Eiser tot innen bevoegd na akte van cessie

In 2004 is X B.V. failliet verklaard. Deze B.V. heeft vorderingen verpand aan de Rabobank. Rond midden 2004 heeft Rabobank deze vorderingen overgedragen aan Eiser. Hiervan is een akte van cessie opgemaakt. Gedaagde was volgens de pandlijst €1742,84 verschuldigd aan X B.V. Aangezien hij dit bedrag niet aan Eiser heeft betaald is die overgegaan tot dagvaarden. Gedaagde betwist de bevoegdheid van Eiser om de vordering te innen. Hij heeft nooit een akte van cessie ontvangen. De rechter oordeelt dat hij dit in ieder geval wel heeft gedaan bij dagvaarding. Derhalve is Eiser bevoegd de vordering te innen. Aangezien gedaagde de vordering erkent zal deze dan ook worden toegewezen. 

Datum: 13 juli 2006
Rechtbank: Alkmaar, Sector Kanton, Locatie Alkmaar
Zaaknummer: 208604 CV EXPL 06-861

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonend te, eisende partij, verder ook te noemen: Eiser

gemachtigde: drs. A.J.C. Jonker, IntoCash te Rotterdam tegen

de besloten vennootschap Gedaagde, gevestigd en kantoorhoudend te, gedaagde partij, verder ook te noemen: Gedaagde verschenen bij de heer.

Het procesverloop

Eiser heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 9 maart 2006. Gedaagde heeft bij antwoord verweer gevoerd. Vervolgens is gediend van repliek en dupliek. De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast. Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

Op 30 juni 2004 is de besloten vennootschap X B.V. failliet verklaard. X B.V. heeft vorderingen verpand aan de Rabobank Alblasserwaard Noord en Oost u.a., ter zekerheid van de vordering van genoemde Rabobank op X B.V.. De Rabobank heeft op of omstreeks 29 juli 2004 de aan haar verpande vorderingen gecedeerd aan Eiser. Hiervan is een akte van cessie opgemaakt, waaraan een pandlijst is gehecht. Gedaagde was, volgens de pandlijst, € 1742,84 verschuldigd aan X B.V. Op 17 september 2004 is namens de Rabobank aan Gedaagde mededeling gedaan van de verpanding van de vorderingen van X B.V. aan de Rabobank. Van de verkoop van de vorderingen door de Rabobank aan Eiser is -in elk geval bij dagvaarding- mededeling gedaan aan Gedaagde.

Het geschil

Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Gedaagde tot betaling van een bedrag ad € 2.102,26, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum van de factuur, kosten rechtens.

Eiser stelt hiertoe, zakelijk samengevat, dat Gedaagde, ondanks aanmaningen, het als gevolg van de cessie aan hem verschuldigde bedrag heeft nagelaten te betalen.

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat, voorzover van belang, bij de beoordeling zal worden betrokken.

De beoordeling

Op de eerste plaats heeft Gedaagde de bevoegdheid betwist van Eiser om de vordering te innen, aanvoerend dat zij nimmer een akte van cessie heeft ontvangen. Ten aanzien van de bevoegdheid stelt de kantonrechter vast dat:

op grond van art. 3:246 BW de Rabobank als pandhouder, na mededeling van het pandrecht aan Gedaagde, de bevoegdheid had de vorderingen te innen, ook als separatist nadat X B.V. failliet was verklaard (art. 57 Fw);

uit art. 3:82 BW volgt dat het pandrecht als afhankelijk recht van rechtswege met de cessie van de vordering tot zekerheid waartoe die diende is overgegaan aan Eiser;

vanaf het moment dat Eiser van de cessie mededeling heeft gedaan aan Gedaagde, hij -Eiser- bevoegd is de voornoemde vordering te innen, e.e.a. conform art.3:94BW;

Door Gedaagde is betwist dat deze mededeling hem is gedaan bij brief van 7 juli 2005, doch in elk geval is dit bij dagvaarding gebeurd. Derhalve is Eiser bevoegd de vordering te innen.

Voor een deel heeft Gedaagde de vorderingen erkend. Voorzover zij een beroep beoogt te doen op verrekening met tegenvorderingen wegens door haar geleden schade, is de gegrondheid van deze tegenvordering niet eenvoudig vast te stellen, zoals vereist in art 6:136 BW.

Voorzover Gedaagde een deel van de vordering heeft betwist, gaat de kantonrechter daaraan evenzeer voorbij, nu zij die betwisting volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. Ze heeft niet, althans onvoldoende duidelijk, aangegeven in welk opzicht en in welke mate de geleverde goederen gebrekkig zijn, zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door Eiser.

De vordering dient dan ook te worden toegewezen. Nu voldoende is gebleken van buitengerechtelijke inspanningen zullen eveneens de -niet weersproken- daarmee gemoeide kosten, met inachtname van de landelijke richtlijnen uit het rapport Voorwerk II, worden toegewezen.

Gedaagde zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen een bedrag van € 2.099,84 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.742,84 vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot de dag van betaling.

Veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, die tot heden voor Eiser worden vastgesteld op een bedrag van € 580,87 [inclusief BTW indien en voorzover door Gedaagde verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 300,00 voor salaris van de gemachtigde van Eiser [waarover Gedaagde geen BTW verschuldigd is].

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Schlingemann, kantonrechter, en op 13 juli 2006 in het openbaar in bijzijn van de griffier uitgesproken.