Eiser kon de overeenkomst eenzijdig beëindigen aangezien de gedaagden zijn tekortgeschoten in de nakoming

De eiser heeft een windturbine van de gedaagde gekocht. Partijen zijn overeengekomen om, mocht dat nodig zijn, eerst een demonstratiemodel te plaatsen, dat dan later zou worden omgeruild voor een definitief model. Het demonstratiemodel is geleverd en hiervoor heeft de eiser een deelfactuur gekregen en volledig betaald. De levering van de definitieve windturbine in april 2015 bleek niet mogelijk vanwege problemen bij de producent. Na veel correspondentie hierover zijn partijen overeengekomen dat het definitieve model uiterlijk begin oktober 2015 geleverd zou worden. Het definitieve model is echter niet geleverd. Daarnaast is er veel gesproken over de kwaliteit van het demonstratiemodel. Deze zou moeilijkheden vertonen bij het meten van de energieopbrengt welke ook nog eens zeer gering was. Ook bleek de windturbino onderhoudsgevoelig en was er regelmatig toezicht nodig.

In februari 2016 is het demonstratiemodel naar benden gevallen. Eiser heeft op 7 april 2016 een brief gestuurd aan Gedaagden waarin is opgenomen dat naar zijn oordeel sprake is: "(..) van een totale wanprestatie door de NuytGroep ten aanzien van de betreffende aanbieding. De totale aanbieding van 25 maart 2015 met nummer 20150106 dient dan ook gecrediteerd te worden. " Eiser vordert bij de rechter dan ook terugbetalen en om de gedaagden te veroordelen in de overige kosten.

Ter onderbouwing van de vordering stelt Eiser dat hij de overeenkomst heeft ontbonden nu de levering van de definitieve windturbine is uitgebleven en vanwege problemen met het demonstratiemodel, zodat Gedaagden het aanbetaalde bedrag moet terugbetalen. Gedaagden heeft als verweer aangevoerd dat een lopende, deels uitgevoerde overeenkomst niet eenzijdig kan worden beëindigd. Daarnaast voert zij aan dat de vertraging in de levering van de definitieve windturbine is veroorzaakt door problemen bij de producent. Op die omstandigheden zou Gedaagden dus geen invloed hebben. Gedaagden stelt voorts dat zij Eiser had gewaarschuwd dat het demonstratiemodel kwetsbaarder was en dat de val van de turbine is veroorzaakt door onvoldoende toezicht.

De rechter beantwoord de vraag of Eiser onder deze omstandigheden eenzijdig de overeenkomst kon beëindigen en, als dat kon, wat dan de gevolgen zijn. In artikel 6:265 BW staat dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Tussen partijen staat vast dat de levering van de definitieve windturbine meerdere malen is uitgesteld. Eiser heeft onweersproken gesteld dat partijen vervolgens een uiterste datum hebben afgesproken. De definitieve windturbine moest uiterlijk begin oktober 2015 zijn geleverd. De kantonrechter is van oordeel dat reeds het feit dat ook die termijn niet is gehaald met zich brengt dat Gedaagden is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen. Een tweede tekortkoming betreft de gebrekkige werking van het demonstratiemodel; er waren storingen, het meten van de energieopbrengst was problematisch en als het meten wel lukte, was de opbrengst lager dan verwacht. Beide tekortkomingen rechtvaardigen - ieder op zichzelf al - ontbinding van de overeenkomst. De oorzaak van de val van het demonstratiemodel kan dan ook buiten beschouwing blijven.

Het tweede verweer van Gedaagden houdt zakelijk weergegeven in dat problemen bij de producent niet voor haar rekening zouden moeten komen. Voor zover Gedaagden daarmee een beroep doet op overmacht, kan dat beroep Gedaagden niet baten. De genoemde problemen liggen in in de risicosfeer van Gedaagden. Bovendien is voor ontbinding niet noodzakelijk dat de tekortkoming kan worden toegerekend aan de tekortschietende partij, zodat niet relevant is of sprake is van overmacht.

