Betwisting overeengekomen prijs wordt onvoldoende onderbouwd

Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de (ver)koop en levering van duiktanks. Er is echter een geschil gekomen over de prijs die hierbij is afgesproken. De eiser zegt dat dit €14.000,- is en onderbouwd dit met een e-mail. De gedaagden betwisten deze stelling en voeren aan dat er €10.000 is overeengekomen. Dit hebben zij echter niet onderbouwd. De rechter gaat dus uit van de schriftelijke onderbouwing (de e-mail) van de eiser waardoor er vast staat dat partijen €14.000 zijn overeengekomen. In reconventie eisen gedaagden dat eiser een bedrag betaald. Er zou namelijk zijn overeengekomen dat hij de kentekenplaten van de aanhangers zou overschrijven op een Nederlands kentekenbewijs. Omdat eiser dit heeft nagelaten hebben gedaagden dit zelf moeten doen en menen ze kosten te hebben gemaakt. De rechter oordeelt hierover dat gedaagden eiser erop hadden moeten wijzen dat hij zijn verplichtingen diende na te komen. Aangezien ze dit niet gedaan hebben is het moeilijk vast te stellen of Eiser tekort zou zijn geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Om die reden wordt de reconventionele vordering afgewezen.

Datum: 25 maart 2015
Rechtbank: Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 3414473 UC EXPL 14-14646

Vonnis

in de zaak van

Eiser, wonende te, eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen:

1   Gedaagde 1,

2   Gedaagde 2,

3   Gedaagde 3,

verweerders in conventie, eisers in reconventie, gemachtigde: mr. P.H. Huth

Eiser in conventie, verweerder in reconventie, zal hierna Eiser worden genoemd. Verweerders in conventie, eisers in reconventie zullen hierna gezamenlijk Gedaagden worden genoemd.

1. De procedure

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding;

de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie; de conclusie van antwoord in reconventie; het tussenvonnis van 22 oktober 2014; het proces-verbaal van comparitie van 2 februari 2015.

1.2.       Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.        Eiser heeft aan S Diving V.O.F. (hierna: "S Diving") 2 duik- en demonstratie watertanks met aanhanger en bijbehorende partytent (hierna: "de duiktanks") verkocht en geleverd. Ten tijde van die (ver)koop waren Gedaagde 2 en Gedaagde 3 vennoten van S Diving. Op 12 november 2011 heeft Eiser aan S Diving de volgende e-mail geschreven:

"Hierbij verkoopt Thomas Eiser twee mobiele duik en demonstratie watertanks met aanhanger en bij behorende partytent van 4x5 meter voor de som van 14.000,00 Euro aan S Diving (Nederland).

De levering zal volgens afspraak uitgevoerd worden. De kentekens van de aanhangers worden uit geschreven in België zodat ze in Nederland kunnen worden aangemeld. "

2.2.        Aan deze e-mail heeft Eiser een factuur gehecht, die gericht is aan S Diving en waarop voor de duiktanks een prijs van € 14.000,- staat vermeld.

2.3.        S Diving heeft € 5.000,- aan Eiser betaald.

2.4.        Op 20 augustus 2013 heeft Eiser S Diving gesommeerd € 9.000,- aan hem te betalen. Op 8 september 2014 heeft Eiser Gedaagden gedagvaard.

3. De vordering en het verweer

in conventie

3.1.        Eiser vordert - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagden hoofdelijk te veroordelen, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van:

1.               de hoofdsom van € 9.000,-;

2.   de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan 17 juli 2014 ten bedrage van € 458,86;

3.   de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 17 juli 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

4.                de buitengerechtelijke incassokosten van € 825,00 plus de BTW van € 173,25;

5.               de kosten van de procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde;

6.   de nakosten ten bedrage van 50% van het geldende salaris van de gemachtigde, indien gedaagden niet binnen 2 dagen, althans binnen redelijke termijn na betekening, aan het vonnis hebben voldaan;

7.               de kosten van de dagvaarding van € 99,72.

3.2.      Gedaagden voeren verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3.       Gedaagde 2 en Gedaagde 3 vorderen - samengevat - in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.   Eiser te veroordelen tot betaling van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

2.   Eiser te veroordelen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.

3.4.       Eiser voert verweer.

3.5.       Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling

in conventie

4.1.       Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de (ver)koop en levering van de duiktanks. De kern van het geschil betreft welke prijs partijen zijn overeengekomen.

