Contante betalingen zonder kwitanties worden dubieus toegelicht door getuigen

Er is een geldleningsovereenkomst ondertekend waarin is opgenomen dat Eiser aan Gedaagde 1 en 2 een bedrag van €4.500,- per persoon heeft geleend. Nu zijn partijen in discussie hoeveel er daadwerkelijk geleend is en hoeveel hiervan al is terugbetaald. Er zijn geen kwitanties verstrekt bij de betalingen, dus proberen partijen hun contante betalingen aan te tonen door middel van getuigen. Hier worden echter hoge eisen aan gesteld. Een neef van Eiser geeft aan dat hij aanwezig was toen Eiser het bedrag aan Gedaagde had uitbetaald in coupures van €50,- en €100,-. Een tweede neef van Eiser geeft aan dat dit bedrag in coupures van €500,- €200,- en €100,- is gebeurd. Door dit verschil is er twijfel gekomen in de betrouwbaarheid van de getuigen. Verder in de procedure blijkt dat de geldlening nodig was om Gedaagden, op papier, schuldenvrij te maken voor een hypotheekaanvraag. De rechter is hierdoor onzeker over de betrouwbaarheid van beide partijen. Gedaagden kunnen verder ook niet bewijzen dat er contante betalingen hebben plaatsgevonden. De rechter wijst €7000,- van de €9000,- aan hoofdsom toe en veroordeelt gedaagde in de bijkomende kosten en wettelijke rente.

Datum: 17 april 2015
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 3085689 CV EXPL 14-24197

Vonnis

in de zaak van

Eiser, wonende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, Intocash te Rotterdam, tegen

1.                       Gedaagde 1,

wonende te, gedaagde,

gemachtigde: aanvankelijk mr. Sang Ajang, juridisch adviseur te Rotterdam, thans

H. Doekharan te Rotterdam,

en

2.                        Gedaagde 2,

wonende te, gedaagde,

gemachtigde: aanvankelijk mr. Sang Ajang, thans H. Doekharan te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "Eiser" en "Gedaagden".

1.   Het verdere verloop van de procedure

1.1. Hiervoor verwijst de kantonrechter naar het op 19 december 2014 gewezen tussenvonnis.

In dit tussenvonnis is Eiser opgedragen te bewijzen dat door hem uit hoofde van de op 30 juli 2013 gesloten overeenkomst een bedrag van € 4.500,- in contanten is betaald aan Gedaagden.

In het tussenvonnis is aan Gedaagden opgedragen te bewijzen dat zij een bedrag van € 3.000,— in contanten hebben betaald aan Neef van Eiser, ter aflossing van het uit hoofde van de op 30 juli 2013 met Eiser gesloten overeenkomst.

1.2. Vervolgens heeft Eiser op 20 maart 1015 als getuigen doen horen de heren Neef 1 en Neef 2.

1.3. Gedaagden hebben afgezien van het leveren van tegenbewijs en zij hebben geen gebruik gemaakt van de aan hen verleende bewijsopdracht.

1.4. De kantonrechter heeft bepaald dat heden, bij vervroeging, vonnis wordt gewezen.

2.  De verdere beoordeling van het geschil

2.1. De op 20 maart 2015 gehoorde getuigen zijn neven van Eiser.

Neef 1 heeft als getuige verklaard dat hij bemiddeld in vastgoed en dat hij via zijn neef Neef 2 in contact is gekomen met Gedaagden. Hij heeft verklaard dat Eiser hem geld heeft verschaft om het mogelijk te maken dat Gedaagden hun bestaande schulden zouden kunnen aflossen en zo een hogere hypotheek zouden kunnen verkrijgen teneinde via hem een huis te kunnen kopen. Volgens de getuige is Eiser vermogend en schiet hij wel vaker geld voor. Door Eiser is volgens deze getuige contant geld aan hem betaald en dat geld is vervolgens gebruikt om een schuld af te lossen, om een bedrag aan Gedaagden te betalen via een bankrekening en om € 4.500,— contant aan hen te betalen. De getuige verklaart dat hij het bedrag van € 4.500,-- in coupures van € 50,— en € 100,— heeft uitbetaald aan Gedaagden. De getuige verklaart dat partijen het bij dagvaarding overgelegde contract hebben getekend. Eiser heeft getekend voor de komst van Gedaagden. Hijzelf en Neef 2 hebben als getuigen getekend.           6