De gedaagden moeten dan ook het door de eiser betaalde bedrag van €9.495,70 terugbetalen minus €500,- voor het leveren van het demonstratiemodel. Ook zal de Gedaagden worden veroordeeld in de kosten.

Datum: 9 augustus 2017
Rechtbank: Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 5416211 UC EXPL 16-14390 JO/33619

Vonnis

inzake

EISER, h.o.d.n. EISER,

wonende te,

verder ook te noemen Eiser,

eisende partij,

gemachtigde: Incassobureau IntoCash,

tegen:

1.      de vennootschap onder firma V.O.F. GedaagdeGroep,

gevestigd te

2.      Gedaagde 1, vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te Amerongen

3.      Gedaagde 2, vennoot van de gedaagde sub 1,

wonende te, verder ook te noemen Gedaagden, gedaagde partij, procederend in persoon.

1. De procedure

1.1.           Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      de dagvaarding van 27 september 2016 (met producties)

-      de conclusie van antwoord (met producties)

-      de conclusie van repliek (met producties)

-      de conclusie van dupliek (met producties)

-      de akte uitlating producties.

1.2.           Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiser heeft in maart 2015 van Gedaagden een klein formaat windturbine met randapparatuur gekocht. De overeenkomst, vastgelegd in offerte 20150106 van 25 maart 2015, vermeldt een totaalbedrag van € 13.538,70 inclusief btw.

2.2.        Eiser zou de windturbine gaan gebruiken bij een pilot in het kader van het Sustainable Portsproject, een samenwerkingsverband van een aantal Europese havensteden op het gebied van duurzaamheid. De pilot ging over het winnen van windenergie met klein formaat windturbines in havengebieden. Voor het project was onder voorwaarden subsidie beschikbaar en een van die voorwaarden was dat uiterlijk in juni 2015 daadwerkelijk gemeten resultaten van gewonnen of bespaarde energie moesten worden ingediend.

2.3.        Op 17 februari 2015, dus voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, heeft Gedaagden in een e-mailbericht van 17 februari 2015 aan Eiser over de gewenste datum van levering geschreven:

"half maart wordt sowieso een tijdelijke demo molen.

De nieuwe zending verwachten we niet voor april. "

Partijen zijn vervolgens overeengekomen om, mocht dat nodig zijn, eerst een demonstratiemodel te plaatsen, dat dan later zou worden omgeruild voor een definitief model.

2.4.        Gedaagden heeft in het kader van de overeenkomst aan Eiser deelfactuur 2015S104 d.d. 20 mei 2015 gezonden ten bedrage van € 9.594,70 inclusief btw. Eiser heeft dit bedrag volledig betaald.

2.5.        De levering van de definitieve windturbine in april 2015 bleek niet mogelijk vanwege problemen bij de producent. In verband met het tijdig aanleveren van meetgegevens voor de subsidie besloten partijen om inderdaad eerst het demonstratiemodel te installeren. Op 27 mei 2015 is het demonstratiemodel geïnstalleerd in de haven van Hellevoetsluis.

2.6.        Partijen zijn bij of rond die gelegenheid overeengekomen dat het definitieve model uiterlijk begin oktober 2015 geleverd zou worden. De definitieve windturbine is niet geleverd. Partijen hebben daarnaast vanaf begin juni 2015 regelmatig gecorrespondeerd over storingen aan het demonstratiemodel, de moeilijkheden bij het meten van de energieopbrengst en de zeer geringe omvang van die energieopbrengst. Ook bleek de windturbine onderhoudsgevoelig en was regelmatig toezicht nodig.

2.7.       Op 19 februari 2016 is de paal waarop het demonstratiemodel was gemonteerd losgeraakt en rechtstandig naar beneden gevallen, waardoor het demonstratiemodel onherstelbaar is beschadigd. De restanten van het demonstratiemodel zijn in oktober 2016 door Gedaagden verwijderd.

2.8.        Eiser heeft op 7 april 2016 een brief gestuurd aan Gedaagden waarin is opgenomen dat naar zijn oordeel sprake is:

"(..) van een totale wanprestatie door de NuytGroep ten aanzien van de betreffende aanbieding.