4.2.       Eiser heeft gesteld dat partijen een bedrag van € 14.000,- zijn overeengekomen. Eiser heeft deze stelling onderbouwd met een e-mail die hij op 12 november 2011 aan S Diving heeft gestuurd waarin hij schrijft dat de duiktanks voor € 14.000,- worden verkocht en geleverd (zie r.o. 2.1). Aan deze e-mail is een factuur gehecht die gericht is aan S Diving en waarop voor de duiktanks een prijs van € 14.000,- staat vermeld (zie r.o. 2.2). Eiser vordert nakoming van de betalingsverplichting van Gedaagden uit hoofde van de overeenkomst.

4.3.       Gedaagden hebben betwist dat een bedrag van € 14.000,- is overeengekomen. Volgens hen is een prijs van € 10.000,- overeengekomen.

4.4.       Gedaagden hebben geen schriftelijke bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat partijen niet een prijs van € 14.000,- zijn overeengekomen. Ter comparitie hebben Gedaagden hun betwisting dat een prijs van € 14.000,- is overeengekomen, evenmin feitelijk onderbouwd. Zij hebben ook niet feitelijk onderbouwd dat juist een prijs van € 10.000,- is overeengekomen. Gelet op de schriftelijke onderbouwing van de stelling van Eiser dat partijen een prijs van € 14.000,- zijn overeengekomen, had van Gedaagden minst genomen mogen verwacht dat zij hun betwisting dat een prijs van € 14.000,- was afgesproken, feitelijk hadden onderbouwd. Door dit na te laten hebben Gedaagden de stelling van Eiser onvoldoende betwist. Daardoor staat vast dat partijen een prijs van € 14.000,- zijn overeengekomen voor de verkoop en levering van de duiktanks. Aangezien niet in geschil is dat S Diving reeds € 5.000,- aan Eiser heeft betaald, dient S Diving uit hoofde van de overeenkomst nog een bedrag van € 9.000,- aan Eiser te betalen.

4.5.       Gelet erop dat Gedaagde 2 en Gedaagde 3 vennoten van S Diving waren ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, zijn zij op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van € 9.000,- aan Eiser.

4.6.       Eiser heeft gesteld dat ook Gedaagde 1 hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling, aangezien hij zich ten tijde van de (ver)koop van de duiktanks als vennoot van S Diving heeft voorgedaan. Voorop staat dat S Diving en niet Gedaagde 1 de contractspartij is van Eiser. Tevens staat vast dat Gedaagde 1 geen vennoot is (geweest) van S Diving. Gedaagde 1 heeft ter comparitie aangegeven dat hij in zijn rol van werknemer van S Diving met Eiser communiceerde en dat hij zich nooit heeft voorgedaan als vennoot van S Diving. Gelet op deze betwisting van Gedaagde 1, heeft Eiser onvoldoende onderbouwd op welke gronden desondanks moet worden aangenomen dat Gedaagde 1 zich heeft voorgedaan als vennoot van S Diving. Reeds om deze reden kan Gedaagde 1 niet aansprakelijk worden gehouden voor de nakoming van de betalingsverplichting van S Diving van € 9.000,-.

4.7.        De rechtbank zal de conventionele vordering van Eiser jegens Gedaagde 2 en Gedaagde 3 toewijzen. De door Eiser jegens Gedaagde 1 ingestelde vordering zal worden afgewezen. De hiernavolgende overwegingen hebben dan ook uitsluitend betrekking op Gedaagde 2 en Gedaagde 3.

4.8.        Eiser maakt aanspraak op een bedrag van € 458,86 aan wettelijke rente over de hoofdsom van € 9.000,- vanaf de vervaldatum tot aan 17 juli 2014. Tevens maakt Eiser aanspraak op de wettelijke rente over de hoofdsom van € 9.000,- vanaf 17 juli 2014 tot aan de dag van algehele voldoening. Ter comparitie heeft Eiser aangegeven dat de wettelijke rente van artikel 6:119 BW wordt gevorderd.

4.9.         Ter comparitie hebben beide partijen bevestigd dat afgesproken is dat de koopprijs in drie termijnen zou worden betaald. Gedaagden hebben betoogd dat S Diving op 12 november 2011 € 5.000,- zou betalen, op 12 november 2012 € 2.500,- en op 12 november 2013 nogmaals € 2.500,- en dus in totaal € 10.000,-. Aangezien de rechtbank heeft geoordeeld dat partijen een bedrag van € 14.000,- en niet van € 10.000,- zijn overeengekomen, zal de rechtbank Eiser volgen in zijn stelling dat afgesproken is dat S Diving op 12 november 2011 € 5.000,- zou betalen, op 12 november 2012 nogmaals 6 5.000,- en op 12 november 2013 € 4.000,-. S Diving heeft het eerste bedrag van € 5.000,- betaald, maar de overige twee bedragen niet. De rechtbank zal dan ook de wettelijke rente over een bedrag van € 5.000,- toewijzen vanaf 12 november 2012 en de wettelijke rente over een bedrag van € 4.000,- vanaf 12 november 2013, beide tot aan de dag van algehele voldoening.

