De verjaring van de VvE achterstand is gestuit door het afspreken van een betalingsregeling

De gedaagde is eigenaar van een appartement in Rotterdam en moet daarom een maandelijkse VvE bijdrage betalen. Daar is sinds 2015 een grote achterstand in ontstaan. De gedaagde is het niet eens met de vordering. Gedaagde voert aan dat er geen geldig incassobesluit van de VvE bestaat waarin is vastgelegd wat er gebeurt wanneer een van de leden niet betaald, en welke maatregelen daaraan vast zitten zoals welk incassobureau wordt er ingeschakeld. De VvE laat een vergadering notulen zien waarin staat dat er wel degelijk een incassobesluit is genomen. Dit verweer van gedaagde gaat dan ook niet op.

Verder stelt de gedaagde dat de vordering is verjaard. Echter heeft gedaagde in het incassotraject verschillende betalingsregelingen met IntoCash afgesproken waardoor de verjaring is gestuit.

Tot slot is gedaagde van mening dat bepaalde posten van de vordering onduidelijk zijn. De VvE onderbouwd vervolgens deze posten niet voldoende waardoor deze posten worden afgewezen. Het grootste gedeelte van de vordering wordt toegewezen, alsmede de proceskosten die voor gedaagde zijn rekening komen.

Datum: 15 november 2019
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 7694951 / CV EXPL 19-17536

vonnis

in de zaak van

de vereniging

eiseres bij exploot van dagvaarding van 2 april 2019,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung te Rotterdam,

tegen

Gedaagde,

wonende te,

gedaagde,

Partijen worden hierna aangeduid als 'de VvE' en 'Gedaagde'.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de

kantonrechter heeft kennis genomen:

- het exploot van dagvaarding van 2 april 2019, met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek, met producties;
- de conclusie van dupliek.

1.2 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd

weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1 Gedaagde is eigenaar van het appartementsrecht te Rotterdam en daardoor van rechtswege lid van de VvE uit hoofde waarvan hij aan de VvE maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage ten bedrage van (laatstelijk) E 56,60 verschuldigd is.

2.2 Partijen hebben tweemaal een betalingsregeling afgesproken. Naar aanleiding van die betalingsregelingen heeft Gedaagde in de periode van 21 maart 2014 tot en met 24 januari 2019 in totaal een bedrag van E 985,00 aan (de incassogemachtigde van) de VvE betaald.

2.3 De notulen van de op 20 november 2018 gehouden vergadering van de VvE vermelden ­voor zover van belang - het volgende:

"(...) Ook wordt door de leden besloten dat App.140a een hele grote achterstand heeft en al reeds bij incasso bureau is, maar er nu opdracht wordt gegeven deze te

gaan vonnissen bij de rechtbank daar er veel te weinig wordt afgelost. (...)".

2.4 Op 23 mei 2019 heeft Gedaagde aan de VvE een bedrag van € 45,00 betaald.

3. Het geschil

3.1 De VvE heeft, na vermindering van eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen aan haar te betalen € 5.094,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.133,80 vanaf 26 maart 2019 en de toekomstige VvE-bijdragen á € 56,60 per maand vanaf de maand april 2019, een en ander met veroordeling van de VvE in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.

3.2 Aan haar vordering heeft de VvE - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1 Gedaagde is, ondanks herhaalde aanmaning, in gebreke gebleven met tijdige en volledige

betaling van de door hem aan de VvE verschuldigde bijdragen ten bedrage van in totaal

€ 5.118,80. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

• VVE achterstand tot en met 1 juli 2015

€ 2.628,40;

• VVE achterstand augustus 2015 tot en met december 2015

€ 283,00;

• VVE achterstand 2016

€ 679,20;

• VVE achterstand 2017

€ 679,20;

• VVE achterstand 2018

€ 679,20;

• VVE-bijdragen januari 2019 tot en niet maart 2019

€ 169,80.

