Contante betaling niet aangetoond

De eiser heeft rijlessen verzorgd voor de gedaagde en hiervoor gefactureerd. Deze facturen zijn onbetaald gelaten. De gedaagde stelt dat hij de rijlessen "cash" heeft betaald. Hij kan dit echter niet onderbouwen met bewijsstukken. Hierdoor oordeelt de rechter dat gedaagde de gevorderde hoofdsom aan de eiser moet betalen.

Datum: 23 oktober 2008
Rechtbank: 's-Gravenhage, Sector kanton, locatie Delft
Zaaknummer: 772038 CV EXPL 08-5726

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, handelende onder de naam rijschool X, wonende te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen

Gedaagde,

wonende te, gedaagde partij, procederend in persoon.

Partijen worden aangeduid als Eiser en Gedaagde.

Procedure

de dagvaarding van 4 juli 2008;

de conclusie van antwoord, met producties;

de comparitie van partijen d.d. 17 juli 2008.

Feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

X heeft een onderneming waarvan de bedrijfsactiviteiten onder meer bestaan uit het verzorgen van rijlessen.

X heeft voor verkeersschool Y op franchise basis gewerkt.

Vordering

Eiser vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 2.678,84, met de wettelijke rente over € 2.036,25 vanaf 1 juli 2007 tot de dag van de voldoening en met veroordeling van Gedaagde in de kosten van de procedure.

Eiser legt aan de vordering volgende vaststaande feiten ten grondslag, alsmede de navolgende stellingen.

Eiser heeft rijlessen verzorgd voor Gedaagde waarvoor haar facturen zijn verzonden op 8 september 2004 ad € 1.998,75 en op 5 oktober 2004 ad € 37,50.

Gedaagde heeft een doorlopende incassomachtiging van € 200,- ten gunste van Eiser afgegeven maar de bankinstelling wilde die machtiging niet accepteren.

Ondanks herhaalde aanmaningen is Gedaagde niet tot betaling van het door haar verschuldigde overgegaan waardoor Eiser genoodzaakt is geworden zijn vordering ter incasso uit handen te geven aan zijn incassogemachtigde.

Die incassogemachtigde heeft werkzaamheden verricht die meer hebben ingehouden dan die ter voorbereiding en ter instructie van de zaak. Op grond van de bepalingen van de wet dienen deze voor rekening van Gedaagde te komen.

Gedaagde is wettelijke rente aan Eiser verschuldigd die berekend tot 1 juli 2008 een bedrag ad € 340,59 bedraagt.

Verweer

Gedaagde verweert zich tegen de vordering. Op dit verweer zal voor zover nodig hierna worden ingegaan.

Beoordeling

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is, nu Gedaagde de stelling van Eiser dienaangaande niet langer heeft weersproken, in voldoende mate komen vast te staan Eiser op basis van een franchiseovereenkomst met Y, rijlessen heeft verzorgd voor Gedaagde. Gedaagde heeft het volgen van de rijlessen en het afleggen van de door Eiser gestelde examens niet weersproken op grond waarvan zij gehouden is de daar aan verbonden kosten aan Eiser te voldoen.

Het verweer van Gedaagde dat zij de rijlessen "cash" heeft betaald, althans dat zij meer betalingen heeft verricht dan door Eiser verantwoord wordt, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Eiser, verworpen. Het had op de weg van Gedaagde gelegen die betalingen nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan kan dit verweer geen stand houden.

De omstandigheid dat Gedaagde niet meer over de benodigde betalingsbewijzen beschikt, komt voor haar risico. Zij kan daar aan, evenals aan de omstandigheid dat Eiser ondanks de betalingsachterstand is blijven doorgaan met het verzorgen van de rijlessen, geen rechtsgeldig verweer ontlenen.

Ook het verweer van Gedaagde dat zij al een bedrag ad € 490,- aan Z heeft betaald en dat -zo verstaat de kantonrechter- dit bedrag dus in mindering dient te strekken op onderhavige vordering, wordt verworpen. Eiser heeft in dat verband onweersproken aangevoerd dat deze betaling ziet op door Y voorgeschoten examenkosten en dus geen onderdeel van deze vordering uitmaakt.

Gelet op het voren overwogen zal in deze procedure worden uitgegaan van de door Eiser gestelde achterstand.

Gedaagde heeft geen, althans onvoldoende concreet, bewijs van haar stelling dat zij reeds heeft betaald, aangeboden. De kantonrechter ziet geen aanleiding Gedaagde ambtshalve tot het bewijs toe te laten. Gedaagde dient mitsdien de gevorderde hoofdsom aan Eiser te betalen.

Toen Gedaagde, ondanks aanmaning daartoe, met betaling van het door haar verschuldigde in gebreke bleef, heeft Eiser op goede gronden zijn vordering ter incasso uit handen mogen geven aan zijn incassogemachtigde. De aan de incasso verbonden kosten ad € 300,-, die de kantonrechter niet onredelijk voor komen, komen op grond van de wettelijke bepalingen voor rekening van Gedaagde.

De medegevorderde wettelijke rente is als niet weersproken en op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar.

De gevorderde herinneringskosten ad € 37,50 zullen worden afgewezen nu Eiser niet heeft gesteld op grond waarvan Gedaagde deze kosten verschuldigd is geworden.

Slotsom; proceskosten

Gelet op hetgeen hier voor is overwogen, is de vordering van Eiser toewijsbaar in voege als na te melden.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

Beslissing

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 2.641,34, met de wettelijke rente over € 1.998,75 vanaf 1 juli 2007 tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 622,80, waaronder begrepen een bedrag van € 350,- als het aan de gemachtigde van Gedaagde toekomende salaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wij st af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Windt, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.