Contante betalingen niet bewezen ondanks getuigen

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst. Omdat er een huurachterstand bestaat wilt de verhuurder de huurovereenkomst ontbinden en vordert de huurachterstand. De huurder stelt dat de huurachterstand niet klopt aangezien zij maandelijks een deel contant betaald. De kern van het geschil is nu of dit waar is of niet. Eiser heeft in een overzicht laten zien dat hij slechts zes contante betalingen heeft ontvangen. Gedaagde houdt vol dat dit er meer zijn, waardoor zij dit moet bewijzen. Ter onderbouwing van haar stelling laat gedaagde drie getuigen horen. Deze kunnen echter niet verklaren uit eigen waarneming, waardoor de rechter oordeeld dat de gedaagde niet geslaagd is in het leveren van bewijs dat er meer zijn betaald. De gedaagde zal de achterstallige huur dan ook moeten betalen.

Datum: 13 augustus 2010
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton, locatie Rotterdam
Zaaknummer: 955217 \ CV EXPL 09-2658

Vonnis

in de zaak van

Eiseres, wonende te, eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H.A. de Boer.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'Eiseres' respectievelijk 'Gedaagde'.

Het nadere verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

het tussenvonnis van 7 oktober 2009 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

de akte aan de zijde van Gedaagde;

het door de griffier opgemaakte proces-verbaal van het op 13 januari 2010 gehouden getuigenverhoor;

de conclusie na enquête aan de zijde van Gedaagde;

de conclusie na enquête aan de zijde van Eiseres.

Gedaagde heeft in haar akte aangegeven dat zij drie getuigen wenste te doen horen. Het getuigenverhoor heeft op 13 januari 2010 plaatsgevonden waarbij Gedaagde is gehoord, alsmede de heer X (hierna: X) en mevrouw Y (hierna: Y). Aansluitend heeft de contra-enquête plaatsgevonden.
Eiseres is gehoord, alsmede haar echtgenoot, de heer Z (hierna: Z).

De verdere beoordeling van de vordering

Volhard wordt bij hetgeen in voornoemd vonnis werd overwogen en beslist. In voormeld vonnis heeft de kantonrechter Gedaagde in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij méér contante betalingen aan Eiseres heeft gedaan dan die door Eiseres worden erkend.

Gedaagde heeft ter onderbouwing van haar stelling drie getuigen doen horen. Ten aanzien van de waardering van het bewijs overweegt de kantonrechter als volgt. Ingevolge art. 164 Rv. komt aan de verklaring van Gedaagde, slechts beperkte bewijskracht toe. Zij is immers de met het bewijs belaste partij. Gedaagde kan niet verklaren hoe vaak en welke bedragen zij in contanten heeft betaald. Aan de verklaring van de getuige X komt geen betekenis toe omdat hij niet uit eigen waarneming kan verklaren omtrent de feitelijke betaling(en). Hetzelfde geldt voor de verklaring van de getuige Y.

Tot dusver is Gedaagde met de door haar aangedragen getuigen dan ook niet geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs van haar stelling dat zij méér contante betalingen aan Eiseres heeft gedaan dan die door Eiseres worden erkend.

Wel wordt vastgesteld dat de vordering van Eiseres niet strookt met de getuigenverklaringen die zij en Z zelf hebben afgelegd.

Vastgesteld wordt dat uit een vergelijking van de verklaringen van Eiseres en Z valt af te leiden dat door Eiseres geen rekening is gehouden met de twee betalingen die verricht op de Boompjes, waar Z over verklaard heeft. Tevens blijkt uit de erkenning van Eiseres ter comparitiezitting op 28 september 2009 dat ook zij erkent dat er tweemaal op haar werkadres is betaald, zoals door Gedaagde is gesteld. Er zijn dus drie betalingen gebleken waarmee geen rekening is gehouden. Onduidelijk blijft echter welke bedragen bij die overige gelegenheden zijn betaald. Omdat op Gedaagde de bewijslast rust, rust op haar ook het bewijsrisico. Daarom wordt uitgegaan van drie extra betaling van € 150,00.

Uit het bovenstaande volgt dat Gedaagde er alleen in is geslaagd te bewijzen dat drie betalingen méér zijn verricht dan Eiseres heeft erkend. De overige door haar gestelde betalingen zijn niet vast komen te staan. Een bedrag van € 450,00 zal in mindering strekken op het door Eiseres gevorderde bedrag, waardoor een bedrag van € 1.220,00 wordt toegewezen (€ 1.670,00 - € 450,00) zijnde de huurachterstand berekend tot en met september 2009. Met betalingen verricht na 1 september 2009 is geen rekening gehouden.

De vastgestelde hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter maakt echter gebruik van de wettelijke bevoegdheid Gedaagde een termijn van een maand toe te staan om de schuld aan Eiseres met rente en kosten alsnog te betalen.

