Boober lening - leningscoördinator is gevolmachtigd om betaling te vorderen

Boober hield zich bezig met 'crowdfunding'. Zo kwamen er particuliere geldverschaffers ('uitleners') en geldbehoevende ('inleners') die elkaar konden vinden. Het contact tussen beide liep via Boober. Toen Boober in 2009 failliet ging kwam er dus een hoop verwarring tussen partijen, die nogsteeds anoniem voor elkaar waren. SBAG (eiser) is een stichting die zich bezighoud met de afwikkeling van deze leningen. Gedaagde heeft in 2008 op de website van Boober een bedrag van €10.000 geleend met een looptijd van 36 maanden tegen een rente van 17%. Deze lening is via Boober verstrekt door 53 uitleners. Gedaagde is bij e-mail van 25 juni 2010 geïnformeerd over de rol van de stichting en het door hem te betalen restant bedrag. Gedaagde voert als verweer dat hij niets te maken heeft met de stichting. Hij heeft immers een ondeelbare overeenkomst gesloten met zijn 53 uitleners. Voor de terugbetaling is medewerking van alle uitleners noodzakelijk. De stichting zou volgens hem niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt de kantonrechter het volgende. In beginsel is een geldschuld aan twee of meerdere schuldeisers deelbaar. Op grond Van artikel 6:15 lid 1 BW kan uit de wet, de gewoonte of een rechtshandeling voortvloeien dat de schuldeisers één vorderingsrecht hebben. In artikel 4.1 van de gebruikersverklaring, die zowel op de inlener als op de uitleners van toepassing is, is bepaald dat de verbintenissen van de inlener, in casu Gedaagde, ondeelbaar zijn. Er is dan ook slechts sprake van één vorderingsrecht van de uitleners. Immers slechts 50 van de 53 uitleners hebben zich bij de stichting gemeld. Op grond van artikel 3:171 BW is echter iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen. De stichting is derhalve ontvankelijk in haar vordering. De rechter veroordeelt gedaagde om de stichting het restant van zijn lening te betalen plus de rente en alle proceskosten.

Datum: 25 februari 2015
Rechtbank: Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummer: 3276628 MC EXPL 14-9162

Vonnis

inzake,

Stichting Boober Afwikkeling Gebruikersovereenkomsten, statutair gevestigd te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y Cheung (IntoCash),

tegen:

Gedaagde,

wonende te, hierna te noemen Gedaagde, gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C.A.W.M. Fiscalini.

1.        De procedure

1.1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:

-           de dagvaarding, met producties;

-           de conclusie van antwoord;

-           de conclusie van repliek met producties;

-           de conclusie van dupliek.

1.2.      Ten slotte is vonnis bepaald.

2.        De feiten

2.1.      Boober Nederland B.V. (voorheen handelend onder de naam Boober Benelux B.V.), nader te noemen Boober, exploiteerde vanaf 2007 een website waarop op basis van anonimiteit particuliere gebruikers geld konden inlenen en/of uitlenen aan andere particuliere gebruikers. Het contact tussen de uitleners en de inlener verliep gedurende de looptijd van de lening via Boober. Boober bood aldus een platform waar de gebruiker naar eigen inzicht leningen met andere gebruikers kon afsluiten.

2.2.         Zowel uitleners als inleners dienden, voordat zij gebruik konden maken van de diensten van Boober, een gebruikersovereenkomst, ook wel genoemd gebruikersverklaring, met Boober aan te gaan.

2.3.          Volgens artikel 2 van de gebruikersverklaring werkte Boober als volgt. Een potentiële inlener plaatste een leningaanvraag op de website van Boober. Bij deze aanvraag werd de hoogte van het te lenen bedrag, de looptijd van de lening, de te vergoeden rente en het aflossingsschema vermeld. Potentiële uitleners konden daarna gedurende veertien dagen intekenen op de lening. Zodra de leningaanvraag binnen voornoemde periode voltekend raakte, kwam tussen de inlener en de uitleners een overeenkomst tot stand. Uitleners en inleners bleven daarbij voor elkaar anoniem. De door de inlener ingevolge de leningovereenkomst aangegane verbintenissen zijn, ook voor diens rechtsopvolgers, ondeelbaar zo is bepaald in artikel 4.1 van de gebruikersverklaring.

