e-mailbericht van opzegging verzonden naar verkeerd e-mailadres

Eiseres (verhuurder) wilt dat gedaagde (huurder) zijn huurachterstand betaald. De huurder is het hier niet mee eens en stelt dat hij de huur schriftelijke heeft beëindigd. Gedaagde stelt dit via een e-mail gedaan te hebben. De eiseres heeft het ontvangst van deze mail betwist. Ter comparitie is gebleken dat de e-mail naar een onjuist adres is verzonden. Andere standpunten van gedaagde worden onvoldoende onderbouwd en daarom ook aan voorbij gegaan. De vordering is dus terecht en wordt dan ook toegewezen. Ook wordt de gedaagde veroordeelt om de wettelijke rente en de proceskosten te betalen.

Datum: 19 december 2014
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: CV EXPL 14-40465

vonnis

in de zaak van

Eiser, woonplaats:, eiseres bij exploot van dagvaarding van 11 augustus 2014,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung te Rotterdam

tegen

Gedaagde, woonplaats:, gedaagde,

voor wie A heeft gereageerd.

1.  Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van de door eiseres genoemde bedragen, waarin begrepen € 1.803,01 aan achterstallige huur met betrekking tot het gehuurde, berekend tot en met de maand juni 2014.

Gedaagde heeft op de eis geantwoord.

Bij vonnis van 7 oktober 2014 is een comparitie van partijen bepaald, welke op 20 november 2014 in aanwezigheid van partijen is gehouden.

2.   De beoordeling van de vordering

Gedaagde heeft gesteld dat zij bij schrijven van 31 maart 2014 de huur schriftelijk heeft beëindigd. Op 30 april 2014 heeft gedaagde een e-mailbericht van opzegging verzonden naar een e-mail adres. Eiseres heeft ter comparitie zowel de ontvangst van de brief van 31 maart 2014 als de ontvangst van het e-mailbericht van 30 april 2014 betwist.

De kantonrechter overweegt dat gedaagde onvoldoende naar voren heeft gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de opzeggingsbrief van 31 maart 2014 eiseres daadwerkelijk heeft bereikt. Hierbij komt dat de e-mail van 30 april 2014, waar gedaagde zich op beroept, naar ter comparitie is gebleken aan een onjuist adres is verzonden. Tegenover de betwisting van eiseres dat zij de opzeggingsbrief heeft ontvangen, heeft gedaagde onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een andere conclusie zouden lijden. Het standpunt van gedaagde dat de nieuwe huurder (de dierenarts) mogelijk al vanaf midden juni 2014 huur is gaan betalen, is onvoldoende onderbouwd zodat hieraan voorbij zal worden gegaan.

De vordering is op de wet gegrond en wordt dan ook toegewezen, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt.

De door eiseres (voorwaardelijk) gevorderde afwikkelingskosten (nakosten) worden afgewezen, nu voldoende gegevens ontbreken om die kosten reeds thans te kunnen begroten. Mocht tussen partijen een geschil ontstaan omtrent de omvang van die kosten, staat het eiseres vrij de kantonrechter te verzoeken deze te begroten op de voet van artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen € 2.770,32 aan achterstallige huur van de maand juni 2014, rente en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd roet de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW over € 1.803,01 vanaf 8 augustus 2014 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op € 539,52 aan verschotten en € 350,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. W, Langeler en uitgesproken ter openbare terechtzitting.