De door eiser gemaakte video’s moeten worden betaald

Eiser heeft van Gedaagde de opdracht gekregen om een aantal educatieve video's en een voorleesboek te produceren tegen betaling van €5.566,-. Eiser heeft deze video's gemaakt, maar Gedaagde wilt deze niet betalen. Als reden geeft hij dat er de voorwaarden was gezegd dat hij pas hoeft te betalen als hij financieringsruimte had. Bovendien moet het (wel) aan Eiser verschuldigde bedrag deels worden verrekend met de € 1.000,- die Gedaagde in privé aan Eiser heeft uitgeleend en die hij niet heeft terugbetaald, aldus Gedaagde. De rechter is het eens met de verrekening. Verder beslist de rechter wel dat hij moet betalen voor de werkzaamheden van Eiser.

Datum: 22 maart 2019
Rechtbank: Rechtbank Amsterdam
Zaaknummer: 7215278 / CV EXPL 18-200418

Vonnis

in de zaak van:

EISER

wonende te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

GEDAAGDE

wonende te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederende in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als Eiser en Gedaagde.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 september 2018, met producties,

- de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 30 oktober 2018, waarbij een bijeenkomst van partijen is bevolen die heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019,

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1.          Feiten en omstandigheden

1.1.        Eiser en Gedaagde kennen elkaar al zo'n 40 jaar. Eiser is de ex-zwager van Gedaagde.

1.2.        Op 27 juli 2017 heeft Gedaagde een bedrag van E 1.000,- aan Eiser geleend.

1.3.     Gedaagde heeft Eiser op een gegeven moment opdracht gegeven tot het produceren van een aantal video's en een voorleesboek ten behoeve van Li La Land. Li La Land is een "edutainment start-up" die Gedaagde met een aantal partners heeft opgericht. Deze opdracht aan Eiser is op informele wijze tot stand gekomen en niet op schrift gesteld. Er zijn bij aanvang geen afspraken gemaakt over de hoogte van de door Eiser te ontvangen vergoedingen.

1.4.     Op 2 mei 2018 heeft Gedaagde de samenwerking met Eiser beëindigd.

1.5.     Op 11 mei 2018 heeft Gedaagde onder meer het volgende naar Eiser gemaild:

" (...) Video's "Museum" en "Kerstliedje" zijn afgerond en geaccepteerd en life, Daarvoor kun je een factuur van € 1.200 (€ 600 per stuk) sturen.
De "Vogel vlogt" video's zijn onaf. Niettemin ben ik bereid daar 5 x E 600 = E 3.000 voor te betalen zodra er LLI, financieringsruimte is. Dat is inclusief hard- en software vergoeding. Voor "Berendans" is deze vergoeding reeds betaald, dus daarvan rest nog 400. Totaal E 3.000 E 400 = 3.400.

Wij maken deze video's af en ik verzoek je het ruwe materiaal aan ons ter beschikking te stellen.

Voornoemde betaling van € 3.400 voor jullie werk voor deze video's is hiervan afhankelijk."

1.6.     Op 24 mei 2018 heeft Eiser een factuur naar Gedaagde gestuurd voor een bedrag van € 4.600,- (exclusief btw). Bij de omschrijving staat het volgende vermeld:

"Productie 8 video's volgens aanbieding FF (zie mail FF van 11 mei 2018) ter finale kwijting"

1.7.     Op 26 augustus 2018 heeft Eiser onder meer het volgende naar Gedaagde gemaild:

"(...) Er liggen spullen van jou bij Joost en ook van ons bij jou. Dit als gevolg va de uitgevoerde werkzaamheden. Jij hebt de beslissing genomen om de samenwerking van de ene op de andere te beëindigen. Je hebt e.e.a. vergezeld laten gaan van een voorstel voor een finale kwijting. Ik heb die, mede namens Joost, geaccepteerd en voorgesteld om de eerdergenoemde materialen uit te wisselen bij gelegenheid van de betaling, door jou en volgens je eigen schriftelijke aanbieding (...)"

1.8.       Gedaagde heeft geen betalingen verricht aan Eiser en er zijn geen materialen uitgewisseld.

2.         Vorderingen en verweer
in conventie

2.1.       Eiser vordert — samengevat — dat Gedaagde bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. € 5.566,- aan vergoeding voor de video's (inclusief btw), te vermeerderen de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 31 augustus 2018,
b. € 653,30 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW,
c. de proceskosten, met rente.