2.4.         Gedaagde heeft op 24 januari 2008 de gebruikersverklaring Boober ondertekend.

2.5.         Gedaagde heeft vervolgens op de website van Boober aangegeven als inlener onder de naam "SarahJane" € 10.000,00 te willen lenen voor woningverbetering. De aangegeven looptijd bedraagt 36 maanden tegen een rente van 17%.

2.6.         De leningsaanvraag van Gedaagde is volgeschreven door intekening van 53 uitleners. De feitelijk door de uitleners verstrekte lening bedroeg € 9.900,00. Dit bedrag is aan Gedaagde uitbetaald. De maandaflossing van Gedaagde bedraagt € 3 51,23.

2.7.          Op 6 mei 2009 is de stichting opgericht. De stichting heeft ten doel het (doen) ontvangen van gelden voor uitleners welke in de periode van 2 februari 2007 tot 1 april 2009 via Boober leningovereenkomsten gesloten hebben met uitleners, het tijdelijk beheren van de ontvangsten voor rekening en risico van de uitleners en het betalen of overdragen van hetgeen de stichting heeft ontvangen aan de uitlener.

2.8.          Boober is op 4 augustus 2009 failliet verklaard.

2.9.         Gedaagde heeft niet alle aflossingen op de lening gedaan.

2.10.      De curator in het faillissement van Boober heeft op 20 november 2013 in het kader van de terbeschikkingstelling van de administratie van Boober aan de stichting onder andere het volgende verklaard: Zoals ook blijkt uit mijn faillissementsverslagen, meen ik dat Boober geen partij was bij de geldleningsovereenkomsten die zijn gesloten tussen de in- en uitleners. Boober was enkel een platform waarop in- en uitleners met elkaar in contact konden komen. Om die reden kan en mag ik als curator de geldleningsovereenkomsten niet zelf afwikkelen. Thans dienen de in- en uitleners de geldleningsovereenkomsten derhalve onderling af te wikkelen, hetgeen SBAG (de hier genoemde stichting ktr.) zich ten doel heeft gesteld. (...) De administratie van Boober, waaronder ook de bankadministratie is inmiddels ter beschikking gesteld aan SBAG om SBAG in staat te stellen de geldleningsovereenkomsten op een correcte wijze af te wikkelen. (...) Wanneer SBAG niet over de administratie zou beschikken, zouden de geldleningsovereenkomsten niet kunnen worden afgewikkeld. De last en volmacht aan Boober ter incasso van de terug te betalen leningen is met het faillissement komen te vervallen."

3.            Het geschil

3.1.       De stichting vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Gedaagde om aan haar te voldoen:

a.   € 8.429,72 aan hoofdsom;

b.  € 846,07 aan wettelijke rente over de hoofdsom, berekend vanaf de vervaldatum tot aan 22 april 2014;

c.   de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 22 april 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

d.  primair € 1.530,00 aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 4.2 van de overeenkomst en subsidiair € 963,75 aan buitengerechtelijke incassokosten op grond van het rapport Voorwerk II dan wel de redelijkheid en billijkheid.