3.2.2 Door de wanbetaling van Gedaagde zag de VvE zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten ten bedrage van 777,26 inclusief btw komen op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor rekening van Gedaagde. Er is sprake van een geldig incassobesluit. Daarvoor wordt verwezen naar de notulen van de op 20 november 2018 gehouden vergadering van de VvE.

3.2.3 Voorts maakt de VvE aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van E 228,32 aan verschenen rente berekend tot 26 maart 2019.

3.2.4 Gedaagde heeft vei& dagvaarding een bedrag van € 985,00 aan de VvE betaald. Tijdens de onderhavige procedure heeft Gedaagde € 45,00 aan de VvE betaald. Het totaal van deze bedragen, zijnde € 1.030,00, strekt in mindering van het totaal van voornoemde bedragen van de vordering van de VvE.

3.2.5 De vordering van de VvE ziet niet op de aan Gedaagde opgelegde boete ter zake van het niet op de juiste wijze verwijderen van asbest in het complex. Gedaagde heeft de vordering van de VvE erkend door tweemaal een betalingsregeling af te spreken en diverse aflossingen te doen. De op 12 augustus 2015 overeenkomen betalingsregeling betreft ook de post "VVE achterstand tot en met 1 juli 2015" ten bedrage van 2.628,40. Met het afspreken van voornoemde betalingsregelingen is van verjaring geen sprake.

3.3 Het verweer van Gedaagde strekt tot afwijzing van de vordering van de VvE. Daartoe heeft Gedaagde - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.3.1 De VvE is niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat geen sprake is van een geldig incassobesluit. De door de VvE overgelegde notulen zijn niet goedgekeurd c.q. bekrachtigd. Van de VvE mag worden verwacht dat zij het bestaan van een geldig incassobesluit onderbouwd met stukken die het gehele traject van de totstandkoming van het incassobesluit behelzen

3.3.2 De vordering van de VvE is (gedeeltelijk) verjaard.

3.3.3 Gedaagde betwist de verschuldigdheid van de post "VVE achterstand tot en met 1 juli 2015" ten bedrage van E 2.628,40. De VvE heeft deze post onvoldoende onderbouwd. De door de VvE overgelegde specificatie schept evenmin duidelijkheid, omdat in die specificatie sprake is van andere maandbedragen en de opbouw van de bedragen die in de maand mei 2014 zijn gemuteerd is niet inzichtelijk.

3.3.4 Voor zover de vordering van de VvE mede betrekking heeft op een aan Gedaagde opgelegde boete ter zake van het niet op de juiste wijze verwijderen van asbest in het complex voert Gedaagde aan dat hij een betalingsregeling heeft getroffen voor de betaling van die boete. Voor de voldoening daarvan is beslag gelegd op het inkomen van Gedaagde.

3.3.5 Voor de achterstallige VvE-bijdragen hadden partijen een betalingsregeling getroffen. Die is echter eenzijdig door de VvE opgezegd, omdat zij wenste dat het maandelijks aflossingsbedrag werd verhoogd van E 15,00 naar E 100,00. Gedaagde kan echter niet aan die regeling voldoen, Gedaagde is derhalve rauwelijks gedagvaard.

4. De beoordeling

4.1 Ter beoordeling ligt voor of Gedaagde de door de VvE gevorderde bijdragen ten bedrage

van in totaal € 5.118,80 berekend tot en met de maand maart 2019 is verschuldigd.

