Erkenning vordering door betalingsregeling

Eiser heeft tegen een uurtarief accountancy-werkzaamheden verricht voor het voormalige bedrijf van de gedaagde. Gedaagde zou deze werkzaamheden met een betalingsregeling betalen, maar is deze niet nagekomen. De gedaagde zegt dat hij het niet eens is met de hoogte van de rekeningen, en dat hij dit meerdere malen telefonisch heeft aangegeven. Echter heeft de gedaagde de vordering in het geheel erkend door het aangaan van een betalingsregeling. De betalingsregeling ging echter maar om 2 van de 4 facturen die gestuurd zijn door de eiser. De rechter draagt de eiser op te bewijzen dat zij met de gedaagde een betalingsregeling heeft getroffen op de overige twee facturen. In de correspondentie die de eiser laat zien, waartegen de gedaagde inhoudelijk niet heeft geprotesteerd, wordt door de kantonrechter afgeleid dat tussen eiser en gedaagde een betalingsregeling is overeengekomen die gaat over alle vier de facturen. De rechter veroordeelt de gedaagde om de gehele som te betalen.

Datum: 31 juli 2014
Rechtbank: Oost-Brabant, kanton Eindhoven
Zaaknummer: 2498879/13-14547

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, statutair gevestigd en kantoorhoudende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde t.h.o.d.n. C, wonende te, procederend in persoon.

Partijen worden hierna afzonderlijk aangeduid als 'Eiser' respectievelijk 'Gedaagde'.

1. De procedure

De procedure blijkt uit het volgende:

-    het tussenvonnis van 13 maart 2014;
-    de akte van Eiser van 26 maart 2014, met producties.

2. De verdere beoordeling

2.1.    De kantonrechter neemt over en blijft bij hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. Dat betekent - onder meer - dat de vordering van Eiser, voor zover deze betrekking heeft op de facturen met nummers 120253 en 120605, voor toewijzing gereed ligt.

2.2.    Eiser heeft, naar aanleiding van de bewijsopdracht in meergenoemd tussenvonnis, bij voormelde akte van 26 maart 2014 toegelicht dat ook met betrekking tot de facturen met nummers 120893 en 121053 een betalingsregeling met Gedaagde is getroffen. Ten bewijze hiervan heeft Eiser drie producties overgelegd, namelijk een interne e-mail van 23 januari 2013, een aan Gedaagde gerichte brief van 5 juni 2013 en een e-mailwisseling tussen Eiser en Gedaagde van 11 juni 2013.

2.3.    Voormelde e-mail van 23 januari 2013 behelst een verslag van een telefoongesprek tussen een medewerkster van Eiser en Gedaagde. In deze e-mail wordt vermeld dat er een betalingsregeling tussen Eiser en Gedaagde is getroffen, die inhoudt dat Gedaagde € 350,- per maand betaalt om de openstaande facturen te voldoen. Met 'openstaande facturen' worden volgens deze e-mail de facturen tot en met januari 2013 bedoeld.

Voorts constateert de kantonrechter dat bij de dagvaarding onder meer een brief van Eiser aan Gedaagde van 15 februari 2013 is gevoegd, waarin de tussen deze partijen gemaakte afspraken worden bevestigd. In deze brief wordt vermeld dat Gedaagde wat betreft de openstaande facturen, waaronder de facturen met nummers 120893 en 121053, heeft toegezegd maandelijks een bedrag van € 350,- te voldoen. Daarnaast is bij de dagvaarding een brief van Eiser aan Gedaagde van 8 mei 2013 gevoegd, waarin eveneens wordt gerefereerd aan openstaande facturen en daarover gemaakte betalingsafspraken.

Wat betreft de thans overgelegde brief van 5 juni 2013 wordt overwogen dat daarin melding wordt gemaakt van een betalingsregeling, waarbij in het aangehechte overzicht de facturen met nummers 120893 en 121053 worden genoemd.

In voormelde e-mailwisseling van 11 juni 2013 wordt gerefereerd aan eerdere correspondentie, in het bijzonder de brief van 8 mei 2013.

2.4.    Uit de in overweging 2.3. weergegeven correspondentie, waartegen Gedaagde inhoudelijk nimmer heeft geprotesteerd, moet worden afgeleid dat tussen Eiser en Gedaagde een betalingsregeling is overeengekomen die mede ziet op de facturen met nummers 120893 en 121053. Gedaagde heeft, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet gereageerd op de akte van Eiser van 26 maart 2014 en de daarbij overgelegde documenten.

2.5.    Nu Gedaagde ook wat betreft de facturen met nummers 120893 en 121053 een betalingsregeling is overeengekomen met Eiser, heeft hij ook in zoverre de vordering erkend. De door Eiser gevorderde hoofdsom van € 7.016,78 komt dan ook volledig voor toewijzing in aanmerking.

