Boober lening - gezamenlijk vorderingsrecht en dus ondeelbaar

Boober hield zich bezig met 'crowdfunding'. Zo kwamen er particuliere geldverschaffers ('uitleners') en geldbehoevende ('inleners') die elkaar konden vinden. Het contact tussen beide liep via Boober. Toen Boober in 2009 failliet ging kwam er dus een hoop verwarring tussen partijen, die nogsteeds anoniem voor elkaar waren. SBAG (eiser) is een stichting die zich bezighoud met de afwikkeling van deze leningen. De gedaagde had toentertijd een lening bij boober afgesloten en Eiser vordert daar nu betaling van. Gedaagde stelt dat hij een lening met Boober heeft afgesloten en niet met de Eiser. Gedaagde wil niet het risico lopen dat hij vervolgens dubbel moet betalen. De hoogte van de geldlening is echter niet betwist. Dit deel van de vordering wordt toegewezen samen met de wettelijke rente. De andere kosten worden afgewezen.

Datum: 19 november 2014
Rechtbank: Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummer: 3152162 \ CV EXPL 14-2689 (NE)

vonnis

de stichting Eiser statutair gevestigd en kantoorhoudende te, eisende partij

verder ook te noemen: Eiser

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, rechtskundige

tegen

1.          Gedaagde 1

2.          Gedaagde 2

beiden wonende te, gedaagde partij

verder ook te noemen: gezamenlijk Gedaagde c.s. en afzonderlijk respectievelijk Gedaagde 1 en Gedaagde 2

procederend in persoon.

Het procesverloop

1. Bij dagvaarding van 2 juni 2014 heeft Eiser een vordering ingesteld. Gedaagde c.s. heeft een conclusie van antwoord genomen. Eiser heeft vervolgens bij conclusie van repliek op het antwoord gereageerd, waarna Gedaagde c.s. schriftelijk van dupliek heeft gediend.

2. Vervolgens is op vandaag uitspraak bepaald.

De feiten

3. Boober Nederland B.V. (voorheen handelend onder de naam Boober Benelux B.V.), hierna: Boober, is op 24 januari 2007 opgericht en hield zich bezig met 'crowdfunding'. Boober gaf aan gebruikers toegang tot een elektronisch platform waarop particuliere geldverschaffers ('uitleners') en geldbehoevenden ('inleners') elkaar op basis van anonimiteit konden vinden. In dat kader bood Boober administratieve ondersteuning ter zake de totstandkoming van een overeenkomst tussen de uitleners en de inlener, het beheer en de incasso van de via het platform aangeboden leningen. Het contact tussen de uitleners en de inlener verliep gedurende de looptijd van de lening via Boober.

4. Zowel uitleners als inleners dienden voordat zij gebruik konden maken van het platform van Boober een gebruikersovereenkomst met Boober aan te gaan.

5. Gedaagde c.s. is op 20 januari 2008 met Boober een gebruikersovereenkomst aangegaan.

6. Deze gebruikersovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

"(...)  IN AANMERKING NEMENDE

-   Boober exploiteert de website www.boober.nl waarop particuliere gebruikers van de website gelden kunnen inlenen van en/of uitlenen aan - louter particuliere — andere gebruikers;

-   Boober faciliteert daarmee (slechts) een platform op internet waarmee gebruikers elkaar kunnen vinden en faciliteert de incasso van aldus tot stand gekomen geldleningen;

(...)

2.1 De gebruiker die optreedt als inlener (ook wel aangeduid als de "Inlener ") kan een leningaanvraag uitschrijven op de site van Boober en zal daarin ten behoeve van gebruikers die willen optreden als uitlener (ook wel aangeduid als Uitlener(s) de essentialia van de gewenste leningovereenkomst, bestaande uit het bedrag, de looptijd, de rente en het afbetalingsschema voorstellen. Gebruikers die willen optreden als Uitlener kunnen gedurende een periode van maximaal 14 dagen op deze lening inschrijven. Als de lening binnen deze periode is voltekend, komt de leningovereenkomst tot stand tussen de Uitleners voor de delen waarop zij hebben ingeschreven enerzijds en de Inlener anderzijds. Onder voltekend wordt verstaan een inschrijving van 100% op de uitgeschreven lening. De Inlener en de Uitleners ontvangen van Boober een email ter bevestiging van de totstandkoming van de leningovereenkomst. Op de aldus tot stand gekomen leningovereenkomst tussen de Inlener en de Uitlener zijn de bepalingen uit deze verklaring van toepassing.

(...)