Eiseres heeft een vergoeding van € 357,00 aan buitengerechtelijke kosten gevorderd en daartoe gesteld, dat deze bedongen zijn en daadwerkelijk zijn gemaakt. Eiseres heeft bij dagvaarding diverse producties overgelegd waaruit blijkt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Gedaagde was in verzuim en Eiseres heeft op goede gronden haar vordering ter incasso uit handen gegeven aan haar gemachtigde. Voormelde kosten zijn berekend conform de redelijke en gebruikelijke tarieven voor buitengerechtelijke kosten. Derhalve wordt de vergoeding van buitengerechtelijke kosten toegewezen.

De vordering tot vergoeding van de vervallen rente ad € 15,96 zal worden afgewezen, nu de berekening van hetgeen aan verschenen rente verschuldigd is niet juist kan zijn nu de hoofdsom is verminderd. De rente zal als hierna volgt worden toegewezen.

Gedaagde wordt, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiseres te betalen € 1.577,00 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand september 2009 en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiseres vastgesteld op € 293,98 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

staat Gedaagde toe om het totaal van de aan Eiseres verschuldigde bedragen, inclusief rente en kosten zoals hierboven genoemd, naast de lopende huur, aan Eiseres te betalen binnen één maand na betekening van het vonnis;

en bovendien, maar alléén voor het geval Gedaagde niet binnen de gestelde termijn geheel aan die betalingsverplichtingen voldoet:

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen met ingang van de dag na afloop van vorenbedoelde termijn van één maand en veroordeelt Gedaagde om het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege Gedaagde daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Eiseres te stellen;

machtigt Eiseres om, indien Gedaagde het gehuurde niet tijdig ontruimt, die ontruiming zelf te laten uitvoeren, zo nodig met behulp van de daartoe bevoegde macht;

veroordeelt Gedaagde om aan Eiseres met ingang van de maand oktober 2009 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, te betalen de bedragen waarop Eiseres bij wederzijdse nakoming van de huurovereenkomst aanspraak gemaakt zou kunnen hebben, ten titel van huur of vergoeding, telkenmale te rekenen vanaf de vervaldag van elke termijn, te verhogen met de wettelijke rente daarover;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Tussenvonnis

uitspraak: 7 oktober 2009

in de zaak van

Eiseres, wonende te, eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H.A. de Boer.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'Eiseres' respectievelijk 'Gedaagde'.

Het verdere verloop van het proces

In deze zaak is op 12 augustus 2009 een tussenvonnis gewezen, waarbij een comparitie van partijen is gelast welke op 28 september 2009 plaatsvond. Voorafgaand aan de zitting heeft Eiseres nadere producties in het geding gebracht (nrs 8, 9 en 10).Van hetgeen ter zitting is verhandeld is proces-verbaal opgemaakt.

De nadere beoordeling van de vordering

Aangesloten wordt bij hetgeen in voormeld tussenvonnis werd overwogen. Daarin werd reeds overwogen dat de bewijslast van de door Gedaagde gestelde maar door Eiseres gemotiveerd betwiste huurbetalingen op Gedaagde rust.

Op grond van het door Eiseres als productie 8 overgelegde overzicht van huurbetalingen staat tussen partijen als onweersproken vast dat Gedaagde over de betreffende periode vanaf november 2007 in totaal, berekend tot en met september 2009 een bedrag van € 8.050 aan huur verschuldigd is, waarop per bankbetalingen in totaal € 4.750,00 + € 700,00 dus in totaal € 5.450,00 aan bankbetalingen in mindering strekt. Van het restantbedrag van € 2.600,00 wordt door Eiseres als ontvangen erkend in totaal zes (3+3 extra) contante betalingen tot in totaal van € 930,00 (€ 650,00 + € 280,00) zodat Gedaagde zal moeten bewijzen dat zij de ontbrekende huur tot in totaal € 1.670,00 heeft voldaan.

Gedaagde wordt toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij méér contante betalingen aan Eiseres heeft gedaan dan die door Eiseres worden erkend. Gedaagde heeft aangegeven dit bewijs te willen leveren door het als getuigen doen horen van de heer Mohammed X alsook mevrouw Rachida Y en haarzelf. Daarom kan nadere aanzegging van de getuigen achterwege blijven. Voor zover zij meer of andere getuien wil laten horen, dient zij dat bij akte op de rol van 4 november 2009 te melden.

Verdere beoordeling van de geschilpunten wordt aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

laat Gedaagde toe door alle middelen rechtens te bewijzen dat zij in de periode van 1 november 2007 tot en met september 2009 méér contante betalingen aan Eiseres heeft gedaan dan die door Eiseres (in productie 8) worden erkend.

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100 te Rotterdam op een nog nader -in overleg met de partijen- vast te stellen datum en tijdstip;

bepaalt dat Gedaagde daartoe aan de rechtbank opgave verstrekt van de te horen getuigen voor zover afwijkend van de reeds aangezegde getuigen en van de wederzijdse verhinderdata, opdat een datum en tijdstip voor de getuigenverhoren kan worden vastgesteld en verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van woensdag 4 november 2009 te 10.00 uur;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Tussenvonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak: 12 augustus 2009

in de zaak van

Eiseres, wonende te, eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H.A. de Boer.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'Eiseres' respectievelijk 'Gedaagde'.

