Betwisting overeengekomen betalingsregeling faalt

In 2008 en 2009 heeft in opdracht van de gedaagde een paard gestald gestaan bij de eiser. In 2010 hebben partijen afspraken gemaakt over de stallings- en verzorgingskosten die aan de gedaagde betaald moet worden. Gedaagde heeft hier slechts de helft van betaald, waardoor de eiser bij de rechter het restand vordert samen met incassokosten en rente. De rechter oordeelt dat de gedaagde zich moet houden aan wat er is afgesproken in 2010. Er is toen immers een betalingsregeling afgesproken. De gedaagde heeft geen bewijs aangeboden dat er iets anders afgesproken zou zijn. 

Datum: 7 september 2011
Rechtbank: Assen, Sector kanton, Locatie Emmen
Zaaknummer: 314609 \ CV EXPL 11-2299

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Eiser, hierna te noemen; eiser, wonende te,

gemachtigde: IntoCash,

tegen

Gedaagde, hierna te noemen: gedaagde, wonende te, procederende in persoon.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 20 april 2011 met producties;

de conclusie van antwoord;

de nadere toelichtingen van partijen.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

In 2008 en 2009 heeft in opdracht van gedaagde een paard gestald gestaan bij eiser. In april 2010 hebben partijen afspraken gemaakt over de betaling door gedaagde aan eiser van stallings- en verzorgingskosten. Gedaagde heeft in dat kader € 1.905,00 aan eiser betaald.

De vordering en het verweer

Eiser stelt dat partijen in april 2010 hebben afgesproken dat gedaagde aangaande de stallings- en verzorgingskosten in totaal €3.549,00 aan eiser zou betalen. Dat bedrag zou betaald worden ais volgt: direct € 1.000,00 en vervolgens vier termijnen van € 635,00. Eind augustus 2010 zou aldus het totaal zijn betaald. Omdat gedaagde slechts € 1.905,00 heeft betaald, vordert eiser thans betaling van het restant, door hem beperkt tot € 1.635,00. Daarnaast vordert eiser incassokosten en rente.

Gedaagde heeft de vordering bestreden. Hoewel naar zijn zeggen aanvankelijk slechts was afgesproken dat nauwelijks andere kosten dan dierenartskosten zouden worden berekend, heeft gedaagde in april 2010 ingestemd met een betalingsafspraak voor een bedrag ter grootte van vier gelijke termijnen van € 635,00, zo voerde gedaagde aan.

De beoordeling

Omdat vast staat dat partijen in april 2010 een afspraak hebben gemaakt over de betaling van stallings- en verzorgingskosten van een paard, is gedaagde gehouden aan eiser te betalen hetgeen hij overeenkomstig die afspraak dient te voldoen. Eiser heeft in de procedure een door partijen ondertekende schriftelijke weergave van die afspraken overgelegd, waaruit blijkt dat gedaagde in totaal € 3.549,00 aan eiser dient te betalen. Als niet weersproken staat vast dat gedaagde voor dagvaarding € 1.905,00 heeft betaald.

Gedaagde heeft de inhoud van de genoemde schriftelijke weergave d.d. 28 april 2010 van de afspraken in die zin betwist, dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat partijen tijdens eerder overleg in april 2010 hebben afgesproken dat gedaagde niet meer dan de genoemde termijnen zou betalen, waarmee eiser akkoord zou zijn gegaan. Gelet op de tekst van de betalingsregeling en de conclusie van antwoord d.d. 1 juni 2011 kan gedaagde niet anders bedoeld hebben dan dat hij naar zijn overtuiging niet meer dan vier termijnen van elk € 635,00 zou dienen te betalen voor 1 september 2010.

Eiser heeft in zijn conclusie van repliek die aldus opgevatte zienswijze van gedaagde bestreden. Eiser heeft aangevoerd dat partijen op 19 april 2010 met elkaar hebben gesproken over een betalingsregeling. Toen is de regeling overeengekomen, die op 28 april 2010 schriftelijk is bevestigd, zo stelt eiser. Gedaagde heeft daarop in zijn reactie d.d. 28 juli 2011 (conclusie van dupliek) niet langer afdoende betwist dat de tekst van de door hem op 28 april 2010 ondertekende betalingsregeling daadwerkelijk de afspraken tussen partijen weergeeft. Met name heeft gedaagde tegenover het standpunt van eiser niet langer aangevoerd dat hij op 28 april 2010 ten tijde van de ondertekening van de betalingsafspraken enig voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de inhoud van dat stuk. Door de eerder in april 2010 gemaakte afspraak op 28 april 2010 zonder voorbehoud of wijziging in de tekst te ondertekenen, heeft gedaagde door zijn ondertekening de in dat stuk vastgelegde betalingsafspraken aanvaard.

Gedaagde heeft overigens geen bewijs aangeboden van zijn aanvankelijke zienswijze dat iets anders met eiser is afgesproken dan hetgeen in de door hem ondertekende betalingsregeling is opgenomen. De stellingen van partijen en de overgelegde stukken geven voorts geen aanleiding om gedaagde ambtshalve met dat bewijs te belasten. De hoofdsom ad € 1.635,00 zal dan ook aan eiser worden toegewezen.

Tegen de gevorderde incassokosten is geen zelfstandig verweer gebleken. Die kosten zullen mitsdien worden toegewezen. In de dagvaarding is eiser wat betreft de wettelijke rente tegenstrijdig als het gaat om de vervaldata: hij noemt zowel 6 maart 2009 als 1 september 2010. Derhalve zal worden uitgegaan van de in de sommaties vermelde eerste duidelijke vervaldatum: 7 februari 2011.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen € 1.992,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.635,00 vanaf 7 februari 2011 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 90,81 aan dagvaardingskosten, € 142,00 aan vast recht en € 350,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.