Eiser is zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst wel nagekomen. De rechter wijst tegenvordering dan ook af

Eiser heeft aan Gedaagde haar bar inclusief inventaris verkocht voor €75.000,-. Gedaagde heeft een bedrag van €2.188,46 ondanks sommaties, onbetaald gelaten. Eiser stelt dat bij de verkoop van het café is afgesproken dat Gedaagde de kosten van het telefoon- en internetgebruik, waarvan het abonnement op Eiser's naam bleef staan, aan hem zou vergoeden. Gedaagde voert aan dat hij geen vergoeding aan Eiser verschuldigd is voor telefoon- en internetgebruik. Volgens Gedaagde heeft Eiser de vetput van het café niet goed onderhouden, zodat sprake is van een gebrek dat Eiser ten onrechte bij de koop niet heeft medegedeeld. Gedaagde heeft daardoor extra kosten van €8.568,01 moeten maken. Ook missen er volgens Gedaagde enkele dingen in de inventaris die wel in de koop waren inbegrepen. Eiser voert ter verweer onder meer aan dat Gedaagde te laat klaagt over de vetput althans dat geen sprake is van slecht onderhoud. Evenmin is sprake van ontbrekende inventaris. Gedaagde heeft ook getekend voor ontvangst van de volledige inventaris.

De rechter is van oordeel, nu Gedaagde niet eerder dan ruim een jaar na overname constateerde dat de vetput niet goed meer functioneerde, dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat dit aan gebrekkig onderhoud door Eiser te wijten is geweest. Dit deel van de vordering zal op grond daarvan worden afgewezen en de vraag of Gedaagde al dan niet (zoals Eiser stelt) tijdig heeft geklaagd, behoeft daarom niet nader te worden beoordeeld. Met betrekking tot de inventarislijst ziet de rechter dat er door de gedaagde getekend is voor ontvangst van alle inventaris. Het enkel stellen dat er goederen ontbreken is niet voldoende. Ook deze tegenvordering is dan ook afgewezen. Tot slot bekijkt de rechter hoe het zit met de telefoon- en internetabonnement en of Eiser daar een vergoeding voor moet betalen. Vast staat dat tussen partijen was afgesproken dat Gedaagde deze kosten aan Eiser zou vergoeden. Er is niet gebleken dat omdat Eiser ook zelf gebruik maakte van het inernet tot een wijziging van deze afspraak heeft geleid. Dat er tussen partijen op enig moment over andere zaken onenigheid ontstond, doet aan die afspraak niets af. De kantonrechter zal ook deze vordering toewijzen.

Datum: 8 februari 2017
Rechtbank: Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 5229289 UC EXPL 16-10247 CF/908

Vonnis

inzake

Eiser,

wonende te, verder ook te noemen Eiser, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: Incassobureau IntoCash,

tegen:

Gedaagde, t.h.o.d.n. Eetcafé Gedaagde,

wonende te, verder ook te noemen Gedaagde, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. M.J.P. Leenders.

1. De procedure

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-  het tussenvonnis van 24 augustus 2016

-  de conclusie van antwoord in reconventie.

De zaak is op 1 december 2016 ter comparitie behandeld. Van de zitting is aantekening gehouden.

1.2.       Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij overeenkomst van 19 mei 2014 heeft Eiser, samen met mevrouw G., aan Gedaagde (en de heer B) verkocht Bar V, inclusief goodwill en inventaris, voor een bedrag van € 75.000,-. Gedaagde exploiteert het café sinds juni 2014. Sinds november 2014 is de VOF tussen Gedaagde en B ontbonden en exploiteert Gedaagde het café vanuit zijn eenmanszaak.

2.2.       In de overeenkomst tussen partijen is onder meer, voor zover hier relevant, het volgende bepaald:

“(...)"de koper", die verklaart te hebben gekocht en in eigendom te aanvaarden, handelsnaam, goodwill en inventaris van het horecabedrijf Bar gedreven in de bedrijfsruimte aan de (...) waarvan de inventaris nader is omschreven op een aan deze overeenkomst gehechte, door beide partijen ondertekende en gewaarmerkte lijst, partijen genoegzaam bekend (...)

15. Restbepalingen

a.   De telefoon-, fax- en betaalautomaataansluiting worden, voor zover aanwezig desgewenst op naam van koper gesteld.

b.   Koper staat verkoper toe om de bovenwoning om niet te gebruiken tot uiterlijk 28- 02-2015. Op deze datum zal de verkoper de bovenwoning hebben verlaten en bezemschoon achterlaten."