2.2.      Eiser legt aan deze vorderingen ten grondslag dat Gedaagde dit bedrag is verschuldigd voor de door hem gemaakte video's, zoals Gedaagde zelf heeft voorgesteld bij zijn e-mail van 11 mei 2018.

2.3.      Gedaagde voert verweer tegen de vordering, voor zover deze ziet op betaling van meer dan € 1.200,-. Voor de "Vogel vlogt" video's is namelijk niet voldaan aan de voorwaarden voor betaling. Bovendien moet het (wel) aan Eiser verschuldigde bedrag deels worden verrekend met de E 1.000,- die Gedaagde in privé aan Eiser heeft uitgeleend op 27 juli 2017 en die hij niet heeft terugbetaald, aldus Gedaagde.

2.4.      Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling.

in reconventie

2.5.      Gedaagde vordert in reconventie:

a. afgifte van de goederen:

Voorbeeldboek A4 'Een Ei voor Uil'
Sony A6500 16-70mm F/4.0 Za Oss
Sony Lens F2.58 macro
WD externe harde schijf 4 terabyte
Atomos 500 G harde schijf + docking station
2x Sony accu plus lader + 220 volt netvoeding,
een en ander op straffe van een dwangsom,

b. afgifte van het ruwe materiaal voor de vijf door Eiser gemaakte 'Vogel vlogt' video's, op straffe van een dwangsom,

c. terugbetaling van het geleende bedrag van E 1.000,- voor zover dit bedrag niet in conventie voor verrekening in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente,

d. de proceskosten.

2.6.      Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling.

3.         Beoordeling

in conventie

Vergoeding video 's

3.1.      Naar de kantonrechter begrijpt, ziet de door Eiser verstuurde factuur van een bedrag van C 4.600 (exclusief btw) op de volgende video's:

"Museum" en "Kerstliedje", waarvoor een vergoeding van 2 x E 600,- wordt gevorderd. Gedaagde betwist niet dat hij dit bedrag verschuldigd is. Het staat daarmee vast dat Gedaagde dit bedrag aan Eiser zal moeten betalen.
Vijfvideo's binnen de reeks "Vogel vlagt", waarvoor geldt dat Gedaagde betwist dat hij de vergoeding van 5 x € 600,- verschuldigd is.
"Berendans", waarvoor Gedaagde reeds een bedrag van € 200,- aan hard- en softwarevergoeding heeft betaald. Gedaagde betwist dat hij een verdere vergoeding van € 400,- verschuldigd is.

3.2.     Voor de beoordeling van de vorderingen van Eiser wat betreft de "Vogel vlogt" video's en "Berendans" gaat de kantonrechter uit van het volgende. Vast staat dat partijen gedurende hun samenwerking geen heldere afspraken op schrift hebben gesteld welk bedrag Eiser zou ontvangen voor zijn werkzaamheden. De e-mail van 11 mei 2018 (zie onder 1.5) van Gedaagde bevat een voorstel van € 600,- per video. Dit voorstel heeft Gedaagde, zo heeft hij per e-mail van 26 augustus 2018 en nog eens ter zitting bevestigd, geaccepteerd. Deze e-mail moet daarom worden aangemerkt als de tussen partijen bereikte nadere overeenstemming met betrekking tot de vergoeding en de voorwaarden waaronder tot betaling dient te worden overgegaan.

3.3.     Gedaagde heeft ter zitting toegelicht dat zijn partners binnen Li La Land de "Vogel vlogt" video's moeten goedkeuren voordat Eiser kan worden betaald. Uit de e-mail van 11 mei 2018 blijkt echter niet dat zulke goedkeuring als voorwaarde voor betaling is gesteld. De kantonrechter gaat daarom niet mee in deze stelling van Gedaagde. Uit die e-mail blijkt dat er bij Li La Land financieringsruimte moest zijn om Eiser te kunnen betalen. Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat de financiering inmiddels redelijk rond is. Daarmee is voldaan aan de door Gedaagde gestelde (overigens door Eiser betwiste) voorwaarde tot betaling en dient Gedaagde dus in beginsel tot betaling over te gaan. Het kan zo zijn dat, zoals Gedaagde stelt, het materiaal inmiddels gedateerd en niet meer bruikbaar is, maar dat doet aan die betalingsverplichting niet af. Tot slot staat in de e-mail dat Gedaagde het ruwe filmmateriaal wil ontvangen en dat betaling hiervan afhankelijk is. Hoewel Gedaagde vanzelfsprekend recht heeft op het ruwe filmmateriaal, heeft hij ter zitting toegelicht dat hij niet langer over dit materiaal hoeft te beschikken. Dat leidt ertoe dat deze voorwaarde niet langer aan betaling in de weg staat. Dit betekent dat de vordering van Eiser opeisbaar is geworden en dat Gedaagde een bedrag van (5 x E 600,- € 3.000,- voor de "Vogel vlogt" video's aan Eiser is verschuldigd.

