Bevestiging dat mailadres in gebruik is leidt tot oordeel dat email is ontvangen

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde zijn kasteel in Frankrijk te koop aangeboden op haar website. Er is toen afgesptroken dat wanneer het kasteel gekocht zou worden door iemand die via deze website ermee in contact is gekomen, Gedaagde 1% van de vraagprijs aan Eiser zou geven. Het kasteel werd op deze manier verkocht, maar de Eiser gaf niet toe aan de 1% die Gedaagde zou krijgen. Gedaagde geeft als reactie dat deze overeenkomst niet bestaan heeft, en ontkent dat hij de e-mails die deze overeenkomst bewijzen heeft opgesteld. Gedaagde geeft echter tijdens de comparitie na antwoord aan dat het e-mailadres wel door hem werd gebruikt, waardoor de rechter oordeelt dat de 1% betaald moet worden. Gedaagde wordt als ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

Datum: 27 maart 2014
Rechtbank: Oost-Brabant, kanton Eindhoven
Zaaknummer: 879765/13-2268

Vonnis

in de zaak van:

de commanditaire vennootschap Eiser, gevestigd en kantoorhoudende te, eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde, wonende te, gemeente, gedaagde,

gemachtigde: mr. E.C.R.E.M. Corsten.

Partijen zullen hierna "Eiser" en "Gedaagde" worden genoemd.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:
a.    de dagvaarding;
b.    de conclusie van antwoord;
c.    de aantekeningen van de griffier van de comparitie na antwoord van 10 september 2013, ten behoeve waarvan Eiser stukken in het geding heeft gebracht die zowel aan de rechtbank als aan Gedaagde zijn toegezonden.
Tot slot is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Eiser vordert betaling van 6 6.545,-, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

2.2. Eiser legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Eiser heeft in opdracht van Gedaagde zijn kasteel in Frankrijk te koop aangeboden op haar website, waarbij tussen partijen is overeengekomen dat in geval het kasteel zou worden verkocht aan een persoon die Eiser heeft voorgedragen, Gedaagde een vergoeding aan Eiser is verschuldigd van 1% van de vraagprijs van het kasteel. Het kasteel is verkocht aan mevrouw F en mevrouw S. Deze personen zijn via Eiser bij Gedaagde aangebracht. Uit dien hoofde heeft Eiser een factuur van 30 mei 2012 van € 6.545,- aan Gedaagde gestuurd. Gedaagde heeft deze factuur ontvangen en zonder protest behouden. Eiser heeft geprobeerd de factuur zelf te incasseren, onder meer door het zenden van herhaaldelijke aanmaningen, maar zonder resultaat. Eiser is genoodzaakt geweest haar vordering uit handen te geven aan haar gemachtigde, waardoor Eiser buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden aan haar gemachtigde van € 702,25 exclusief btw. Eiser vordert naast betaling van de hoofdsom van € 6.545,- en rente, tot 4 april 2013 berekend op € 168,10, een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten van € 702,25. Dit is in totaal een bedrag van € 7.415,35, te vermeerderen met proceskosten, inclusief nakosten.

2.3. Gedaagde voert, samengevat, het volgende verweer. Gedaagde betwist dat tussen partijen een overeenkomst bestaat of heeft bestaan. Gedaagde had in 2003 of 2004 een hem in eigendom toebehorend kasteel in Frankijk te koop staan. Gedaagde werd destijds benaderd door  H, die Gedaagde toestemming verzocht dit kasteel op zijn website te plaatsen. Van een opdracht aan H tot verkoop dan wel bemiddeling is echter geen sprake geweest. Gedaagde was in ruil voor deze gunst vrij in het wel of niet vergoeden van 1% van de verkoopprijs. H noemde dit een herenakkoord.
Gedaagde betwist verder dat hij de e-mails heeft opgesteld en verzonden die Eiser heeft overgelegd. Eiser stelt dat de kopers van het kasteel via haar bij Gedaagde zijn aangebracht, maar ook dit betwist Gedaagde. Het is hem onbekend hoe de kopers zijn geattendeerd op het te koop staande kasteel. Subsidiair betwist Gedaagde de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De conclusie is dat de vordering van Eiser moet worden afgewezen.

2.4. Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal, voor zover van belang, onder de beoordeling worden teruggekomen.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast. Gedaagde was eigenaar van een kasteel in Frankrijk. Dit kasteel heeft negen jaar te koop gestaan en is in januari 2011 verkocht aan mevrouw D. F (hierna: F) en mevrouw S. Het kasteel is op enig moment te koop aangeboden op een website van  H (hierna: H).