De totale aanbieding van 25 maart 2015 met nummer 20150106 dient dan ook gecrediteerd te worden. "

Eiser sommeert in de brief tot terugbetal ing binnen 5 werkdagen na 8 april 2016.

2.9.      Bij brief van 22 april 2016 heeft Eiser Gedaagden opnieuw gesommeerd tot betaling.

3. Het geschil

3.1.       Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van Gedaagden om aan Eiser te voldoen:

de hoofdsom van € 9.594,70, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over de hoofdsom, berekend vanaf 22 april 2017 tot de dag der voldoening;

€ 854,74 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der voldoening; en

de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der voldoening; en — separaat — de nakosten en kosten van de dagvaarding.

Vergoeding van de schade als gevolg van de val van het demonstratiemodel wordt niet gevorderd en blijft buiten deze procedure.

3.2.       Ter onderbouwing van de vordering stelt Eiser dat hij de overeenkomst heeft ontbonden nu de levering van de definitieve windturbine is uitgebleven en vanwege problemen met het demonstratiemodel, zodat Gedaagden het aanbetaalde bedrag moet terugbetalen.

3.3.       Gedaagden heeft als verweer aangevoerd dat een lopende, deels uitgevoerde overeenkomst niet eenzijdig kan worden beëindigd. Daarnaast voert zij aan dat de vertraging in de levering van de definitieve windturbine is veroorzaakt door problemen bij de producent, uitmondend in diens faillissement. Die omstandigheden lagen buiten haar invloedsfeer en zij heeft zich ingespannen om nadelige gevolgen te beperken.

3.4.       Gedaagden stelt voorts dat zij Eiser had gewaarschuwd dat het demonstratiemodel kwetsbaarder was, minder meetmogelijkheden had en een veel kleinere energieopbrengst had dan de definitieve windturbine. Ten slotte stelt Gedaagden dat de val van het demonstratiemodel moet zijn veroorzaakt door onvoldoende toezicht bij harde wind en niet, zoals Schoorien stelt, in ondermaats bevestigingsmateriaal.

3.5.       Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op hetgeen partijen over en weer aanvoeren, moet in deze zaak de vraag worden beantwoord of Eiser onder deze omstandigheden eenzijdig de overeenkomst kon beëindigen en, als dat kon, wat dan de gevolgen zijn. In artikel 6:265 BW staat dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.2.        Tussen partijen staat vast dat de levering van de definitieve windturbine meerdere malen is uitgesteld. Eiser heeft onweersproken gesteld dat partijen vervolgens een uiterste datum hebben afgesproken. De definitieve windturbine moest uiterlijk begin oktober 2015 zijn geleverd.

4.3.        De kantonrechter is van oordeel dat reeds het feit dat ook die termijn niet is gehaald met zich brengt dat Gedaagden is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen. Een tweede tekortkoming betreft de gebrekkige werking van het demonstratiemodel; er waren storingen, het meten van de energieopbrengst was problematisch en als het meten wel lukte, was de opbrengst lager dan verwacht. Beide tekortkomingen rechtvaardigen - ieder op zichzelf al - ontbinding van de overeenkomst. De oorzaak van de val van het demonstratiemodel kan dan ook buiten beschouwing blijven.

4.4.        Het tweede verweer van Gedaagden houdt zakelijk weergegeven in dat problemen bij de producent niet voor haar rekening zouden moeten komen. Voor zover Gedaagden daarmee een beroep doet op overmacht, kan dat beroep Gedaagden niet baten. De genoemde problemen liggen in de rechtsrelatie tussen partijen immers in de risicosfeer van Gedaagden. Bovendien is voor ontbinding niet noodzakelijk dat de tekortkoming kan worden toegerekend aan de tekortschietende partij, zodat niet relevant is of sprake is van overmacht.

4.5.        De kantonrechter leest in de onder rechtsoverweging 2.8 geciteerde passage uit de brief van 7 april 2016 van Eiser een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring. Uit het voorgaande volgt dat die verklaring op goede grond is gedaan zodat de overeenkomst dan ook per die datum rechtsgeldig ontbonden is.