3.4.     Met betrekking tot de video "Berendans" heeft Gedaagde zich op het standpunt gesteld dat het nog openstaande bedrag van 400,- eveneens zou worden betaald zodra het ruwe filmmateriaal zou worden toegestuurd. Nu hiervoor is overwogen dat deze voorwaarde niet langer geldt, heeft dat tot gevolg dat ook dit bedrag opeisbaar is geworden.

3.5.     Het voorgaande betekent dat Gedaagde een bedrag van (2 x € 600,- =-) € 1.200,- is verschuldigd voor "Museum" en "Kerstliedje", E 3.000,- voor de "Vogel vlagt" video's en E 400,- voor "Berendans". Dit komt neer op een totaalbedrag van E 4.600,- exclusief btw, oftewel € 5.566,- inclusief btw. De vordering van Eiser tot betaling van dit bedrag is daarom in beginsel toewijsbaar.

Privélening

3.6.      Gedaagde stelt dat het aan Eiser uitgeleende bedrag van € 1.000,- via verrekening in mindering moet worden gebracht op de aan Eiser te betalen bedragen. Eiser betwist niet dat hij dit bedrag van Gedaagde heeft geleend. Als verweer ten aanzien van deze vordering doet Eiser op zijn beurt ook een beroep op verrekening. Hij stelt hiertoe dat partijen een hard- en softwarevergoeding van 200,- per video hebben afgesproken, in aanvulling op de vergoeding van € 600,- per video. Nu Gedaagde voor de vijf "Vogel vlogt" video's die aanvullende vergoeding van in totaal € 1.000,- niet heeft betaald, kan deze worden weggestreept tegen de privélening, aldus Eiser. Dit verweer van Eiser gaat niet op, zoals hierna wordt overwogen.

Hard- en softwarevergoeding

3.7.     Dat partijen een aanvullende hard- en softwarevergoeding hebben afgesproken, blijkt volgens Eiser onder andere uit het feit dat Gedaagde deze vergoeding heeft betaald voor de later gemaakte video "Berendans". Gedaagde bevestigt dat die vergoeding is afgesproken en betaald voor "Berendans", maar betwist dat die afspraak ook geldt voor de "Vogel vlogt" reeks. De aanvullende vergoeding van € 200,- per video is alleen afgesproken voor toekomstige video's - waaronder "Berendans" - omdat daarvoor ook hogere kwaliteitseisen zijn gaan gelden, aldus Gedaagde. In het licht van deze gemotiveerde betwisting van Gedaagde en zonder verdere onderbouwing van Eiser om deze afspraak aan te tonen, is niet vast komen te staan dat partijen een dergelijke vergoeding zijn overeengekomen voor (ook) de "Vogel vlogt" video's. De door Eiser voorgestane verrekening met deze vergoedingen zal daarom worden afgewezen.

3.8.     Het voorgaande betekent dat het beroep van Gedaagde op verrekening slaagt.

Hierdoor is Gedaagde aan Eiser E 5.566,- (inclusief btw) - € 1.000,- =E 4.566,-verschuldigd.

Wettelijke handelsrente

3.9.     De door Eiser gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Nu Eiser niet heeft gesteld waarom deze vanaf de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is, zal deze worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.

Buitengerechtelijke kosten

3.10. Eiser vordert vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten, die bestaan uit het inschakelen van IntoCash om de onbetaalde factuur van 24 mei 2018 te incasseren. De kantonrechter overweegt dat Eiser weliswaar die kosten heeft gemaakt, maar dat het aanvangen van dit incassotraject voorbarig is geweest. Hiervoor is relevant dat de door Gedaagde gestelde voorwaarden voor betaling, waarmee Eiser akkoord is gegaan, destijds nog niet (allemaal) vervuld waren. Dit heeft Eiser in ieder geval deels zelf in de hand gehad door na te laten het ruwe filmmateriaal voor de 'Vogel vlogt" video's naar Gedaagde te sturen. Pas ter zitting heeft Gedaagde deze voorwaarde laten varen en is, nu ook is gebleken dat Li La Land over financieringsruimte is gaan beschikken, de vordering van Eiser opeisbaar geworden. Onder deze omstandigheden komen de buitengerechtelijke kosten redelijkerwijs niet voor vergoeding in aanmerking en zal deze vordering van Eiser worden afgewezen.