2.3.       Als bijlage bij de overeenkomst is onder meer een inventarislijst gevoegd.

2.4.       Op 31 juli 2014 hebben partijen een overdrachtsverklaring ondertekend. In deze verklaring staat onder meer het volgende:

"Hierbij verklaren ondergetekenden:

(...)

Over te dragen: handelsnaam, goodwill en inventaris van het horecabedrijf Bar eetcafé Friends

(...)

De heer J. M. Gedaagde (...) en de heer R.C.M. B (...) die verklaren op: 31 juli 2014 om ___ uur

bovenvermeld horecabedrijf tegen genoemde koopsom in eigendom te hebben ontvangen.

Bijzondere bepalingen:

De mede-ondergetekende verklaart door ondertekening van deze verklaring de voornoemde inventaris compleet, in goede staat en zonder gebreken te hebben ontvangen."

2.5.       De exploitatie van het café door Gedaagde is aanvankelijk gebeurd op basis van een horecavergunning op naam van Eiser. Vanaf september 2014 is Gedaagde, als leidinggevende, op de vergunning van Eiser bijgeschreven. Vervolgens heeft Gedaagde zelf een vergunning aangevraagd. In augustus 2015 is de vergunning van Eiser door hem beëindigd.

2.6.       Het telefoon- en internetabonnement waarvan het café gebruik maakte stond tot en met augustus 2015 eveneens op naam van Eiser. Op 28 augustus 2015 heeft Eiser in verband daarmee aan Gedaagde een factuur gestuurd ter hoogte van € 2.188,46.

3. Hel geschil

in conventie

3.1. Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Gedaagde om aan Eiser te voldoen € 2.188,46, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 28 september 2015 tot de voldoening, alsmede € 397,21 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten en na kosten.

3.2. Ter onderbouwing van die vordering stelt Eiser dat Gedaagde jegens Eiser toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, door de factuur van 28 augustus 2015, ondanks sommaties, onbetaald te laten. Eiser stelt dat bij de verkoop van het café is afgesproken dat Gedaagde de kosten van het telefoon- en internetgebruik, waarvan het abonnement op Eiser's naam bleef staan, aan hem zou vergoeden.

3.3.         Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van Eiser in de proceskosten.

Gedaagde voert aan dat hij geen vergoeding aan Eiser verschuldigd is voor telefoon- en internetgebruik en beroept zich op verrekening van hetgeen hij in reconventie van Eiser vordert.

3.4.         Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.         Gedaagde vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Eiser om aan Gedaagde te voldoen € 8.568,01 in verband met gebrekkig onderhoud aan de vetput van het café, € 545,14 in verband met het ontbreken van inventaris, € 233,67 in verband met omzetverlies door een storing in de pinautomaat, € 1.000,- in verband met huur voor maart 2015 en € 1.210,- in verband met advisering voor een horecavergunning, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2016 (de datum'van de vordering in reconventie), alsmede € 1.200,- aan buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van Eiser in de proceskosten en de nakosten.

3.6.          Gedaagde stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat Eiser zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst niet is nagekomen en dat sprake is van onrechtmatige daad. Volgens Gedaagde heeft Eiser de vetput van het café niet goed onderhouden, zodat sprake is van een gebrek dat Eiser ten onrechte bij de koop niet heeft medegedeeld. Gedaagde heeft daardoor extra kosten, ter onderbouwing waarvan hij een offerte voor inbouw van een nieuwe vetafscheider heeft overgelegd, ten bedrage van € 8.568,01. Verder ontbraken delen van de inventaris die wel in de koop waren inbegrepen, heeft Gedaagde extra kosten moeten maken als gevolg van de omstandigheid dat, bij het overzetten van de pinautomaat op zijn rekeningnummer, de pinautomaat in storing ging en heeft Gedaagde advies moeten inwinnen over het verkrijgen van een vergunning omdat Eiser begin 2015 dreigde zijn vergunning in te trekken. Tot slot stelt Gedaagde dat Eiser tot uiterlijk 28 februari 2015 huurvrij in de bovengelegen woning mocht verblijven maar dat hij deze niet voor medio maart 2015 heeft opgeleverd, althans de sleutels niet heeft ingeleverd, waardoor Gedaagde een maand huurinkomsten is misgelopen.

