heeft gegeven en eiseres geen concepten voor hem heeft opgesteld doch deze alleen heeft bewerkt.

3. De beoordeling

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken vast dat er na een eerste (kennismakings)bespreking op 16 maart 2003 nog enkele besprekingen zijn geweest en dat ene Y van eiseres -naar de kantonrechter begrijpt: mevrouw Y op die dag dan wel bij een latere gelegenheid op het kantoor van gedaagde is geweest en van gedaagde enige concepten/formats heeft meegekregen waarna die concepten/formats door eiseres zijn bewerkt. Voorts staat vast dat eiseres drie akten, te weten een concept "Z", een concept "B" en een concept "A" op 19 mei 2003 ter registratie aan de belastingdienst heeft aangeboden en gedaagde op 16 juli 2003 de originele documenten heeft toegezonden voorzien van registratiegegevens. Gedaagde heeft voorts op 4 augustus 2003 eiseres gemachtigd om namens hem bij de bevoegde Benelux- en/of internationale autoriteiten alle handelingen te verrichten met betrekking tot zijn intellectuele eigendom. Op die dag heeft eiseres gedaagde drie offertes gestuurd om voormelde concepten als merk te registreren maar omdat gedaagde deze offertes niet heeft ondertekend, heeft geen registratie plaats gevonden. Ten slotte is niet in geschil dat gedaagde eiseres opdracht heeft gegeven voor het aanvragen van domeinnamen.

Uit de conclusie van repliek volgt dat eiseres, anders dan uit haar stellingen bij dagvaarding kan worden afgeleid, enkel betaling vordert voor het schrijven van de hiervoor vermelde concepten. Dat betekent dat al hetgeen door partijen is gesteld omtrent de registratie van die concepten en het aanvragen van domeinnamen in het kader van het onderhavige geschil buiten beschouwing kan blijven.

Gedaagde heeft in reactie daarop aangegeven dat de stellingen van eiseres niet juist kunnen zijn omdat hijzelf de drie concepten heeft bedacht en gemaakt en deze niet door eiseres geschreven kunnen zijn; om die reden wenst hij niet tot betaling over te gaan, aldus gedaagde. Volgens hem heeft hij dat destijds aan eiseres meegedeeld en heeft hij nadien om die reden niet meer gereageerd op aanmaningen. De kantonrechter begrijpt het standpunt van gedaagde aldus dat hij stelt geen opdracht voor de door eiseres verrichte werkzaamheden te hebben gegeven laat staan dat deze zijn verricht in een omvang als door haar gesteld.

De inhoud van de conclusie van dupliek verdraagt zich niet met de inhoud van de conclusie van antwoord nu in laatstgenoemde conclusie door gedaagde is aangegeven dat eiseres concepten/formats meenam ter uitwerking met de bedoeling deze in getypte vorm om te zetten.

Verderop in dezelfde conclusie schrijft gedaagde dat eiseres alleen maar zijn concepten heeft bewerkt. In het midden kan blijven of dat is geschied ten behoeve van de registratie, anders dan bij de belastingdienst, maar wel kan uit de stellingen van gedaagde worden afgeleid dat eiseres met zijn toestemming en medeweten de kennelijk handgeschreven concepten heeft omgezet in getypte tekst. Waar bovendien tussen partijen vaststaat dat er meerdere besprekingen zijn geweest en aannemelijk is dat dat zakelijke gesprekken betroffen, zou een en ander in samenhang bezien een aanwijzing kunnen vormen dat eiseres handelingen heeft uitgevoerd waartoe zij opdracht van gedaagde had verkregen.

Daar staat echter tegenover dat niet valt te begrijpen hoe het mogelijk is dat eiseres de concepten op 19 mei 2003 aan de belastingdienst kon aanbieden terwijl uit de bij dagvaarding overgelegde "Tijd & Kostenformulieren" blijkt dat het merendeel van de werkzaamheden pas in de tweede helft van augustus 2003 heeft plaatsgevonden. Indien de teksten "concept 1e opzet" en "concept 2e opzet" op het formulier van mei uitge­werkte concepten betroffen van de drie door gedaagde ter beschikking gestelde concep­ten valt, mede gelet op de daaraan bestede tijd van 3 uren, niet in te zien welke (type?)-werkzaamheden in augustus 2003 nog dienden te worden verricht. Voor zover uit de factuur van 23 mei 2003 kan worden afgeleid dat de hiervoor bedoelde 3 uren betrek­king hebben op het schrijven van het concept "Z" blijft de kwestie van de aanbieding van die concepten aan de belastingdienst onduidelijk en is bovendien niet inzichtelijk waarom het ene concept in mei 2003 werd opgemaakt en de andere twee in augustus 2003 nu ze immers wel tegelijkertijd bij de belastingdienst zijn geregistreerd.

Ook met betrekking tot die registratie roepen de stellingen van eiseres vragen op. Zij heeft gedaagde, als vermeld, bericht dat er op 16 juli 2003 drie akten zijn geregistreerd op 19 mei 2003 onder vermelding van de nummers "… " . Ervan uitgaande dat met die aktes wordt gedoeld op de bij repliek overgelegde concepten valt op dat alleen op het op 23 augustus 2003 gedateerde concept "B" een stempel van de belastingdienst staat met als datum 8 september 2003 en als registratienummer … welk nummer niet correspondeert met de nummers op de brief van de belastingdienst. Het concept "A" is gedateerd op 18 augustus 2003 en het concept "Z" mist een datum.

Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter de zaak verwijzen naar na te noemen rolzitting om eiseres in de gelegenheid te stellen een nadere conclusie te nemen en daarbij in te gaan op hetgeen gedaagde bij dupliek heeft gesteld omtrent het schrijven van de drie concepten. Eiseres dient daarbij, met inachtneming van de vorenstaande opmerkingen, nader aan te geven welke werkzaamheden zij precies krachtens de volgens haar door gedaagde gegeven opdracht diende te verrichten en opheldering te verschaffen omtrent hetgeen met name onder 3.5 en 3.6 is overwogen. Gedaagde zal daarna in de gelegenheid zijn een antwoordconclusie te nemen. Onder aanhouding van iedere verdere beslissing wordt daarom beslist als volgt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting voor civiele zaken van woensdag 17 januari 2007 te 11.00 uur om eiseres in de gelegenheid te stellen een nadere conclusie te nemen;

bepaalt dat gedaagde daarna in de gelegenheid zal zijn een antwoordconclusie te nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L.L. Poeth, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 20 december 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.