3.2.       Ter onderbouwing van die vordering stelt de stichting dat ongeveer 80% van alle uitleners is aangesloten bij de stichting en deze uitleners haar opdracht hebben gegeven om de gebruikersovereenkomsten van Boober af te wikkelen. Voor de lening van Gedaagde hebben 50 uitleners zich aangemeld. Zij hebben een deelnemersverklaring ondertekend. Voor de daadwerkelijke afwikkeling wordt een vertegenwoordigend deelnemer, ook wel aangeduid als leningscoördinator aangesteld. De leningscoördinator is als deelgenoot gevolmachtigd om betaling te vorderen. Uit dien hoofde heeft F.J.M. Schokkenbroek Gedaagde tot betaling van het nog verschuldigde bedrag aangesproken. Gedaagde is bij e-mail van 25 juni 2010 geïnformeerd over de rol van de stichting en het door hem te betalen bedrag. Er is sprake van één ondeelbare prestatie. De uitleners van de onderhavige lening vormen een gemeenschap en hebben een gezamenlijk vorderingsrecht jegens Gedaagde. Een vordering van één van de deelgenoten kan dus slechts betrekking hebben op het gehele vorderingsrecht en niet slechts op het aandeel van de betreffende deelgenoot daarin. De overige uitleners hebben regres op de uitlener waaraan Gedaagde bevrijdend zou betalen. Na aflossing van de lening zal de stichting aan Gedaagde een vrijwaringsverklaring verstrekken. De stichting treedt in rechte op. Gedaagde heeft twaalf aflossingen van € 351,23, tot een totaalbedrag van € 4.214,76 gedaan. Ondanks herhaalde aanmaningen heeft Gedaagde het restant van de lening niet voldaan. De stichting heeft de vordering uit handen gegeven aan haar incassogemachtigde toen betaling uitbleef. Uiteindelijk was zij genoodzaakt om Gedaagde in rechte te betrekken. Gedaagde heeft zelf de voorwaarden voor de lening bepaald. Van een woekerrente is geen sprake.

3.3.       Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. Gedaagde heeft naar zijn mening niets te maken met de stichting. Hij heeft immers een ondeelbare overeenkomst gesloten met zijn 53 uitleners. Voor de terugbetaling is medewerking van alle uitleners noodzakelijk. De stichting zou volgens hem niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Als de curator van Boober Gedaagde met zijn uitleners in contact had gebracht, dan had hij tijdig terugbetaald. De uitleners, als onverdeelde groep, hadden de terugbetaalde bedragen vervolgens onderling kunnen verdelen. De stichting heeft jegens Gedaagde geen recht tot invordering van de resterende termijnen. De leningscoördinator vertegenwoordigt niet alle uitleners en kan dus door de ondeelbaarheid van de lening niet tegen Gedaagde optreden. De curator noemt geen grondslag voor de afgifte van de administratie van Boober aan de stichting. Gedaagde heeft € 4.565,99 in mindering op de lening voldaan. Door het faillissement van Boober kon er niet langer geïncasseerd worden bij de inleners. Boober kwam daardoor in verzuim. Het talmen van de curator en de wens van sommige uitleners om anoniem te blijven mag niet in het nadeel van Gedaagde werken. Hij wist niet aan wie hij na het faillissement moest betalen. Hij is de maandelijkse betalingen gaan reserveren. Eerst in 2012 heeft Gedaagde iets van de leningscoördinator vernomen. Door de opstelling en handelswijze van laatstgenoemde en de curator heeft Gedaagde advocaatkosten moeten maken. Hij wil deze kosten vergoed hebben. Gedaagde wilde terugbetalen, maar (de curator van) Boober heeft dat onmogelijk gemaakt. Gedaagde heeft noodgedwongen de woekerrente van 17% aanvaard omdat hij niet in aanmerking kwam voor reguliere financiering. Er is sprake van misbruik van omstandigheden. Het is onaanvaardbaar dat daar nog eens extra rente over wordt berekend. Buitengerechtelijke kosten is Gedaagde door het vervallen van de gebruikersverklaring niet verschuldigd.

4.         De beoordeling

4.1.         Gedaagde betwist niet dat hij een overeenkomst van geldlening heeft gesloten met de inleners. Hij betwist de hoogte van de lening evenmin. Partijen verschillen wel van mening over de ontvankelijkheid van de stichting, de hoogte van het nog openstaande bedrag en de hoogte van de verschuldigde rente.