3.7. Eiser voert ter verweer onder meer aan dat Gedaagde te laat klaagt over de vetput althans dat geen sprake is van slecht onderhoud. Evenmin is sprake van ontbrekende inventaris. Gedaagde heeft ook getekend voor ontvangst van de volledige inventaris. De storing in de pinautomaat is aan Gedaagde zelf te wijten en aan de vordering met betrekking tot de kosten van advisering ontbreekt iedere rechtsgrond, aldus Eiser. Ten aanzien van het gevorderde huurbedrag stelt Eiser dat hij op 28 februari 2015 de woning heeft verlaten, dat Gedaagde dat heeft gezien en dat door de afwezigheid van Gedaagde bij de inspectie op 1 maart 2015 de sleutels niet konden worden overgedragen. Ook is niet gebleken dat Gedaagde een huurder had voor maart en had hij zelf een plicht tot beperking van de schade, bijvoorbeeld door de sloten te veranderen of aan Eiser om de sleutels te vragen, aldus Eiser.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.        Gedaagde heeft niet weersproken dat hij ten behoeve van het cafe gebruik maakte van het telefoon- en internetabonnement dat op naam van Eiser stond. Gedaagde betwist wel dat hij gehouden is daarvoor een vergoeding te betalen. Ter zitting heeft hij daartoe gesteld dat Eiser en zijn gezin, toen zij boven het café woonden, ook privé van die abonnementen gebruik hebben gemaakt. Gedaagde stelt dat was afgesproken dat op enig moment alles tegelijk verrekend zou worden, waaronder ook de niet-complete inhoud van het magazijn. Omdat Eiser op enig moment dreigde de vergunning in te trekken, zijn de verhoudingen ernstig verstoord geraakt en is er niets meer van een nette afhandeling gekomen.

4.2.       Naar het oordeel van de kantonrechter staat, nu Gedaagde dat op zich niet heeft weersproken, vast dat tussen partijen was afgesproken dat Gedaagde genoemde kosten aan Eiser zou vergoeden. Gesteld noch gebleken is dat de omstandigheid dat Eiser deze voorzieningen ook zelf gebruikte tot een wijziging van deze afspraak heeft geleid. Dat er tussen partijen op enig moment over andere zaken onenigheid ontstond, doet aan die afspraak niets af. De kantonrechter zal de vordering dan ook toewijzen.

4.3.       Ten aanzien van de kosten in verband met de vetput is de kantonrechter van oordeel dat Gedaagde, tegenover de betwisting door Eiser, deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd, Eiser heeft gesteld de vetput goed te hebben onderhouden en dat B, die mede-koper was, daarvan op de hoogte was omdat deze 3 jaar voor Eiser in het café heeft gewerkt als Assistent (plaatsvervanger) Horeca Manager en aldus op de hoogte was van alle ins en outs van het café.

De kantonrechter is van oordeel, nu Gedaagde niet eerder dan ruim een jaar na overname (in september 2015 zoals hij zelf stelt) constateerde dat de vetput niet goed meer functioneerde, dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat dit aan gebrekkig onderhoud door Eiser te wijten is geweest. Dit deel van de vordering zal op grond daarvan worden afgewezen en de vraag of Gedaagde al dan niet (zoals Eiser stelt) tijdig heeft geklaagd, behoeft daarom niet nader te worden beoordeeld.

4.4.        Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Eiser de door beide partijen ondertekende inventarislijst overgelegd. Deze lijst, in samenhang met de inhoud van de koopovereenkomst (zie overweging 2.2) en de door Gedaagde ondertekende overdrachtsverklaring (zie overweging 2.4), levert dwingend bewijs op van de levering door Eiser en ontvangst door Gedaagde van alle overeengekomen inventarisgoederen. De enkele stelling van Gedaagde daartegenover dat niettemin goederen ontbreken is onvoldoende voor het oordeel dat dit anders is. Ook dit deel van de vordering van Gedaagde zal daarom worden afgewezen.

4.5.        De vordering met betrekking tot omzetderving als gevolg van problemen met de pinautomaat zal eveneens worden afgewezen. Gedaagde heeft niet duidelijk gemaakt op welke grond de gestelde schade voor rekening van Eiser dient te komen of waarom de storing aan de pinautomaat aan het handelen of nalaten van Eiser te wijten zouden zijn.

4.6.        Evenmin ziet de kantonrechter aanleiding voor het oordeel dat Eiser gehouden is de kosten van het advies dat Gedaagde heeft ingewonnen omtrent de horecavergunning aan hem te vergoeden. Hoewel op zich als juist is komen vast te staan dat Eiser begin 2015 aan Gedaagde heeft aangekondigd voornemens te zijn de vergunning die op zijn naam stond te beëindigen, valt niet in te zien waarom hij voor genoemde advieskosten aansprakelijk kan worden gehouden. Niet gebleken is dat partijen hadden afgesproken dat Eiser langer dan tot begin 2015 de vergunning zou aanhouden en evenmin kan worden gezegd dat (ruim) een halfjaar een onredelijk korte termijn is om een nieuwe eigenaar van een café in de gelegenheid te stellen een vergunning te verkrijgen. Eiser heeft immers onbetwist gesteld dat een gebruikelijke termijn daarvoor 6-8 weken is en dat hij aansprakelijkheidsrisico's loopt bij het op zijn naam door een ander doen exploiteren van het café. Ook de problemen waar Gedaagde bij de toetsing aan de wet Bibob tegen aan liep (waardoor volgens hem de termijn kan oplopen tot 20 weken) maken niet dat deze aankondiging van Eiser als onredelijk is aan te merken. Gegeven deze omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding voor het oordeel dat Eiser in strijd met afspraken of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld zodat hij ook niet gehouden is de gestelde schade te vergoeden.

