Bezwaren omtrent vordering niet meer mogelijk na beslissing geschillencommissie

Tussen partijen bestaat een geschil dat zij hebben voorgelegd aan de Geschillencommissie Relatiebemiddeling (GCR). Gedaagde is daar destijds ook mee akkoord gegaan. De geschillencommissie heeft over dit geschil een beslissing gegeven. In deze beslissing is de klacht van Eiser gegrond verklaard en hoger beroep is hierbij niet mogelijk. Gedaagde moet dus een bedrag aan Eiser betalen, maar dit heeft hij niet gedaan. De rechter oordeelt dat het voor Gedaagde nu ook niet meer mogelijk is om bezwaren aan te voeren. Dit had hij in het juiste termijn na de beslissing moeten doen, maar heeft dit niet gedaan. Alle argumenten van de partijen hoeven verder dan ook niet besproken te worden. De kosten die dit alles met zich mee hebben gebracht komen voor rekening van Gedaagde.

Datum: 4 maart 2015
Rechtbank: Rechtbank Gelderland
Zaaknummer: 3573308 - 7802/14

vonnis

inzake

Eiser,

wonende te, eisende partij,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntroCash te Rotterdam,

tegen:

1. de vennootschap onder firma Gedaagde V.O.F., gevestigd te,

2. vennoot van gedaagde sub 1,

3. vennoot van gedaagde sub 1, gedaagde partijen,

schriftelijk procederend.

Partijen worden hierna Eiser en Gedaagde c.s. genoemd.

1. Het procesverloop

1.1. Dit verloop blijkt uit:

* de dagvaarding

* de schriftelijke reactie daarop van Gedaagde c.s.

* de conclusie van repliek

* de reactie op de conclusie van repliek van Gedaagde c.s.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.

2.  Het geschil

2.1.  Eiser vordert op gronden als door hem in de dagvaarding omschreven, bij voorraad uitvoerbare hoofdelijke veroordeling van Gedaagde c.s., des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan hem tegen deugdelijk bewijs van kwijting te betalen een totaalbedrag van € 2.442,74, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.046,00 vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, kosten rechtens, alsmede de nakosten, indien en voor zover Gedaagde c.s. niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een in goede justitie redelijk geachte termijn, na betekening van het te wijzen vonnis, heeft voldaan.

2.2. Gedaagde c.s. heeft verweer tegen de vordering gevoerd. Hierop zal, voor zover van belang, hierna nader op worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat vast dat zij het tussen hen ontstane geschil hebben voorgelegd aan de Geschillencommissie Relatiebemiddeling, hierna te noemen GCR. Gedaagde c.s. is daar destijds ook mee akkoord gegaan.

Door de Geschillencommissie is op 12 mei 2014 een beslissing gegeven, waarbij de klacht van Eiser gegrond is verklaard. Beslist is verder dat Gedaagde c.s. aan Eiser een bedrag van € 2.046,00 moet terugbetalen en dat hoger beroep tegen die beslissing niet mogelijk is.

Verder staat vast dat Gedaagde c.s. niet tot betaling aan Eiser is overgegaan.

3.2. Anders dan Gedaagde c.s. stelt, gaat het nu niet meer aan bezwaren aan te voeren tegen de uitspraak van de Geschillencommissie en tegen die commissie op zich. Als zij het al niet met het bindend advies eens was, had Gedaagde c.s. de mogelijkheid dat advies binnen de daarvoor gestelde termijn te vernietigen door het ter toetsing voor te leggen aan de rechter. Van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

Dit betekent dat de vordering van Eiser tot betaling van hetgeen hem volgens dat gegeven advies toekomt, vermeerderd met de wettelijke rente, toewijsbaar is.

3.3. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten kunnen worden toegewezen. Door het nalaten van Gedaagde c.s. heeft zij Eiser in de positie gemanoeuvreerd een incassogemachtigde in te schakelen. De kosten die dat met zich brengt behoren onder die omstandigheden voor risico en rekening van Gedaagde c.s. te komen.

3.4. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Gedaagde c.s. in de kosten van deze procedure veroordeeld worden, als hierna te melden.

3.5. De door partijen aangevoerde argumenten die niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan Eiser tegen deugdelijk bewijs van kwijting te betalen een totaalbedrag van € 2.442,74, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.046,00 vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde c.s. in de kosten van dit geding tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op:

€ 93,80 voor explootkosten € 462,00 voor griffierecht € 300,00 voor salaris gemachtigde

€ 75,00 voor nakosten, indien en voor zover Gedaagde c.s. niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis daaraan heeft voldaan;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beslissing is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.