De rechter oordeelt dat de uurtarieven die de eiser in rekening heeft gebracht redelijk zijn

samenvatting:
Gedaagde wilde in 2017 elektrotechnische installaties laten aanleggen voor haar indoorspeeltuin en woonhuis. Hiervoor heeft Gedaagde de Eiser benaderd en die is aan het werk gegaan. De laatste factuur voor deze werkzaamheden is onbetaald gebleven. Volgens Gedaagde kloppen de door Eiser in rekening gebrachte bedragen om twee redenen niet. Ten eerste is mondeling afgesproken dat Eiser een uurtarief zou berekenen van € 40,00 exclusief btw. Ten tweede heeft Eiser bij een eerdere opdracht in 2015 € 35,00 exclusief btw per uur gerekend en kan een jaarlijkse opslag wegens inflatie- en/of prijscorrectie nooit tot de door Eiser nu gehanteerde uurtarieven leiden. Gedaagde heeft dus volgens haar geen rekening hoeven te houden met 45,00 of E 47,50 exclusief btw per uur.

Dat er een uurtarief van €40,- zou zijn afgesprkoen wordt door Gedaagde op geen enkele manier verder toegelicht. De rechter gaat ervan uit dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt. Verder heeft Eiser uitgelegd dat hij in 2015 € 35,00 exclusief btw per uur heeft gerekend omdat er destijds door de crisis weinig werk was. Door het rekenen van een (de rechter begrijpt: tijdelijk) laag tarief heeft Eiser geprobeerd om toch voldoende werk binnen te halen. Die uitleg is volgens de rechter logisch en aannemelijk.

Omdat partijen niets hebben afgesproken over het te hanteren uurtarief, is Gedaagde volgens artikel 7:752 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een 'redelijke' prijs verschuldigd. De berekende prijs is volgens Eiser gebaseerd op de uurtarieven die hij in 2017 en in 2018 normaal in rekening bracht en dat stelt Gedaagde niet ter discussie. Ook stelt Eiser, zonder dat hij wordt tegengesproken, dat deze uurtarieven lager liggen dan wat in die periode in de markt gebruikelijk was. De conclusie is dat de uurtarieven die Eiser in rekening heeft gebracht, redelijk zijn. De Gedaagde dient dan ook de volledige factuur te betalen plus de kosten van de procedure.

Datum: 19 december 2018
Rechtbank: Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 7101807 UC EXPL 18-8509 RW/1368

Vonnis

inzake

Eiser h.o.d.n. Elektro Eiser,

verder ook te noemen Eiser,

eisende partij,

gemachtigde: Incassobureau IntoCash,

tegen:

de vennootschap onder firma Gedaagde V.O.F.,

en

Gedaagde 1, vennoot van gedaagde sub 1,
en
Gedaagde 2, vennoot van gedaagde sub 1,

verder samen ook te noemen, vrouwelijk enkelvoud, Gedaagde,

gedaagde partij,

gemachtigde: H. de Haan.

1. Het verloop van de procedure

1.1.       Eiser heeft met een dagvaarding een vordering ingesteld. Gedaagde heeft daarop schriftelijk geantwoord. Eiser heeft een conclusie van repliek ingediend en Gedaagde heeft daarop schriftelijk gereageerd.

1.2.       Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2. De feiten en het geschil

2.1.       Gedaagde wilde in 2017 elektrotechnische installaties laten aanleggen voor haar indoorspeeltuin en woonhuis en heeft Eiser daarvoor benaderd. Eiser gaf een richtprijs af van 'circa' 30.000,00 exclusief btw. De opdracht is verstrekt en Eiser is aan het werk gegaan. Eiser heeft deelfacturen gestuurd op 10 oktober 2017 ("1' declaratie", € 1.815,00 inclusief btw), 23 november 2017 ("declaratie installatie materiaal en uitgevoerde werkzaamheden", 9.226,25 inclusief btw) en 20 februari 2018 ("uitgevoerde werkzaamheden tot d.d. 19-02-25018", € 11.495,00 inclusief btw). De facturen waren buiten de geciteerde omschrijvingen niet voorzien van een specificatie.

2.2.      De eerste twee facturen heeft Gedaagde betaald. Na de derde factuur heeft Gedaagde om een specificatie gevraagd, die Eiser ook heeft verstrekt. Daaruit bleek dat Eiser een uurtarief rekende van E 45,00 exclusief btw in 2017 en € 47,50 exclusief btw in 2018. Gedaagde heeft € 10.000,00 op de laatste factuur betaald en het overige (E 1.475,00 inclusief btw) onbetaald gelaten. Eiser heeft daarop een eindfactuur opgesteld (factuur van 27 maart 2018 van E 2.017,43 inclusief btw, productie 1 van Eiser) en geen verdere werkzaamheden meer uitgevoerd. in de eindfactuur is het onbetaald gelaten bedrag van de factuur van 20 februari 2018 opgenomen. Gedaagde heeft in het kader van een schikkingsvoorstel € 445,96 na de eindfactuur betaald.

2.3.      Eiser vordert in deze procedure betaling van het nog openstaande gedeelte van de eindfactuur, met nevenvorderingen.

2.4.      Gedaagde voert verweer. Volgens Gedaagde kloppen de door Eiser in rekening gebrachte bedragen om twee redenen niet. Ten eerste is mondeling afgesproken dat Eiser een uurtarief zou berekenen van € 40,00 exclusief btw. Ten tweede heeft Eiser bij een eerdere opdracht in 2015 C 35,00 exclusief btw per uur gerekend en kan een jaarlijkse opslag wegens inflatie- en/of prijscorrectie nooit tot de door Eiser nu gehanteerde uurtarieven leiden. Gedaagde heeft dus volgens haar geen rekening hoeven te houden met 45,00 of E 47,50 exclusief btw per uur.