3.1 De Uitlener verleent hierbij aan Boober uitdrukkelijk last en volmacht, bij uitsluiting van deze gebruiker, voor hem uitvoering te geven aan door hem gesloten leningovereenkomst teneinde het door hem ter leen verstrekte onmiddellijk door te betalen aan de Inlener en terugbetalingen inclusief rente en kosten voor hem te incasseren. Boober treedt hierbij op namens en voor rekening en risico van Uitlener. De onderhavige volmacht wordt onherroepelijk en onvoorwaardelijk verstrekt.

(...)

4.1 De door de Inlener ingevolge de leningovereenkomst aangegane verbintenissen zijn, ook voor diens rechtsopvolgers, ondeelbaar.

8.9 Boober biedt slechts een platform waar de gebruiker naar eigen inzicht leningen met andere gebruikers kan afsluiten. Boober adviseert niet bij het afsluiten van de lening. Boober is niet aansprakelijk voor fraude door gebruikers.

(...)"

7. Gedaagde c.s. heeft onder de naam "shuttles" een leningaanvraag met de door hem gewenste essentialia (€ 5.000,00 tegen 18 % rente per jaar en 48 maandelijkse aflossingstermijnen van € 144,07) op de website van Boober geplaatst onder leningnummer 781. De aanvraag is voltekend. Het bedrag van de lening is door 29 uitleners bijeengebracht.

8. Omdat betaling van één van de uitleners is gestorneerd, is aan Gedaagde c.s. uiteindelijk € 4.950,00 geleend.

9. Op 13 maart 2008 heeft Gedaagde c.s. een betaling van € 4.760,00 (= € 4.950,00 -/- € 190,00 commissie) ontvangen van Boober.

10. Gedaagde heeft via Boober een totaalbedrag van € 1.296,63 op de lening afgelost.

11. Op 4 augustus 2009 is Boober in staat van faillissement verklaard. De aan Boober verleende last en volmacht is met dit faillissement geëindigd.

12. Een groot aantal uitleners (80%) heeft zich verenigd in de Stichting Boober Afwikkeling Gebruikersovereenkomst (Eiser) om namens hen op te treden.

13. De verklaring van de curator in het faillissement van Boober, mr. Chr. Groenewoud, luidt, voor zover relevant, als volgt:

"Hierbij verklaar ik (...) dat ik de door mij bij aanvang van het faillissement aangetroffen administratie onder voorwaarden ter beschikking heb gesteld aan de Stichting Boober Afwikkeling Gebruikersovereenkomsten (hierna te noemen: "Eiser") ter afwikkeling van de geldleningsovereenkomsten die middels het platform van Boober tussen uitleners en inleners zijn gesloten. Zoals ook blijkt uit mijn faillissementsverslagen, meen ik dat Boober geen partij was bij de geldleningsovereenkomsten die zijn gesloten tussen de in- en de uitleners. (...) Thans dienen de in- en uitleners de geldleningsovereenkomsten derhalve onderling af te wikkelen, hetgeen Eiser zich ten doel heeft gesteld.

(...) Daar bevonden zich onder meer overeenkomsten tussen Boober en uitleners en overeenkomsten tussen Boober en inleners. Ik benadruk daarbij nogmaals dat het geen geldleningsovereenkomsten betroffen, maar gebruikersovereenkomsten van het platform van Boober. (...)"

14. Middels een overeenkomst van lastgeving van 9 mei 2014 is door Eiser als lastgever aan de heer S (hierna: S) als lasthebber de last gegeven om in verband met onderhavige geldlening procedures te voeren en andere rechtsmiddelen aan te wenden, schikkingen te treffen en verder datgene te doen wat de lasthebber in het belang van de lastgever gewenst, nuttig of noodzakelijk zal achten.

Het geschil

15. Eiser vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

a. de hoofdsom van € 5.618,73;

b. de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tot 20 mei 2014 ad €384,66;

c. de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 20 mei 2014 tot de dag van betaling;

d. de buitengerechtelijke incassokosten primair op grond van de gebruikersverklaring ad € 842,81 en de btw daarover van € 176,99 en subsidiair op grond van de wet van € 655,94 en de btw daarover van € 137,75;

e. de proceskosten, waaronder de kosten van de dagvaarding;

f.  de nakosten ten bedrage van 50 % van het geldende salaris gemachtigde voor zover niet binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis is voldaan.

16. Eiser stelt daartoe - kort weergegeven - het volgende.

Door het faillissement is de aan Boober verleende last en volmacht geëindigd. Dit betekent dat de administratieve afhandeling van de via de website van Boober afgesloten leningen en de afbetalingen daarvan in het vervolg direct tussen de uitleners enerzijds en de inlener anderzijds geregeld diende te worden. Eiser is opgericht om voor de Uitleners gelden te ontvangen, te beheren en te betalen voor c.q. aan de uitleners. Eiser heeft in nauw contact met de curator de administratieve taken en incassowerkzaamheden overgenomen en van de curator een deel van de administratie ontvangen. Ongeveer 80 % van de uitleners zijn aangesloten bij Eiser en hebben daartoe een deelnemersverklaring ondertekend. Voor iedere lening is een vertegenwoordigd deelnemer dan wel leningscoördinator aangewezen. De leningscoördinator heeft van de overige bij de lening betrokken uitleners een onbeperkte volmacht gekregen. Voor onderhavige lening heeft S als leningscoördinator namens alle schuldeisers Gedaagde c.s. aangesproken tot terugbetaling van het restant van de lening ad 6 5.618,73. Ondanks herhaalde aanmaning is Gedaagde c.s. niet tot betaling overgegaan.