4.2 Het meest ver strekkende verweer van Gedaagde is dat de VvE niet-ontvankelijk is in haar vordering. Daartoe heeft Gedaagde aangevoerd dat geen sprake is van een geldig incassobesluit, Dat verweer wordt verworpen. Op grond van het onder rechtsoverweging 2.4 vermelde gedeelte van de notulen van de op 20 november 2018 gehouden vergadering van de VvE staat vast dat het incassobesluit is genomen en niet is gesteld of gebleken dat het incassobesluit is aangetast. Daaraan doet niet af dat voornoemde notulen nog niet in een volgende vergadering zijn goedgekeurd c.q. bekrachtigd. Gedaagde heeft voorts niet onderbouwd waarom het incassobesluit niet rechtsgeldig zou zijn. Dat betekent dat in rechte wordt uitgegaan van de rechtsgeldigheid van het incassobesluit. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de VvE ontvankelijk is in haar vordering.

4.3 Gedaagde heeft voorts aangevoerd dat (een gedeelte van) de vordering van de VvE verjaard is. Een vordering tot betaling van een geldsom verjaart ingevolge artikel 3:308 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waartegen de vordering opeisbaar is geworden. De verjaring kan - onder meer - gestuit worden door een erkenning van de vordering (artikel 3:318 BW). Een erkenning van de vordering volgt - bijvoorbeeld ­uit het afspreken van een betalingsregeling.

4.4 De VvE heeft onweersproken aangevoerd dat Gedaagde na ontvangst van de als productie 8 bij repliek overgelegde e-mail van 10 augustus 2015, die betrekking heeft op de post

"VVE achterstand tot en met 1 juli 2015", op 12 augustus 2015 (kennelijk naar aanleiding van voornoemde e-mail) contact heeft opgenomen met (de incassogemachtigde van) de VvE om een betalingsregeling af te spreken. Gedaagde heeft niet betwist dat toen een betalingsregeling met betrekking tot voornoemde post is overeengekomen, zodat de verjaring voor wat betreft de post "VVE achterstand tot en met 1 juli 2015" met het overeen komen van een betalingsregeling is gestuit. Nu er sinds I juli 2015 tot de betekening van de dagvaarding in de onderhavige procedure geen vijf jaren zijn verstreken, zijn de overige door de VvE gevorderde posten evenmin verjaard. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van Gedaagde dat de vordering van de VvE is verjaard, wordt verworpen.

4.5 Gedaagde heeft aangevoerd dat de post "VVE achterstand tot en met 1 juli 2015" onvoldoende is onderbouwd. De VvE heeft als productie 7 bij repliek een specificatie van voornoemde post overgelegd. In die specificatie wordt onder andere - zonder nadere onderbouwing - een tweetal bedragen van respectievelijk E 350,00 en E 800,00 in de maand mei 2014 genoemd en bovendien is voor 1 januari 2013 sprake van een openstaand saldo van E 40,64. Nu Gedaagde de verschuldigdheid van deze posten heeft betwist en de VvE deze posten niet heeft onderbouwd, worden deze posten afgewezen. De overige in de specificatie genoemde posten is Gedaagde wel verschuldigd, omdat die posten zien op de door Gedaagde aan de VvE verschuldigde bijdragen per kwartaal en Gedaagde de verschuldigdheid van die VvE-bijdragen niet heeft betwist.

4.6 De stelling van Gedaagde dat de vordering van de VvE mogelijkerwijs mede betrekking heeft op een aan Gedaagde opgelegde boete ter zake van het niet op de juiste wijze verwijderen van asbest in het complex is door de VvE gemotiveerd betwist en door Gedaagde niet onderbouwd. Nu zulks evenmin blijkt uit de door partijen overgelegde stukken, wordt dat verweer - als onvoldoende gemotiveerd - verworpen.

4.7 De door Gedaagde aangevoerde financiële omstandigheden - hoe vervelend ook - ontslaan hem niet van zijn betalingsverplichting jegens de VvE.

4.8 Nu Gedaagde de verschuldigdheid van de door de VvE gevorderde hoofdsom voor het overige niet heeft betwist, is aan hoofdsom in beginsel een bedrag van E 3.928,16 toewijsbaar, met afwijzing van het meer gevorderde.