2.6.    De gevorderde wettelijke rente komt, bij gebreke van betwisting daarvan van de zijde van Gedaagde, eveneens voor toewijzing in aanmerking.

2.7.    Eiser vordert buitengerechtelijke incassokosten ter grootte van € 725,84 (exclusief btw), primair op grond van de overeenkomst, subsidiair op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (hierna: het Besluit), meer subsidiair op grond van het Rapport Voorwerk II.

Het beroep op vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van de overeenkomst dient te worden afgewezen, nu Eiser hiertoe onvoldoende heeft gesteld. Eiser heeft immers niet toegelicht dat tussen Gedaagde en haar contractuele bepalingen gelden die voorzien in een regeling over het verhaal van bu itengerechtelij ke incassokosten.

Wat betreft het beroep op artikel 6:96 BW en het Besluit wordt overwogen dat, voor zover de vordering op de facturen met nummers 120605, 120893 en 121053 is gebaseerd, het verzuim op of na 1 juli 2012 is ingetreden, zodat in zoverre het Besluit van toepassing is. Eiser heeft aan Gedaagde een aanmaning gestuurd die aan de eisen van artikel 6:96 BW voldoet. Voorts heeft Eiser voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke kosten zullen in zoverre dan ook worden toegewezen tot het wettelijk tarief.

Voor zover de vordering is gebaseerd op de factuur met nummer 120253 is het verzuim aan de zijde van Gedaagde vóór 1 juli 2012 ingetreden, zodat in zoverre niet het Besluit, maar het Rapport Voorwerk II dient te worden toegepast. Nu Eiser evenwel niet, althans onvoldoende, heeft gesteld dat de in verband met dit deel van de vordering gemaakte buitengerechtelijke incassokosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, dient de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten in zoverre te worden afgewezen.

2.8.    Gedaagde wordt als de - in overwegende mate - in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.9.    De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen de som van € 7.016,78, te vermeerderen met de wettelijke rente tot 24 oktober 2013 ter grootte van € 515,43 en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.016,78 vanaf 24 oktober 2013 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen € 653,89 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van Eiser tot heden begroot op € 76,71 aan explootkosten, € 448,- aan griffierecht en € 625,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde;

veroordeelt Gedaagde, onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, tot zover, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Janssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tussenvonnis

Vonnis van 13 maart 2014 in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, statutair gevestigd en kantoorhoudende te, eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde t.h.o.d.n. Gedaagde, wonende te, procederend in persoon.

Partijen worden hierna genoemd "Eiser" en "Gedaagde".

1.    Het verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:

a.    de dagvaarding met producties, genummerd 1 tot en met 4;
b.    het mondeling antwoord van 16 januari 2014;
c.    de mondelinge behandeling van 12 februari 2014 waarbij door Eiser stukken in het geding zijn gebracht.

2.    Het geschil

2.1.    Eiser vordert betaling van € 8.258,05, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding. Eiser legt daaraan, zakelijk     
weergegeven, ten grondslag dat zij in opdracht van Gedaagde accountancy- werkzaamheden heeft verricht en dat Gedaagde vier facturen (deels) onbetaald heeft gelaten.

2.2.    Gedaagde heeft hier, kort gezegd, tegenin gebracht dat er buitensporig is gefactureerd en dat hij nimmer een behoorlijke uur- en tijdregistratie heeft ontvangen.

3.    De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat in rechte het volgende vast:

a. Vanaf 2010 heeft Eiser accountancy-werkzaamheden verricht voor het voormalige bedrijf van Gedaagde genaamd Y B.V. en voor zijn eenmanszaak C. In het kader van die werkzaamheden hebben partijen destijds afgesproken dat Eiser zou werken tegen uurtarief. Voor de salarisstroken werd een vast tarief per strook berekend;

b.    Y B.V. is failliet gegaan en Gedaagde heeft de werkzaamheden voortgezet met zijn eenmanszaak C;

c.    Nadat C de werkzaamheden van Y B.V. had overgenomen hebben partijen mondeling afspraken gemaakt met betrekking tot de door Eiser in de toekomst voor C te verrichten werkzaamheden;

d.    Eiser heeft vervolgens tegen uurtarief voor C werkzaamheden verricht. De werkzaamheden bestonden uit het verzorgen van de boekhouding, de loonadministratie en de aangifte omzetbelasting;

e.    Eiser heeft voor de werkzaamheden diverse facturen aan Gedaagde verzonden. De facturen met nummers 120253, 120605, 120893 en 121053 heeft Gedaagde tot een bedrag van € 7.016,78 onbetaald gelaten;

f.    Op 5 oktober 2012 heeft Gedaagde een betalingsregeling getroffen met Eiser met betrekking tot onder andere de facturen met nummers 120253 en 120605. Gedaagde zou een bedrag van € 500,= per maand betalen. Daarna is het maandelijks te betalen bedrag bijgesteld naar € 350,=. Gedaagde is de betalingsregeling niet nagekomen.

klachtplicht

3.2.    Ter zitting heeft Eiser een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Volgens Eiser heeft Gedaagde alle facturen zonder protest behouden zodat hij gehouden is de openstaande facturen te betalen.

