Eiser niet failliet dus bevoegd

De hoofdsom van de vordering van Eiser betreft het totaal van haar facturen voor aan Gedaagde verkochte en geleverde meubelen. Gedaagde verweert zich met de stelling dat Eiser "klaarblijkelijk" failliet is gegaan, waardoor de overeengekomen garantietermijn niet nagekomen kan worden. Eiser bestrijdt dat zij failliet is en uit het Centraal Insolventieregister blijkt niet dat dit wel het geval is Reeds daarom faalt dit verweer. De vordering van Eiser moet worden toegewezen. Dat zelfde geldt voor de bijvorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en rente, ten aanzien waarvan Gedaagde geen verweer heeft gevoerd. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure veroordeeld worden.

Datum: 11 september 2007
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton
Zaaknummer: 799028 \ CV EXPL 07-11702 1H1

Vonnis

in de zaak van

Eiser, gevestigd te,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 13 april 2007, gemachtigde: IntoCash te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde, gevestigd te Rotterdam, gedaagde,

voor wie gereageerd heeft de heer/mevrouw X.

Partijen worden hierna "Eiser" en "Gedaagde" genoemd.

Het verloop van het proces

Eiser heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen aan Eiser te betalen:

de hoofdsom van € 1.288,77;

de wettelijke rente, over de hoofdsom vanaf de vervaldatum van de facturen tot aan 10 april 2007 een bedrag groot € 166,48;

de wettelijke rente, over de hoofdsom vanaf 10 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

de buitengerechtelijke incassokosten van € 300,00;

de kosten van deze procedure

Gedaagde heeft op de eis geantwoord en daarbij een productie in het geding gebracht.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 mei 2007 een comparitie van partijen gelast. De comparitie van partijen is gehouden op 9 juli 2007. Ter comparitie zijn namens Eiser verschenen de heer Y en de gemachtigde, mr. C. Sneevliet. Gedaagde is niet verschenen.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Het geschil en de beoordeling daarvan

De hoofdsom van de vordering van Eiser betreft het totaal van haar facturen voor aan Gedaagde verkochte en geleverde meubelen. Gedaagde verweert zich met de stelling dat Eiser "klaarblijkelijk" failliet is gegaan, waardoor de overeengekomen garantietermijn niet nagekomen kan worden. Eiser bestrijdt dat zij failliet is en uit het Centraal Insolventieregister blijkt niet dat dit wel het geval is Reeds daarom faalt dit verweer.

Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van Eiser in hoofdsom moet worden toegewezen. Dat zelfde geldt voor de bijvorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en rente, ten aanzien waarvan Gedaagde geen verweer heeft gevoerd. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure veroordeeld worden.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen € 1.755,25 (eenduizend zevenhonderdvijfenvijftig euro en vijfentwintig cent) aan hoofdsom buitengerechtelijke kosten en rente, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van art. 6:119a BW over € 1.288,77 vanaf 10 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 269,85 aan verschotten en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V.M. Los en uitgesproken ter openbare terechtzitting.