17. Gedaagde c.s. heeft verweer gevoerd. Daartoe stelt Gedaagde c.s. dat zij een lening bij Boober heeft afgesloten. Na het faillissement heeft Gedaagde c.s. tot het moment dat hij medio 2012 een brief van S ontving met het verzoek tot terugbetaling van de lening, niets over de lening vernomen. Gedaagde c.s. heeft aan S verzocht een getekende overeenkomst te verstrekken. S gaf aan dat er geen overeenkomst is, maar volgens Gedaagde c.s. was er destijds wel een overeenkomst. Gedaagde c.s. wil niet het risico lopen dat hij wordt geconfronteerd met de overeenkomst en vervolgens dubbel moet betalen. Gedaagde c.s. stelt zich op het standpunt dat het aan Eiser te wijten is dat het tot een procedure is gekomen. Tot slot voert Gedaagde c.s. verweer tegen de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten.

De beoordeling

18. Eiser baseert haar vordering op een tussen de uitleners en Gedaagde c.s. als inlener tot stand gekomen overeenkomst van geldlening. Ter onderbouwing hiervan heeft Eiser de gebruikersovereenkomst tussen Boober en Gedaagde c.s. van 20 januari 2008 overgelegd, alsmede de overschrijvingen van de uitleners aan Boober en het bewijs van overmaking op 13 maart 2008 van € 4.760,00 door Boober aan Gedaagde c.s. onder vermelding van "lening 781 1785 CK Den Helder". Verder legt Eiser een overzicht over waaruit blijkt dat Gedaagde c.s. negen aflossingen heeft verricht en hiermee € 1.296,63 heeft afgelost aan de uitleners.

19. Gedaagde c.s. betwist een overeenkomst van geldlening gesloten te hebben met Eiser dan wel met de bij haar verenigde uitleners. Anders dan Gedaagde c.s. stelt volgt uit de tot de processtukken behorende stukken dat hij niet met Boober een geldleningsovereenkomst heeft gesloten, maar met de uitleners. Hoewel het contact verliep met Boober, blijkt uit de door Gedaagde c.s. getekende gebruikersovereenkomst dat de geldleningsovereenkomst, nadat de lening aanvraag is voltekend, tot stand komt tussen de uitleners en de inlener en dat hiervan een bevestiging wordt gestuurd naar de betrokken partijen. Vast staat derhalve dat tussen Gedaagde c.s. en de uitleners vermeld in productie 3 en 4 bij dagvaarding een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen.

20. Het verweer van Gedaagde c.s. komt er tevens op neer dat een overeenkomst ontbreekt, waarop de schuldeisers (uitleners) en Gedaagde c.s. als schuldenaar (inlener) staan vermeld, alsmede het bedrag van de lening en de voorwaarden. De kantonrechter constateert dat Eiser heeft nagelaten afdoende met stukken onderbouwd te stellen dat zij namens alle 29 uitleners optreedt waarmee de geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. Eiser heeft slechts aangevoerd dat 80 % van de uitleners bij Eiser is aangesloten en aan Eiser opdracht is gegeven de gebruikersovereenkomsten af te wikkelen. Het lag op de weg van Eiser om haar vorderingsrecht op Gedaagde c.s. aan de hand van de aan haar verstrekte gegevens nader te onderbouwen. Dit klemt temeer omdat de overeenkomst via Boober tot stand is gekomen met niet met naam genoemde uitleners als feitelijke wederpartij en het beheer en de incasso door het faillissement toekomt aan de uitleners.

21. Echter Eiser heeft ook aangevoerd aan dat de verbintenissen van Gedaagde c.s. uit de geldleningsovereenkomst ondeelbaar zijn en dus sprake is van één gezamenlijk vorderingsrecht van de uitleners. Het volgende wordt hiertoe overwogen.

22. In beginsel is een geldschuld aan twee of meerdere schuldeisers deelbaar. Uit artikel 6:15, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit echter voort dat uit wet, gewoonte of rechtshandeling kan voortvloeien dat de schuldeisers één vorderingsrecht hebben. Hiervan is sprake als de prestatie ondeelbaar is (tweede lid van voornoemd artikel). Dit heeft tot gevolg dat de regels met betrekking tot de gemeenschap (artikel 3:166 en verder BW) van toepassing zijn.

23. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 4.1 van de gebruikersovereenkomst is bepaald dat de verbintenissen van de inlener ondeelbaar zijn. Op zowel de uitleners als de inlener is de gebruikersovereenkomst van toepassing. In casu is dan ook sprake van één vorderingsrecht van de uitleners. Volgens artikel 3:170, tweede lid BW zijn de uitleners slechts tezamen bevoegd de vordering te innen, maar kunnen zij ook een andere regeling treffen. Eiser heeft geen deelnemersverklaringen van de aangesloten uitleners overgelegd en dan ook niet is gebleken dat namens alle deelnemers een regeling is getroffen tot het innen van de vordering. Echter op grond van artikel 3:171 BW is iedere deelgenoot (uitlener) bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen. Voor zover geen beheerregeling is getroffen is iedere uitlener derhalve afzonderlijk hiertoe bevoegd. Nu uit de processtukken blijkt dat in ieder geval één uitlener, te weten S, is aangesloten bij Eiser, is Eiser bevoegd namens deze uitlener te procederen.

24. Het feit dat de uitleners gezamenlijk één vorderingsrecht hebben, betekent dat een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap slechts dat ene (gehele) vorderingsrecht kan betreffen. Dit sluit uit dat een uitlener die niet is aangesloten bij Eiser voor zichzelf een rechterlijke uitspraak kan verlangen ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de vordering. De bij Eiser aangesloten uitleners zijn aan het in deze te wijzen vonnis gebonden.

25. De kantonrechter is van oordeel dat als onbetwist is komen vast te staan dat Gedaagde c.s. het bedrag van de geldlening via Boober van de uitleners heeft ontvangen. Daarnaast staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat de hoogte van de oorspronkelijke vordering van de uitleners € 6.815,04 (inclusief rente en exclusief commissie aan Boober) bedraagt en dat Gedaagde c.s. op de vordering € 1.296,63 heeft afgelost. Dit leidt tot de conclusie dat Gedaagde c.s. € 5.518,41 onbetaald hééft gelaten. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen. Dit.bedrag wijkt af van de door Eiser gevorderde hoofdsom van € 5.618,73, nu laatstgenoemd bedrag mede de aan Boober verschuldigde commissie bevat, welke niet toekomt aan de uitleners.

26. Nu Gedaagde c.s. in verzuim is met betaling van de hoofdsom is de gevorderde wettelijke rente eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de ingangsdatum hiervan 15 december 2013 is. Hoewel de brief van 1 oktober 2012, productie 10 bij dagvaarding, ook als een ingebrekestelling kan worden beschouwd, wordt Gedaagde c.s. in deze brief slechts gesommeerd voor 8 oktober 2012 de maandelijkse aflossingen te hervatten. In de brief van 10 december 2013 wordt Gedaagde c.s. aangemaand binnen vijf dagen na dagtekening van de brief de hoofdsom te betalen. Anders dan Eiser betoogt kunnen de vervaltermijnen van de aflossingen niet als verzuimdata gelden. Door het faillissement van Boober kon Gedaagde c.s. immers niet meer aan de verbintenis voldoen, omdat hij onbekend was met de identiteit van de uitleners.

27. De door Eiser verzonden aanmaningen voldoen niet aan de in artikel 6:96, zesde lid, BW gestelde eisen, nu gesteld noch gebleken is dat aan Gedaagde c.s. een aanmaning is verzonden waarin aan hem een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven, zoals vereist door artikel 6:96, zesde lid, BW. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.

28. Ten aanzien van de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. Door het faillissement en het verstrijken van tijd is onduidelijkheid ontstaan bij Gedaagde c.s. Weliswaar ontslaat dit hem niet uit zijn verplichtingen en had Gedaagde c.s. uit de stukken kunnen opmaken dat een overeenkomst tussen hem en de uitleners tot stand was gekomen, maar gelet op artikel 3:170, eerste lid, BW zijn de uitleners slechts tezamen bevoegd de vordering te innen. Gesteld noch gebleken is dat de uitleners tezamen met Eiser een (beheersjregeling zijn aangegaan. Aan Eiser kan worden verweten dat zij aan Gedaagde c.s. hierin geen inzage heeft verschaft. Dat de uitleners afzonderlijk kunnen procederen maakt het vorenstaande niet anders. Dit leidt tot de conclusie dat de gevorderde proceskosten worden afgewezen.

Be beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Gedaagde c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan Eiser [tegen behoorlijk bewijs van kwijting] te betalen een bedrag van 6 5.518,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2013 tot de dag van betaling.

Verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. van der Linde, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en op 19 november 2014 in het openbaar uitgesproken.