3.3.    Gedaagde heeft betwist dat hij nimmer heeft geklaagd. Hij stelt diverse malen (telefonisch) contact te hebben opgenomen met Eiser om te vragen naar een specificatie van de gestuurde rekeningen.

3.4.    De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval geen succesvol beroep op artikel 6:89 BW kan worden gedaan. Ter zitting heeft Gedaagde aangegeven dat de werkzaamheden door Eiser deugdelijk zijn uitgevoerd. Gedaagde heeft slechts de juistheid van het aantal in rekening gebrachte uren in twijfel getrokken. Het opstellen en toezenden van een factuur kan niet als prestatie in de zin van artikel 6:89 BW worden gezien (HR 11 mei 2001, NJ 2001, 410) zodat het beroep van Eiser op artikel 6:89 BW dient te worden verworpen.

erkenning vordering door betalingsregeling

3.5.    Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat Gedaagde de vordering in het geheel heeft erkend door het aangaan van een betalingsregeling. Eiser verwijst daarbij naar de brieven die als productie 2 bij de dagvaarding zijn gevoegd. Volgens Eiser blijkt uit de brief van 15 februari 2013 dat met Gedaagde op 14 februari 2013 een betalingsregeling met haar is overeengekomen die betrekking had op alle facturen waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd. De facturen waarop de betalingsregeling betrekking had, zijn namelijk als bijlage bij de brief van 15 februari 2013 gevoegd. Tevens verwijst Eiser naar de brief van 8 mei 2013 waarin nogmaals wordt gewezen op de in de brief van 15 februari 2013 bevestigde afspraken en waaruit blijkt dat geen enkele betaling is ontvangen.

3.6.    Gedaagde heeft erkend dat hij een betalingsregeling is aangegaan met Eiser zoals omschreven in de brief van 5 oktober 2012. Deze brief heeft hij ook voor akkoord ondertekend. Omdat hij het maandelijkse bedrag van € 500,= niet kon betalen, is de hoogte van het bedrag aangepast naar € 350,= Hij heeft er naar eigen zeggen niet mee ingestemd dat ook nieuwe facturen in de betalingsregeling zouden worden betrokken. De betalingsregeling zag volgens Gedaagde slechts op de in de brief van 5 oktober 2012 genoemde facturen. Hij ontkent dat er, nadat hij de factuur met nummer 121053 had ontvangen, nog een nieuwe betalingsregeling tot stand is gekomen.

3.7.    De kantonrechter stelt vast dat de betalingsregeling van 5 oktober 2012 door Gedaagde voor akkoord is ondertekend. Het aangaan van deze betalingsregeling houdt een erkenning van de daarin genoemde vorderingen in. Voor zover de vordering van Eiser betrekking heeft op de facturen met nummers 120253 en 120605, ligt deze vordering daarom voor toewijzing gereed.

3.8.    Gedaagde heeft gemotiveerd betwist dat er een betalingsregeling is overeengekomen met betrekking tot de facturen met de nummers 120893 en 121053. Nu Eiser haar vordering (onder andere) baseert op de stelling dat zij met Gedaagde op 13 februari 2013 ook een betalingsregeling heeft getroffen met betrekking tot die facturen, rust de bewijslast ingevolge artikel 150 Rv op Eiser. Eiser zal daarom, conform haar aanbod, worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.

3.9.    In afwachting van de bewijslevering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

4.1.    draagt Eiser op te bewijzen dat zij met Gedaagde een betalingsregeling heeft getroffen die zag op de facturen met nummers 120893 en 121053;

4.2.    verwijst de zaak naar de terechtzitting van 27 maart 2014 en bepaalt dat Clever Accountants op die terechtzitting stukken in het geding kan brengen en/of door een ander bewijsmiddel bewijs kan leveren;

4.3.    bepaalt dat Eiser, indien zij het bewijs door middel van getuigen wil leveren, de namen van de getuigen en de verhinderdagen van de partijen (en hun gemachtigden) in de maanden april 2014 tot en met juni 2014 op de hiervoor vermelde terechtzitting direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

4.4.    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. WJ.M. Fleskens, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2014.