Bevoegdheid kantonrechter te laat betwist

Tussen partijen is een overeenkomst gesloten, waarbij de eiser de aandelen in X heeft verkocht aan Gedaagde voor een bedrag van € 9.000,-.   De gedaage betaalt deze betaling niet. De gedaagde heeft als beste verweer gegeven dat de kantonrechter in deze zaak onbevoegd is, nu tussen partijen een geschillenregeling middels arbitrage is overeengekomen. De kantonrechter zegt dat de gedaagde dit uiterlijk in zijn conclusie van antwoord had moeten aanvoeren. Nu hij dat niet heeft gedaan en pas in de zitting heeft gesteld dat sprake is van onbevoegdheid, gaat de kantonrechter aan dat verweer voorbij. De vordering wordt dan ook toegewezen.

Datum: 16 mei 2012
Rechtbank: Utrecht, Sector kanton, Locatie Utrecht
Zaaknummer: 784491 UC EXPL 11-18790

Vonnis

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser,

gevestigd te, verder ook te noemen EISER, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung / IntoCash, tegen:

Gedaagde, wonende te verder ook te noemen Gedaagde, gedaagde partij, procederende in persoon.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 25 januari 2012.

De comparitie is gehouden op 28 maart 2012. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

Vaststaande feiten

Tussen partijen is een overeenkomst gesloten, waarbij EISER de aandelen in X heeft verkocht aan Gedaagde voor een bedrag van € 9.000,-. In de notariële akte van 16 februari 2009 staat onder meer vermeld:

Geschillen Artikel 7
Alle geschillen die naar aanleiding van deze overeenkomst mochten ontstaan zullen tussen partijen (...) worden beslecht door drie scheidslieden. De scheidslieden zullen door het Nederlandse Arbitrage Instituut op verzoek van de meest gerede partij worden benoemd en zij zullen het geschil beslechten bij wege van arbitrage (...)

KWIJTING
De verkoper verklaart de koopprijs van koper te hebben ontvangen en verleent koper daarvoor bij deze kwijting. (...)

Gedaagde heeft het bedrag van € 9.000,- niet betaald.

De vordering

EISER heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen om aan EISER te voldoen € 9.000,-, te vermeerderen met een bedrag aan rente van € 1.607,33 berekend tot 1 november 2011 en de wettelijke rente vanaf 1 november 2011 en € 800,- aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten.

Ter onderbouwing van die vordering stelt EISER dat Gedaagde jegens EISER toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst door een bedrag van € 9.000,- terzake een aandelentransactie, ondanks sommaties, onbetaald te laten. EISER maakt voorts aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu Gedaagde in verzuim is geraakt en EISER de vordering uit handen heeft moeten geven.

Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het geschil en de beoordeling daarvan

Gedaagde heeft als meest verstrekkend verweer ter zitting aangevoerd dat de kantonrechter in deze zaak onbevoegd is, nu tussen partijen een geschillenregeling middels arbitrage is overeengekomen. De kantonrechter overweegt dat het verweer dat de kantonrechter niet bevoegd is in het onderhavige geval op straffe van verval gevoerd had moeten worden vóór alle weren. Dat betekent dat Gedaagde uiterlijk in zijn conclusie van antwoord had moeten aanvoeren dat de kantonrechter niet bevoegd zou zijn. Nu hij dat niet heeft gedaan en pas ter zitting heeft gesteld dat sprake is van onbevoegdheid, gaat de kantonrechter aan dat verweer voorbij.

Gedaagde heeft voorts gesteld dat in de notariële akte onder de kop "kwijting" is opgenomen dat de koopprijs door de verkoper, EISER, is ontvangen en dat daarom geen sprake is van een nog verschuldigd bedrag. De kantonrechter overweegt dat sprake is van een notariële akte die op grond van artikel 157 Rv dwingend bewijs oplevert. Gedaagde heeft echter ter zitting zelf (ook) erkend dat hij het bedrag van € 9.000,-, anders dan in de akte staat vermeld, nog niet aan EISER heeft betaald. Gedaagde heeft daarbij verklaard dat hij (ook) niet weet hoe de kwijting in de akte is terechtgekomen. Daaruit volgt dat partijen kennelijk niet zijn overeengekomen dat de betaling van € 9.000,- alleen op papier zou plaatsvinden. Dat brengt met zich dat Gedaagde het bedrag in beginsel alsnog aan EISER is verschuldigd.

In de conclusie van antwoord heeft Gedaagde verder nog aangegeven dat tussen partijen allerlei andere zaken spelen en dat hij van mening is dat hij, mede op grond van een door partijen opgestelde verklaring, nog een vordering heeft op EISER van ten minste € 20.000,-. Uit de door Gedaagde bedoelde intentieverklaring volgt echter niet dat Gedaagde een vordering op EISER zou hebben van een dergelijke omvang. Gedaagde heeft deze vordering verder ook niet onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van EISER tot betaling van een bedrag van € 9.000,- worden toegewezen.

EISER heeft over voornoemd bedrag de wettelijke rente gevorderd vanaf 1 januari 2008, zijnde de datum waarop de aandelen (boekhoudkundig) zijn overgedragen aan Gedaagde. De notariële akte ten aanzien van deze aandelentransactie is echter pas op 16 februari 2009 opgesteld. Voorts is in de akte op geen enkele wijze opgenomen wanneer en op welke wijze het bedrag van € 9.000,- zou moeten worden betaald. Weliswaar brengt dat met zich dat het bedrag vanaf 16 februari 2009 opeisbaar was, maar Gedaagde was toen nog niet in verzuim. In de door EISER overgelegde sommatiebrief van 15 december 2010 wordt betaling van voornoemd bedrag gevorderd, met daarbij een betalingstermijn van vijf dagen. Gelet daarop zal de kantonrechter de wettelijke rente, nu deze overigens niet is betwist, toewijzen vanaf de datum van verzuim, zijnde 20 december 2010.

EISER heeft voorts een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. EISER heeft niet of onvoldoende gesteld, gespecificeerd en/of onderbouwd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en/of moeten worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten, reden waarom de kosten waarvan EISER vergoeding vordert, moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De kantonrechter zal dit onderdeel van de vordering afwijzen.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van EISER worden begroot op:

dagvaarding € 90,81
griffierecht € 426,00
salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten x tarief € 250,00)
Totaal € 1.016,81

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan EISER tegen bewijs van kwijting te betalen € 9.000,- met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 20 december 2010 tot de voldoening;

veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van EISER, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.016,81, waarin begrepen € 500,- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.