4.9 Ingevolge artikel 6:44 lid 1 BW strekken betalingen ter voldoening van een geldsom eerst in mindering van de kosten, vervolgens van de verschenen rente en ten slotte van de hoofdsom. Derhalve dient voorts beoordeeld te worden of Gedaagde verschenen rente en/of een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.

4.10 De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, nu de VvE bij dagvaarding van een onjuist bedrag aan hoofdsom is uitgegaan. De VvE heeft hiermee over een te hoog bedrag aan hoofdsom verschenen rente berekend.

4.11 De VvE maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering, een vordering voortvloeiend uit het lidmaatschap van de VvE, moet gelijkgesteld worden met een vordering uit overeenkomst. De vordering zal daarom beoordeeld worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu de VvE heeft nagelaten een afschrift van de kosteloze aanmaning als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid BW bij de dagvaarding over te leggen.

4.12 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat - gelet op het totaal van betalingen van Gedaagde aan de VvE ad E 1.030,00 - aan toewijsbare hoofdsom een bedrag van € 2.898,16 resteert. Dat bedrag wordt toegewezen.

4.13 De gevorderde wettelijke rente zal - als onbetwist en op de wet gegrond - warden toegewezen over E 2.943,16 vanaf 26 maart 2019 tot 23 mei 2019 en - gelet op de door Gedaagde verrichte betaling van E 45,00 op 23 mei 2019 - over E 2.898,16 vanaf 23 mei 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

4.14 De vordering inzake toekomstige, nog te vervallen bijdragen, wordt toegewezen tot he( einde van het ten tijde van de dagvaarding lopende boekjaar. De reden van deze beperking is dat de hoogte van de bijdragen nadien nog niet vast staat.

4.15 Gedaagde heeft aangevoerd dat de VvE hem rauwelijks heeft gedagvaard. Dat verweer wordt verworpen. Daartoe wordt overwogen dat uit de door de VvE overgelegde correspondentie blijkt dat sprake is van een langdurig incassotraject, waarin meerdere betalingsregelingen zijn afgesproken en waarin Gedaagde meermaals heeft verzocht die betalingsregelingen te wijzigen of betalingen op een later moment te mogen verrichten. Gedaagde heeft aangevoerd dat de VvE de laatst overeengekomen betalingsregeling eenzijdig heeft opgezegd, omdat Gedaagde geen verhoogd maandbedrag zou willen betalen. Nu de VvE dat verweer gemotiveerd heeft betwist en Gedaagde geen bewijs van de gestelde eenzijdige opzegging heeft aangeboden, wordt dat verweer - als onvoldoende gemotiveerd ­verworpen. De VvE heeft Gedaagde voldoende in de gelegenheid gesteld om haar vordering buitengerechtelijk te voldoen, zodat de VvE Gedaagde op goede gronden heeft gedagvaard.

4.16 Gedaagde wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de VvE, die tot aan deze uitspraak worden begroot op E 589,07 aan verschotten (bestaande uit E 486,00 aan griffierecht en E 103,07 aan explootkosten) en E 420,00 aan salaris voor de gemachtigde van de VvE (bestaande uit 2 punten á E 210,00), te vermeerderen met de wettelijke rente. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

4.17 Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en kan derhalve onbesproken blijven.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan de VvE tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

E 2.898,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over E 2.943,16 vanaf 26 maart 2019 tot 23 mei 2019 en te vermeerderen met de wettelijke rente over C 2.898,16 vanaf 23 mei 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde tevens om aan de VvE te voldoen de toekomstige bijdragen, zodra opeisbaar, ten bedrage van E 56,60 per maand, die vervallen in de periode vanaf de maand april 2019, tot het einde van het ten tijde van de dagvaarding lopende boekjaar, dan wel zoveel eerder het lidmaatschap van Gedaagde zal eindigen;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vve begroot op:

€ 589,07 aan verschotten;

€ 420,00 aan salaris voor de gemachtigde;
te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

en indien Gedaagde niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op E 105,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.