4.7.        Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat ook de vordering van Gedaagde tot betaling van huur door Eiser dient te worden afgewezen. Eiser heeft gesteld dat Gedaagde aanvankelijk beneden in het café aanwezig was toen hij op 28 februari 2015 aan het verhuizen was en dat Gedaagde zijn verhuisbusje moet hebben gezien omdat deze pal voor de auto van Gedaagde was geparkeerd. Gedaagde heeft dit niet nader weersproken. Gedaagde heeft alleen nog gesteld dat Eiser de sleutel niet voor 1 maart 2015 bij hem heeft ingeleverd. De kantonrechter is van oordeel dat daaruit niet kan volgen dat Eiser gehouden is een maand huur aan Gedaagde te betalen. Er was immers geen sprake van een huurovereenkomst (Eiser betaalde geen huur) en Gedaagde heeft voorts niet onderbouwd dat hij schade heeft geleden in de zin dat hij, indien hij de sleutel wel voor half maart 2015 had gekregen, huurbetalingen van een huurder zou hebben ontvangen. Gedaagde heeft niet gesteld en niet aangetoond dat er een huurder was die de woning met ingang van 1 maart 2015 wilde huren.

4.8.       Gelet op het voorgaande, zal het beroep van Gedaagde op verrekening worden gepasseerd en de vorderingen in reconventie worden afgewezen.

4.9.       Eiser vordert de wettelijke rente met ingang van de vervaldatum van de factuur. Gedaagde betwist rente aan Eiser verschuldigd te zijn en stelt daartoe dat hem onvoldoende duidelijk is vanaf welke datum Eiser de rente berekent. Volgens Gedaagde is hij op 15 januari 2016 voor het eerst aangemaand tot betaling. Er stond bovendien nog een ander bedrag op die aanmaning waarvan voor Gedaagde niet duidelijk was waar het over ging. Hij kreeg daaromtrent echter geen uitsluitsel. Dat bedrag wordt thans overigens ook niet meer gevorderd.

De kantonrechter stelt vast dat de door Eiser overgelegde aanmaningen zien op een totaal bedrag van € 4.438,46, opgebouwd uit twee bedragen (€ 2.188,46 en € 2.250,-). Thans ligt alleen nog de vordering voor tot betaling van € 2.188,46. Onduidelijk is gebleven wat de aard of grondslag is (geweest) van het overige. Op grond daarvan dient ervan te worden uitgegaan dat Gedaagde ten onrechte is aangemaand voor het bedrag van € 2.250,-, zodat hem niet kan worden verweten dat hij eerst duidelijkheid wenste omtrent de factuur alvorens tot betaling over te gaan en daardoor de factuur niet tijdig heeft betaald. De kantonrechter ziet hierin aanleiding te bepalen dat de wettelijke rente zal worden toegewezen niet eerder dan met ingang 1 juli 2016, de datum van de dagvaarding. Niet eerder dan bij dagvaarding is duidelijk geworden dat Eiser Gedaagde niet gehouden achtte het bedrag van € 2.250,- te betalen.

4.10.      Op grond van het voorgaande zal de vordering van Eiser tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten eveneens worden afgewezen.

4.11.      Gedaagde zal als de, in conventie en reconventie, in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden vei oor deeld. De kosten aan de zijde van Eiser in conventie worden begroot op:

-  dagvaarding              €                      94,08

-   griffierecht                €                    223,00

~ salaris gemachtigde €__________ 300,00 (2 punten x tarief € 150,00)

Totaal                            €                    617,08.

De kosten aan de zijde van Eiser in reconventie worden begroot op:

-   salaris gemachtigde €                  € 150,00 (1 punt x tarief € 150,00).

4.12.      De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

4.13.      De vordering tot betaling van nakosten zal worden toegewezen als hierna te melden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.        veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.188,46, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 1 juli 2016 tot de voldoening;

5.2.        veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 617,08, waarin begrepen € 300,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.            veroordeelt Gedaagde, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 75,00 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.6.        wijst de vorderingen af;

5.7.        veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 150,00 aan salaris gemachtigde;

5.8.        verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.