Het verloop van het proces

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

het exploot van dagvaarding van 23 januari 2009;

de conclusie van antwoord;

een brief van de gemachtigde van Eiseres houdende vermeerdering en vermindering van eis;

de conclusie van repliek;

de conclusie van dupliek.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de.

De vordering

Eiseres heeft onder overlegging van stukken -zakelijk weergegeven- bij vermindering en vermeerdering van eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden en Gedaagde te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van een huurachterstand van € 1520,-- tot en met april 2009, € 357,- aan buitengerechtelijke kosten en € 15,96 aan verschenen rente, vermeerderd met rente en kosten.

 

Aan haar vordering legt Eiseres - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat Gedaagde bij herhaling in gebreke blijft met stipte nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst en met name met stipte betaling van de bij vooruitbetaling te betalen huurpenningen.

Het verweer

Gedaagde voert verweer en stelt, verkort weergegeven, dat de gestelde huurachterstand niet klopt en dat er geen aanleiding bestaat voor ontbinding en ontruiming. Zij heeft de maandelijkse huur deels via de bank overgemaakt. Zij overlegt bankafschriften waaruit deze betalingen blijken. Het overige deel van de huur betaalt zij, op aandringen van Eiseres, maandelijks contant. Gedaagde biedt getuigenbewijs aan van de door haar gedane contante betalingen. Gedaagde voert aan dat de door Eiseres overgelegde betalingsoverzichten onduidelijk zijn doordat gedane betalingen worden afgeboekt op eerder vervallen huurtermijnen. Zo wordt op uiteenlopende bescheiden een ander ontstaansmoment van de huurachterstand genoemd en zijn enkele betalingen niet terug te vinden. Tevens acht Gedaagde het onbegrijpelijk dat er bij dagvaarding € 1520,- aan huurachterstand wordt gevorderd en dat dit ondanks verwerking van enkele betalingen bij repliek € 1520,- blijft. Gedaagde benadrukt dat Eiseres diverse pogingen heeft gedaan om haar uit de woning te krijgen. Zij overlegt een proces-verbaal van aangifte bij de politie. Gedaagde vermoedt dat Eiseres de sleutel van haar woning tijdens reparatiewerkzaamheden heeft weggenomen en nadien haar woning is binnengegaan waarbij onder meer haar paspoort alsmede de tussen partijen bestaande huurovereenkomst is weggenomen. Gedaagde maakt voorts bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Niet is gebleken dat werkzaamheden zijn verricht welke voor vergoeding in aanmerking komen.

De beoordeling van de vordering

Eiseres stelt dat er mondeling een huurovereenkomst tussen partij en is gesloten. Gedaagde ontkent het bestaan van deze huurovereenkomst niet en ontkent ook niet dat een maandelijkse huurprijs van € 350,- overeen is gekomen. Dat Gedaagde de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting erkent blijkt ook uit het feit dat zij regelmatig betalingen doet. De kantonrechter gaat dan ook uit van het bestaan van de huurovereenkomst en de verschuldigdheid van € 350,- huur per maand.

Kern van het geschil is gelegen in de vraag of er door Gedaagde, vaker dan door Eiseres wordt erkend, contante betalingen zijn gedaan. Eiseres ontkent niet dat er contante betalingen zijn gedaan, maar stelt dat deze allemaal zijn opgenomen in haar overzicht dat zij bij conclusie van repliek heeft overgelegd. In het overzicht zijn drie contante betalingen opgenomen. Gedaagde houdt bij conclusie van dupliek vol dat er meer dan drie keer contante betalingen zijn gedaan. Op Gedaagde, die zich op de rechtsgevolgen beroept, rust in beginsel de bewijslast van haar stelling. Dat bewijs is tot dusverre nog niet geleverd. Alvorens (eventueel) één van de partijen te belasten met een bewijsopdracht, acht de kantonrechter het gewenst de zaak nader met partijen te bespreken. Daarbij kunnen partijen de nodige informatie verstrekken. Daartoe wordt een comparitie van partijen bepaald.

Indien partijen stukken in het geding willen brengen die nog niet zijn overgelegd, dienen zij deze stukken uiterlijk een week vóór de comparitiedatum aan de kantonrechter en de wederpartij toe te zenden.

Indien één van de partijen verhinderd is op de in het dictum bepaalde datum, dient deze partij dit uiterlijk één week vóór de zitting aan de kantonrechter onder opgave van redenen te berichten, onder vermelding van de zittingsdatum en het zaaknummer. Daarbij dient opgave gedaan te worden van de verhinderdata van beide partijen voor de komende drie maanden.

De beslissing

De kantonrechter:

alvorens verder te beslissen,

bepaalt dat elk van partijen (in persoon of behoorlijk vertegenwoordigd en desgewenst met haar gemachtigde) op dinsdag 22 september 2009 te 15.15 uur zal verschijnen ter zitting van de hierna te noemen kantonrechter om inlichtingen te verstrekken en een minnelijke regeling van het geschil te beproeven. De zitting zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw, Wilhelminaplein 100 te Rotterdam (melden in het rode gebouw B).

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.