3. De beoordeling

3.1.      Gedaagde stelt wel dat zij een uurtarief heeft afgesproken van € 40,00 exclusief btw per uur, maar Eiser ontkent dat en Gedaagde licht dat op geen enkele manier verder toe. Wat Gedaagde had moeten doen, is in ieder geval uitleggen wanneer, bij welke gelegenheid en onder welke omstandigheden dat tarief zou zijn afgesproken, en waaruit blijkt dat Eiser daarmee akkoord is gegaan. Uit de richtprijs die Eiser heeft afgegeven, blijkt in ieder geval niet van die afspraak. Dat een uurtarief van € 40,00 overeengekomen zou zijn, staat dus niet vast en de kantonrechter gaat ervan uit dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt.
Verder heeft Eiser uitgelegd dat hij in 2015 E 35,00 exclusief btw per uur heeft gerekend omdat er destijds door de crisis weinig werk was. Door het rekenen van een (de kantonrechter begrijpt: tijdelijk) laag tarief heeft Eiser geprobeerd om toch voldoende werk binnen te halen. Die uitleg is logisch en aannemelijk, en Gedaagde voert daartegen niets aan. Als Gedaagde, kennelijk zonder dat tegen Eiser uit te spreken, ervan is uitgegaan dat het tarief in 2017/2018 zou zijn afgeleid van dat tijdelijk lage tarief van 2015, moet dat voor haar risico blijven. Eiser hoefde niet te begrijpen dat Gedaagde dit in haar hoofd had.

3.2.      Omdat partijen niets hebben afgesproken over het te hanteren uurtarief, is Gedaagde volgens artikel 7:752 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een 'redelijke' prijs verschuldigd. De berekende prijs is volgens Eiser gebaseerd op de uurtarieven die hij in 2017 en in 2018 normaal in rekening bracht en dat stelt Gedaagde niet ter discussie. Ook stelt Eiser, zonder dat hij wordt tegengesproken, dat deze uurtarieven lager liggen dan wat in die periode in de markt gebruikelijk was. De conclusie is dat de uurtarieven die Eiser in rekening heeft gebracht, redelijk zijn. Omdat Gedaagde de eindfactuur verder niet betwist, is de eindfactuur toewijsbaar.

3.3.     Wel betwist Gedaagde dat zij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, omdat Eiser onterecht niet akkoord zou zijn gegaan met haar schikkingsvoorstel. Maar in deze procedure is komen vast te staan dat de eindfactuur geheel toewijsbaar is, dus hoefde Eiser niet met dat voorstel in te stemmen. Eiser heeft verder voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het door hem gevorderde bedrag, E 302,61, is in overeenstemming met de wettelijke staffel van het toepasselijke Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten en is toewijsbaar.

3.4.     Eiser vordert de wettelijke handelsrente en Gedaagde betwist dat niet. Hoewel een gedeelte van de overeenkomst kennelijk ziet op de installatie in het woonhuis van Gedaagde, ziet de kantonrechter voldoende aanwijzingen dat de overeenkomst een handelstransactie is zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. Kennelijk heeft Gedaagde vanuit de VOF gecontracteerd en de kantonrechter houdt het ervoor dat de installatie van een indoorspeeltuin in ieder geval vanuit de bedrijfsvoering van Gedaagde is aangegaan. Ook houdt de kantonrechter het ervoor dat de installaties in de indoorspeeltuin qua omvang in de overeenkomst het belangrijkst zijn. Op grond hiervan, en omdat Van Middan daar niets over heeft gezegd, is de wettelijke handelsrente zoals gevorderd toewijsbaar (E 36,23 tot II juli 2018, plus de toekomstige wettelijke handelsrente over het restant van de hoofdsom).

3.5.     Op 11 juli 2018 betaalde Gedaagde in het kader van haar schikkingsvoorstel € 445,96 aan Eiser. Eiser heeft dat bedrag éérst kunnen aftrekken van de op dat moment al verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten (E 302,61) en van de toen al verschenen wettelijke handelsrente (E 36,23). Het restant (E 445,96 -1- € 302,61 -1- E 36,23 € 107,12) strekt in mindering op de eindfactuur. Van de eindfactuur moet Gedaagde daarom nog betalen (E 2.017,43 -/- E 107,12 =) E 1.910,31, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf I 1 juli 2018 tot de dag van betaling.

3.6.     De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf veertien dagen na dit vonnis is niet toewijsbaar, omdat de betaling van Gedaagde van 445,96 wordt toegerekend aan die kosten (zie 3.5) en dus zijn de buitengerechtelijke incassokosten al zijn voldaan.

3.7.     Gedaagde is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten betalen. Aan de kant van Eiser worden die kosten tot aan dit vonnis begroot op € 226,00 aan griffierecht en E 300,00 aan salaris gemachtigde, samen € 526,00, plus de kosten van de dagvaarding. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover zijn zoals hierna bepaald toewijsbaar.

4. De beslissing

De kantonrechter:

4.1.     veroordeelt Gedaagde hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan Eiser tegen bewijs van kwijting te betalen E 1.910,31, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW daarover vanaf 11 juli 2018 tot de betaling;

4.2.      veroordeelt Gedaagde hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op 526,00 plus de kosten van de dagvaarding, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan genoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.      veroordeelt Gedaagde Midden hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 75,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

4.4.      verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad

4.5.      wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 december 2018.