4.10.      Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim tot betaling van € 9.000,- na 1 juli 2012 is ingetreden.

4.11.       De rechtbank stelt vast dat Eiser voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is conform het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen conform het wettelijke tarief.

4.12.     Eiser heeft een vergoeding van € 173,25 aan BTW gevorderd over de buitengerechtelijke kosten. Deze vordering is slechts toewijsbaar als Eiser heeft gesteld en bij betwisting bewijst, dat hij geen ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 of dat hij als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht waarop de vordering betrekking heeft. Aangezien Eiser heeft gesteld dat hij de duiktanks als particulier en niet als ondernemer heeft verkocht aan S Diving en Gedaagden dit niet hebben betwist, zal deze vordering worden toegewezen.

4-13. Gedaagde 2 en Gedaagde 3 zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden begroot op:

 

- dagvaarding € 199,44

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 219,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat Totaal 500,00 (2 punten x tarief € 250,00)

---------
€ 918,44

 

4.14.        De nakosten, waarvan Eiser betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

in reconventie

4.15.     Gedaagde 2 en Gedaagde 3 stellen dat partijen zijn overeengekomen dat Eiser de kentekenplaten van de aanhangers zou overschrijven op een Nederlands kentekenbewijs. Volgens Gedaagde 2 en Gedaagde 3 heeft Eiser dit nagelaten, waardoor Gedaagde 2 en Gedaagde 3 genoodzaakt waren dit zelf te regelen. Gedaagde 2 en Gedaagde 3 hebben hierdoor ten onrechte € 1.500,- aan kosten gemaakt, die Eiser dient te betalen.

4.16.     Eiser betwist dat hij aansprakelijk is voor de door Gedaagde 2 en Gedaagde 3 (vermeend) gemaakte kosten. Eiser stelt dat hij de medewerking nodig had van Gedaagden om de kentekenplaten van de aanhangers over te schrijven. Eiser heeft Gedaagden meerdere keren om hun medewerking verzocht, maar die hebben zij niet verleend. Eiser betwist dat Gedaagden € 1.500,- hebben betaald voor de overschrijving. Dit bedrag wordt niet onderbouwd. De kosten voor overschrijving bedragen volgens Eiser maximaal

€ 166,20.

4.17.      Uit de overeenkomst blijkt niet binnen welk tijdsbestek en op welke wijze Eiser de kentekenplaten van de aanhangers diende over te schrijven op een Nederlands kentekenbewijs. Daar waar dit in de overeenkomst ontbreekt, hadden Gedaagde 2 en Gedaagde 3 op het moment dat zij van mening waren dat Eiser tekort schoot in de nakoming van zijn verplichtingen, Eiser erop moeten wijzen dat hij zijn verplichtingen diende na te komen. Niet is gebleken dat Gedaagde 2 en Gedaagde 3 dit hebben gedaan alvorens zij zelf ertoe over zijn gegaan de kentekens over te schrijven. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat Eiser tekort geschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen. Om die reden wordt de reconventionele vordering van Gedaagde 2 en Gedaagde 3 afgewezen.

4.18.     Gedaagde 2 en Gedaagde 3 zullen als de het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden begroot op:

 

- dagvaarding 0,00

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 300 (2 punten x tarief € 150,00)
Totaal

______  

€ 300.00

 

5. Beslissing

in conventie

5.1.       veroordeelt Gedaagde 2 en Gedaagde 3 hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan Eiser te betalen een bedrag van € 9.000,- (negenduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over€ 5.000,- vanaf 12 november 2012 en over€ 4.000,- vanaf 12 november 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.        veroordeelt Gedaagde 2 en Gedaagde 3 hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de buitengerechtelijke kosten, begroot op € 825,-, alsmede in de BTW over die buitengerechtelijke kosten, begroot op € 173,25,

5.3.       veroordeelt Gedaagde 2 en Gedaagde 3 hoofdelijk in de proceskosten, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 918,44.

5.4.        veroordeelt Gedaagde 2 en Gedaagde 3, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoen, hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

-  € 100,- aan salaris gemachtigde.

-  te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.       verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.       wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.7.       wijst af de vordering van Gedaagde 2 en Gedaagde 3,

5.8.       veroordeelt Gedaagde 2 en Gedaagde 3 in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 300,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.L.M. van Opstal en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2015.