in reconventie

Geleende goederen

3.11. Eiser erkent dat hij — zoals Gedaagde stelt — goederen van Gedaagde heeft geleend om te gebruiken voor de uitvoering van zijn opdracht en erkent dat deze moeten worden geretourneerd, nu de samenwerking is beëindigd. Eiser meent met een beroep op het retentierecht dat hij de goederen pas aan Gedaagde hoeft terug te geven als Gedaagde aan zijn betalingsplicht heeft voldaan. Voor een geslaagd beroep op een retentierecht is vereist dat Eiser (a) de feitelijke macht heeft over de goederen, (b) een opeisbare vordering heeft en (c) samenhang bestaat tussen die vordering en de plicht om de goederen terug te geven. Aan deze eisen wordt gelet op hetgeen hiervoor in conventie is overwogen (inmiddels) voldaan.

3.12. De vordering van Gedaagde tot teruggave van de goederen zal daarom worden toegewezen, zij het dat daarbij wordt beslist dat teruggave moet plaatsvinden binnen een termijn nadat Gedaagde heeft betaald. Bovendien zal de Sony camera worden uitgezonderd van de plicht tot teruggave. Over deze camera, en naar de kantonrechter begrijpt de bijbehorende Sony lens, hebben partijen toegelicht dat zowel Gedaagde als (de compagnon van) Eiser geld hebben ingelegd voor de aanschaf daarvan en dat er geen duidelijke afspraken zijn gemaakt over de eigendom. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat sprake is van gezamenlijke eigendom. Dat betekent dat Gedaagde niet zonder meer recht heeft op de (gehele) camera en lens en dat de teruggave hiervan niet kan worden toegewezen. Partijen zullen dus nog tot een verdeling van het gemeenschappelijk eigendom van de camera en de lens moeten komen. De kantonrechter geeft partijen in overweging met elkaar in overleg te treden, de dagwaarde van de camera en de lens vast te stellen en vervolgens tot verkoop (aan een van de deelgenoten of aan een derde) over te gaan met verdeling van de opbrengst naar rato van inbreng. Dit valt echter buiten het bereik van de vorderingen in deze procedure.

3.13. Gedaagde heeft een ongemaximeerde dwangsom gevorderd voor de afgifte van deze goederen. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen en aan een maximum te koppelen. De kantonrechter vindt een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van E 1.000,- in dit geval aangewezen.

3.14. De kantonrechter merkt ten overvloede nog op dat Eiser geen afgifte heeft gevorderd van de fotolampen, waarover partijen hebben toegelicht dat die eigendom zijn van Eiser en zich bevinden bij Gedaagde. De kantonrechter geeft Gedaagde in overweging om deze gelijktijdig met de ontvangst van de geleende goederen aan Eiser te retourneren. Ook dit valt echter buiten de vorderingen in deze procedure.

Filnunateriaal "Vogel vlagt"

3.15. Zoals hiervoor onder 3.1 al is overwogen, heeft Gedaagde ter zitting verklaard niet langer interesse te hebben in het ruwe filmmateriaal van de "Vogel vlogt" video's. Zijn vordering tot afgifte hiervan zal daarom worden afgewezen,

Terugbetaling privélening

3.16. In conventie is al geoordeeld dat de privélening zal warden verrekend met de vorderingen van Eiser. Daarmee heeft Gedaagde geen belang meer bij zijn voorwaardelijke ingestelde reconventionele vordering tot terugbetaling van de lening met rente. Deze vordering zal daarom warden afgewezen

in conventie en reconventie

Proceskosten

3.17. Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld en gelet op de onder 3.10 genoemde omstandigheden, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van € 4.566,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over liet toegewezen bedrag vanaf 7 september 2018 tot de dag van volledige betaling,

wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie

veroordeelt Eiser tot afgifte, binnen 7 dagen nadat Gedaagde heeft voldaan aan de veroordeling onder I, aan Gedaagde van de volgende goederen:

Voorbeeldboek A4 'Een Ei voor Uil'
WD externe harde schijf 4 terabyte
Atomos 500 G harde schijf + docking station
2x Sony accu plus lader + 220 volt net voeding

op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag(deel) dat Eiser in gebreke blijft aan (een deel van) deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 1.000,-,

wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en reconventie
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart de veroordelingen onder I en III uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. C. Bakker, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.A. Kloppenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019.