Ex-huurder veroordeeld tot betaling achtergelaten schade

De huurders in deze zaak stellen dat ze de huurachterstand die de verhuurder vordert al voldaan hebben. Toch hebben zij hiervan geen betalingsbewijzen van in de procedure gebracht. Tijdens de zitting vraagt de advocaat van de huurders of hij deze alsnog mag opzoeken in de administratie. De rechter vindt dat zij hiervoor al ruim de tijd voor hebben gekregen waardoor de gevorderde huurachterstand wordt toegewezen. Ook is er nog sprake van schade volgens de verhuurder. De huurders stellen dat de schade aan de trap al bestond toen zij het huis kwamen bewonen. De verhuurder reageert daarop dat dat kan kloppen, maar dat de schade die hij bedoeld gaat over slordig schilderwerk van de huurders. Omdat de huurders dit vervolgens niet betwisten wordt ook de schade toegewezen.

Datum: 9 februari 2010
Rechtbank: 's-Gravenhage. Sector kanton, locatie 's-Gravenhage
Zaaknummer: 885189/09-22441

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde sub 1, Gedaagde sub 2, beiden wonende te, gedaagden,

gemachtigde: mr. W.B. van Rookhuijzen,

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de dagvaarding van 19 augustus 2009;

de conclusie van antwoord d.d. 4 november 2009;

de door eisende partij nagezonden producties ten behoeve van de comparitie van partijen, ingekomen op 16 december 2009.

Feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende dan wel niet langer betwist en ten dele gestaafd door overgelegde niet bestreden bescheiden staat - voor zover thans van belang - vast dat eiser aan gedaagden heeft verhuurd de woning aan de tegen een maandelijkse bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 1.350,00 per maand, welke huurprijs voor de eerste van elke maand moest zijn voldaan.

Vordering

Eiser vordert betaling van de achterstallige huurpenningen, de door gedaagden veroorzaakte schade aan het schilderwerk en de trap alsmede de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Hij stelt daartoe dat gedaagden een achterstand in de betaling van de huurpenningen hebben van 6 4.050,00 van mei 2009 t/m juli 2009 en dat gedaagden de woning op 31 juli 2009 hebben verlaten, met achterlating van schade aan schilderwerk en de trap, begroot op € 1.200,00, althans tezamen een bedrag ad € 5.250,00. Eiser vordert dit

bedrag te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 450,00 alsmede de wettelijke rente (reeds vervallen rente € 36,40). Eiser heeft de door gedaagden betaalde borg ad € 1.350,00 in mindering gebracht op de vordering waardoor resteert een bedrag ad €4.471,90.

Verweer

Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

Beoordeling

Gedaagden stellen de verschuldigde huurpenningen reeds te hebben voldaan, doch zij hebben daartoe geen betalingsbewijzen overgelegd. Ter comparitie heeft de gemachtigde van gedaagden voorgesteld deze alsnog op te zoeken in de administratie. De kantonrechter is van mening dat zij daarvoor reeds ruim de tijd hebben gehad en dat de vordering betreffende de verschuldigde huurpenningen derhalve als onvoldoende betwist kan worden toegewezen.

Gedaagden stellen dat de schade aan de trap en de twee tegels - door het verwijderen van een traplift - al bestond toen zij het huis kwamen bewonen. Eiser heeft ter comparitie aangevoerd dat de door gedaagden bedoelde schade niet de schade is die wordt gevorderd. De schade bestaat voornamelijk uit het feit dat het door gedaagden geschilderde nog in de grondverf zit en dat het schilderen niet op secure wijze is gedaan. Gedaagden hebben hierop verder geen verweer gevoerd. Eiser heeft een offerte, voor de te verhelpen schade, overgelegd ten bedrage van € 1.356,80 en vordert ten deze € 1.200,00. Gedaagden hebben de door eiser gestelde schade onvoldoende betwist zodat laatstgenoemd bedrag kan worden toegewezen.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente zijn als voldoende onderbouwd en niet betwist toewijsbaar.

Gedaagden worden, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijke kwijting aan eiser te betalen een bedrag van € 4.471,90 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiser vastgesteld op een bedrag van € 680,25, waarvan € 400,00 aan salaris gemachtigde.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.M. Gompen en uit terechtzitting van 9 februari 2010.