4.2.         De Stichting heeft met betrekking tot haar ontvankelijkheid aangevoerd dat de verbintenissen van Gedaagde uit de geldleningsovereenkomst ondeelbaar zijn en er dus sprake is van één gezamenlijk vorderingsrecht van de uitleners. De leningscoördinator is als deelgenoot gevolmachtigd om betaling te vorderen. Gedaagde stelt daartegenover dat hij een ondeelbare overeenkomst heeft gesloten met zijn 53 uitleners en dat hij met de stichting niets te maken heeft.

4.3.         Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt de kantonrechter het volgende. In beginsel is een geldschuld aan twee of meerdere schuldeisers deelbaar. Op grond Van artikel 6:15 lid 1 BW kan uit de wet, de gewoonte of een rechtshandeling voortvloeien dat de schuldeisers één vorderingsrecht hebben. In artikel 4.1 van de gebruikersverklaring, die zowel op de inlener als op de uitleners van toepassing is, is bepaald dat de verbintenissen van de inlener, in casu Gedaagde, ondeelbaar zijn. Er is dan ook slechts sprake van één vorderingsrecht van de uitleners. Deze ondeelbaarheid heeft tot gevolg dat de regels met betrekking tot de gemeenschap uit boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.

4.4.          Op grond van artikel 3:170 lid 2 BW zijn de uitleners slechts tezamen bevoegd om de vordering te innen. Zij kunnen er echter voor kiezen om een andere regeling te treffen. Vast is komen te staan dat in casu niet namens alle uitleners een regeling is getroffen.

Immers slechts 50 van de 53 uitleners hebben zich bij de stichting gemeld. Op grond van artikel 3:171 BW is echter iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen. Nu uit de processtukken blijkt dat (uitlener) F.J.M. Schokkenbroek is aangesloten bij de Stichting, is de stichting bevoegd namens deze uitlener te procederen. De stichting is derhalve ontvankelijk in haar vordering.

4.5.       Het feit dat de uitleners gezamenlijk één vorderingsrecht hebben betekent dat een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap slechts dat ene (gehele) vorderingsrecht kan betreffen. Dit sluit uit dat een uitlener die niet is aangesloten bij de stichting voor zichzelf een rechterlijke uitspraak kan verlangen ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de vordering. De bij de stichting aangesloten uitleners zijn aan dit vonnis gebonden.

4.6.       De Stichting heeft een overzicht verstrekt van twaalf betalingen van Gedaagde. Gedaagde betwist de juistheid van dit overzicht, maar is niet in staat zijn stelling omtrent de door hem gestelde dertiende betaling aan de hand van bankafschriften te onderbouwen. Dit betekent dat het verweer van Gedaagde gepasseerd wordt en dat uitgegaan wordt van een afgelost bedrag van € 4.214,76.

4.7.       Gedaagde heeft de werkwijze van Boober niet weersproken. Hieruit volgt dat hij zelf heeft aangeboden om een rente van 17% aan de uitleners te betalen. Onvoldoende is gesteld om tot misbruik van omstandigheden te concluderen.

4.8.       De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf datum dagvaarding nu in de gevorderde hoofdsom reeds contractuele rente is opgenomen en bovendien enige tijd onduidelijk is geweest aan wie Gedaagde na het faillissement van Boober bevrijdend kon betalen.

4.9.       De stichting doet een beroep op artikel 6:96 BW. Gedaagde is bij brief van 3 juni 2013 in gebreke gesteld. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De leningscoördinator heeft op 3 juni 2013 aan Gedaagde een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.10.     Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De nakosten, waarvan de stichting betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5.         De beslissing

De kantonrechter:

5.1.       veroordeelt Gedaagde om aan de stichting tegen bewijs van kwijting te betalen

€ 9.393,47 met de wettelijke rente over € 8.429,72 vanaf 21 juli 2014 tot de voldoening;

5.2.       veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de stichting, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.055,80, waarin begrepen € 500,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.       veroordeelt Gedaagde onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door de stichting volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

-  € 100,00 aan salaris gemachtigde,

-  te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.4.      verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.      wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.