4.6.        Artikel 6:271 lid 1 BW regelt de gevolgen van de ontbinding: partijen zijn bevrijd van hun verbintenissen uit de getroffen overeenkomst. Als partijen reeds geheel of gedeeltelijk hebben gepresteerd (in deze zaak beide partijen), ontstaan er over en weer verbintenissen tot ongedaanmaking van de door hen ontvangen prestaties. Voor Gedaagden betekent dit dat zij de betaalde € 9.495,70 terug moet betalen.

4.7.        Eiser zal op zijn beurt op grond van artikel 6:272 BW de waarde van de door hem ontvangen prestaties moeten vergoeden. De aard van de prestatie, bruikleen van een demonstratiemodel, laat zich immers naar haar aard moeilijk ongedaan maken. Het tweede lid van artikel 6:272 BW onderscheid dan twee situaties: als de prestatie beantwoordt aan de verbintenis, dan moet de waarde van de prestatie op het tijdspit van de ontvangst worden vergoed. Beantwoordt de prestatie niet aan de verbintenis, dan gaat het om de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad.

4.8.        Het was voor partijen duidelijk dat Eiser met de windturbine enthousiasme wilde genereren voor energiewinning door kleinere windturbines. Dat Gedaagden de definitieve windturbine niet heeft geleverd zal dit enthousiasme geen goed hebben gedaan. Het gaat hier echter om de waarde van dat wat Gedaagden wel heeft gedaan: het plaatsen van een demonstratiemodel.

4.9.      Dat was conform de afspraken tussen partijen. Eiser had voor zijn project op korte termijn de windturbine nodig. Partijen hadden bij de onderhandelingen over de overeenkomst besproken dat Eiser het in verband met het tijdspad mogelijk zou moeten doen met een demonstratiemodel. Dat demonstratiemodel is geleverd en heeft gedraaid van 27 mei 2015 tot de val op 19 februari 2016.

4.10.      De in rechtsoverweging 4.3 genoemde problemen met het demonstratiemodel leiden echter tot het oordeel dat deze prestatie niet aan de oorspronkelijke verbintenis beantwoordde. Deze problemen hebben ook tot gevolg dat een relatief geringe waarde aan de door Gedaagden verrichte prestatie wordt toegekend. De kantonrechter schat de waarde die de prestatie onder deze omstandigheden heeft gehad voor Eiser in goede justitie op

€ 500,00, inclusief de eventueel verschuldigde btw.

4.11.     Dit betekent dat de vordering van Eiser zal worden toegewezen tot een bedrag van € 8.995,70 (€ 9.495,70 - € 500,00).

4.12.      Eiser maakt ook aanspraak op de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het aanbetaalde bedrag vanaf 22 april 2016. Een verbintenis tot ongedaanmaking na ontbinding heeft echter niet te gelden als een verbintenis uit een 'handelsovereenkomst' in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW worden toegewezen. Gedaagden was na het verstrijken van de termijn in de brief van 7 april 2016 in verzuim voor wat betreft de verbintenis tot ongedaanmaking, zodat rente vanaf 22 april 2016 zal worden toegewezen.

4.13.      Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat Eiser voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is conform het in het Besluit bepaalde tarief, en zal dan ook worden toegewezen.

4.14.     Gedaagden zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden begroot op:

-  dagvaarding               €                      94,08

-  griffierecht               €                     223,00

-  salaris gemachtigde   €                 1,750.00 (2,5 punten x tarief € 700,00)

Totaal                          €                 2.067,08

4.15.      De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijnen.

4.16.     De nakosten, waarvan Eiser betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.       veroordeelt Gedaagden hoofdelijk om aan Eiser tegen bewijs van kwijting te betalen € 9.850,44 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.995,70 vanaf 22 april 2016 tot de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 854,74 vanaf de veertiende dag na heden tot de voldoening;

5.2.       veroordeelt Gedaagden hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot heden begroot op € 2.067,08, waarin begrepen € 1.750,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na heden, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.973,00 met ingang van de vijftiende dag na heden tot de voldoening,

5.3.       veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis is voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

-  € 100,00 aan salaris gemachtigde,

-  te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.       verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.       wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017.