2.2.   De getuige Neef 2 is eveneens een neef van Eiser. Deze getuige is de vader van de hypotheekadviseur die heeft uitgerekend welke hypotheek Gedaagden konden krijgen wanneer de schulden zouden zijn afgelost. Hij verklaart Gedaagden in contact te hebben gebracht met zijn neef Neef 1. Ook heeft deze getuige gezorgd voor een postadres voor Gedaagden (tegen betaling). De getuige verklaart dat hij heeft gezien dat het bedrag van € 4.500,-- in coupures van € 500,-, € 200,- en € 100 - werd uitbetaald aan Gedaagden.

2.3.   Aan het bewijs van een contante betaling door middel van getuigen worden hoge eisen gesteld. Het is immers gebruikelijk en zeer eenvoudig om een contante betaling te documenteren door een kwitantie te verstrekken. Alleen al het feit dat zulks niet is gebeurd roept vragen op. De kantonrechter heeft al eerder geoordeeld dat de overeenkomst tot geldlening niet als een kwitantie kan worden aangemerkt.

De getuigen verklaren beide dat zij hebben gezien dat een bedrag van € 4.500,— contant is betaald aan Gedaagden. De getuigen hebben evenwel een zeer verschillende herinnering aan de feitelijke betaling. De coupures die volgens de twee getuigen werden uitgekeerd zijn wel heel verschillend te noemen. Daarmee ontstaat twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaringen.

Daar komt nog het volgende bij. De geldlening was nodig om Gedaagden, op papier, schuldenvrij te maken ten behoeve van een hypotheekaanvraag. Nog even afgezien van de vraag of dit handelen niet frauduleus moet worden genoemd, blijft de vraag waarom een deel van het geleende bedrag contant werd uitbetaald. Dit was kennelijk niet nodig om de schulden af te lossen, nu de beide schulden (bij een kredietinstelling en een roodstand op een rekening) giraal werden afgelost door Eiser, via zijn neef en feitelijk door de dochter van zijn neef. Het contant betaalde bedrag was kennelijk niet bedoeld om een schuld af te lossen en het is onverklaard gebleven waarom dit bedrag zou zijn betaald.

Al met al is de kantonrechter er niet van overtuigd geraakt dat het bedrag van € 4.500,- inderdaad werd betaald. Eiser is niet geslaagd in zijn bewijsopdracht zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.

2.4. Gedaagden hebben niet bewezen dat zij inmiddels een bedrag van € 3.000,- in contanten hebben terugbetaald, zodat hun verweer op dit punt wordt verworpen.

2.5. Op 13 april 2015 heeft de gemachtigde van Eiser meegedeeld dat Gedaagden op 10 april 2015 een bedrag van € 2.000,- hebben betaald. Daarmee rekening houdend wordt een hoofdsom toegewezen van € 7.000,--.   &

2.6.De    wettelijke rente wordt alleen toegewezen over het toe te wijzen bedrag en wel vanaf de datum na het verstrijken van de veertien dagen termijn in de brief van 30 januari 2014.

2.7 Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke

incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, nu het verzuim na 30 juni 2012 is ingetreden.

Nu een deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, bestaat er aanleiding om het

toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de toewijsbare hoofdsom.

e kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke

tarief, dat hoort bij het aan hoofdsom toe te wijzen bedrag, maar zonder rekening te houden

met het bedrag dat op 10 april 20-15 werd voldaan, te weten het bedrag van € 998 25 inclusief btw.     '

2.8. De door Eiser (voorwaardelijk) gevorderde nakosten worden afgewezen nu voldoende gegevens ontbreken om die kosten reeds thans te kunnen begroten. Mocht tussen partijen een geschil ontstaan omtrent de omvang van die kosten, staat het Eiser vrij de kantonrechter te verzoeken deze te begroten op de voet van artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.9. Gedaagden worden belast met de kosten van het geding nu zij overwegend in het ongelijk zijn gesteld.

3.    De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd tot betaling aan Eiser van een bedrag van € 7.998,25 te verhogen met de wettelijke ' rente over € 9.000,- vanaf 13 februari 2014 tot aan 10 april 2015 en over € 7.000,- vanaf 10 april 2015 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op fc 555,80 aan verschotten en € 750,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. L.J. van Die en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.