3.2. Gedaagde heeft aangevoerd dat de vordering die Eiser op hem stelt te hebben geen rechtsgrond heeft. H heeft de site of zijn onderneming, waarmee hij handelde, verkocht aan een derde en het spreekt allerminst vanzelf dat daarmee de vordering is overgegaan op de nieuwe eigenaar, aldus Gedaagde. H heeft tijdens de comparitie van partijen aangegeven dat aanvankelijk zijn BV eigenaar was van de website, dat deze website is overgenomen door een Franse besloten vennootschap (A) en dat hij begin 2011 met een partner Eiser heeft opgericht. Volgens H heeft Eiser A overgenomen en voortgezet, waaronder begrepen de website die H exploiteerde alsmede de factuur aan Gedaagde waarvan thans betaling wordt gevorderd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Gedaagde, gelet op de nadere toelichting van Eiser, zijn verweer onvoldoende onderbouwd, zodat hieraan voorbij dient te worden gegaan. Het verweer van Gedaagde dat hem omtrent overdracht en/of levering van de aanspraak aan een derde nooit iets is medegedeeld gaat niet op, nu hij in ieder geval bij dagvaarding hiervan in kennis is gesteld.

3.3. Volgens Eiser is Gedaagde 1% van de vraagprijs van het kasteel verschuldigd nu zij in opdracht van Gedaagde zijn kasteel in Frankrijk te koop heeft aangeboden op haar website en het kasteel is verkocht aan personen die via Eiser bij Gedaagde zijn aangebracht. Gedaagde heeft betwist dat tussen partijen enige overeenkomst bestaat of heeft bestaan, anders dan dat Gedaagde in ruil voor zijn bereidheid om zijn kasteel op de website van H te plaatsen vrij was in het wel of niet vergoeden van 1% van de verkoopprijs.

3.4. De kantonrechter stelt vast dat H in een e-mail van 25 april 2009 aan Gedaagde heeft geschreven (producties 5 en 7 van Eiser):

"(...) Verder nog even over de prijs. Ik zie datje de prijs met makelaarskosten op 550.000 hebt gezet. Kunnen we de netto-prijs vermelden? Er zit immers niemand meer tussen, afgezien van mijn procentje. (...)"

en dat Gedaagde op 25 april 2009 daarop heeft geantwoord:

(...) Deze verkoopprijs van 550.000,- houden we aan als nettoprijs jouw procentje zoals je het noemdt [kantonrechter: noemt] zit daar dan in. Die 5500 zal ik dan toch ook makkelijk kunnen betalen met uw wel nemen als iemand Morin koopt voor dat geld, (...)".

3.5. Naar het oordeel van de kantonrechter dient het verweer van Gedaagde, dat het hem vrij stond om wel of niet 1% van de verkoopprijs te vergoeden, gelet op het voorgaande te worden verworpen als onvoldoende onderbouwd. Aan bewijs wordt niet toegekomen. Dit betekent dat in deze procedure is vast komen te staan dat (de rechtsvoorgangster van) Eiser het kasteel van Gedaagde te koop zou aanbieden op haar website voor een vraagprijs van € 550.000,- en dat Gedaagde, in geval van een verkoop via (de rechtsvoorgangster van) Eiser, hiervoor € 5.500,- zou betalen.

3.6. De kantonrechter stelt verder vast dat F op 20 oktober 2010 een bericht heeft verstuurd aan ..@.., waarin is vermeld (productie 8 van Eiser):

"EISER - Uw advertentie nummer 147103 - informatieaanvraag. REACTIE VIA EISER, Hieronder vindt u een bericht van iemand die reageert op uw advertentie op Eiser. (...) Bonsoir, Je suis a la recherche d un bien qui pourrait correspondre a celui que vous proposez a la vente pour un projet d'hébergement touristique. Pourriez-vous me contacter par mail SVP et me confirmer déja que votre propriété sur Damazan est toujours a la vente? merci d'avance. F (...)".

3.7. Gedaagde heeft tijdens de comparitie na antwoord bevestigd dat het e-mailadres door hem werd gebruikt. Dit betekent dat in deze procedure eveneens is komen vast te staan dat F via (de rechtsvoorgangster van) Eiser bij Gedaagde is gekomen. Tussen partijen staat vast dat F het kasteel van Gedaagde heeft gekocht, zodat Gedaagde de overeengekomen vergoeding van € 5.500,- aan Eiser is verschuldigd. De vordering van Eiser tot betaling van € 5.500,- zal worden toegewezen. De daarover gevorderde btw zal worden afgewezen, nu daarvoor in deze procedure geen grondslag is gesteld dan wel is gebleken. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 14 juni 2012, nu daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

3.8. Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien het verzuim vóór 1 juli 2012 is ingetreden zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Het gevorderde bedrag van € 702,25 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen, gelet op de hoogte van het te incasseren bedrag en op hetgeen met betrekking tot de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden bij dagvaarding is vermeld.

3.9. Gedaagde wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van € 6.202,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.500,- vanaf 14 juni 2012 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van Eiser tot heden begroot op:

€ 76,71 aan explootkosten,
€ 448,- aan griffierecht en
€ 500,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

veroordeelt Gedaagde in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 100,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), onder de voorwaarde dat Gedaagde niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan het vonnis heeft voldaan;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Smorenburg, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2014.