Facturen niet betaald, overeenkomst terecht met onmiddelijke ingang opgezegd

Tussen eiser en gedaagde is een overeenkomst van opdracht gesloten. Eiser zou als praktijkmedewerker voor onbepaalde tijd werkzaamheden bij gedaagde verrichten. Er is voor deze werkzaamheden echter niet betaald. Eiser heeft meerdere malen gevraagd om deze betaling, waarna gedaagde vertelde dat hij zojuist betaald had. Dit was echter niet waar. Toen de betalingstermijn van de factuur verstreken was heeft de eiser de overeenkomst opgezegd. De gedaagde wilt hiervoor een schadevergoeding omdat er geen opzegtermijn in acht was genomen. De rechter oordeelt dat de opzegging wel gerechtvaardigd was omdat er sprake was van een dringende reden die direct is medegedeeld. De gedaagde moet als verliezende partij dan ook de facturen voor de werkzaamheden van eiser betalen.

Datum: 17 januari 2014
Rechtbank: Rotterdam
Zaaknummer: 2013101 CVEXPL 13-11729

vonnis

in de zaak van:

Eiser, woonplaats, eiser in conventie bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2013, gedaagde in reconventie,

gemachtigde: IntoCash te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde, gevestigd te, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, vertegenwoordigd door dhr. S.

Partijen worden in het hiernavolgende aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

het exploot van dagvaarding, met producties;
de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties;
de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
de conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie.
de conclusie van dupliek in reconventie.

De uitspraak van het vonnis is (nader) bepaald op heden.

De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

Op 30 juli 2012 is tussen Eiser en Gedaagde, in de persoon van dhr. S (hierna "S"), een overeenkomst van opdracht gesloten.

Artikel 1 van de overeenkomst luidt -voor zover van belang- als volgt:

"1. Doelomschrijving
1.1 Eiser zal als praktijkmedewerker met ingang van 30.07.2012 voor onbepaalde tijd werkzaam zijn in de praktijk van S en wel voor 3 dagen per week, te weten op woensdag, donderdag, vrijdag (8 uren per dag). Eiser kan binnen deze uren zijn spreekuur- en behandelingstijden naar eigen inzicht indelen.
(...)"

Artikel 3 van de overeenkomst luidt als volgt:

"Medewerkersbeloning
3.1a Voor de periode waarvoor Eiser een geldige VAR-WUO voor de werkzaamheden bij S heeft overgelegd, ontvangt hij 400,00 Euro brutto per 8 uren dag- honorarium als beloning voor zijn werkzaamheden.
3.2.1    De beloning wordt aan Eiser door S uitbetaald als Eiser de voor het opmaken van de declaraties benodigde gegevens heeft verstrekt, zo spoedig mogelijk na het einde van iedere maand c.q. aan het eind van de medewerking.
3.3.2    Eiser stuurt S hiervoor maandelijks een factuur. Deze afspraak geldt alleen in geval van situaties zoals omschreven in 3.1a."

Artikel 5 van de overeenkomst luidt als volgt:

"5. Einde
De overeenkomst wordt beëindigd:
5.1    In geval van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, door opzegging door één der partijen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand.
5.2    door opzegging van één der partijen door de andere met onmiddellijke ingang, om een dringende aan de betrokken partij onverwijld meegedeelde reden; een dringende reden is aanwezig wanneer zich met betrekking tot één der partijen een situatie voordoet, waarin van de andere partij niet in redelijkheid kan worden gevergd dat hij de overeenkomst voortzet;
(...)"

Eiser heeft sinds 30 juli 2012 werkzaamheden bij Gedaagde verricht.

Eiser heeft, ter zake de door hem gewerkte uren, bij factuur d.d. 10 augustus 2012 met vervaldatum 20 augustus 2012 een bedrag van € 2.800,-- aan Gedaagde in rekening gebracht.

Eiser heeft op 19 augustus 2012 een e-mail met de volgende inhoud aan S gestuurd:

"Beste S,
Tot heden heb ik nog geen tegoed op mijn rekening van de factuur die ik je op vrijdag 10.08.2012 persoonlijk heb gegeven.
Ik ben redelijk teleurgesteld des te meer ik je 3 keer om betaling heb verzoekt.
Ik zou het verder niet meer accepteren. Daarom wil ij van jou een schriftelijke bevestiging dat met onmiddellijk begin mijn honorarium steeds op 15.e en 30. e van elke maand betaald wordt.
Anders stop ik met mijn werkzaamheden voor jou.
Dat geldt evenzo voor aanstaande week.
Dus, als maandag 20-08-2012 12 uur geen geldingang op mijn rekening is, zou ik niet naar Nederland komen.
Het spijt mij dat ik zo moet reageren maar ik heb heel slechte ervaaringen moeten maken in Nederland.
Met vriendelijke groet,
J"

S heeft bij e-mail d.d. 20 augustus 2012 als volgt op die e-mail geantwoord:

"beste j
Het verbaast me dat het er nog niet op staat moet zeker vandaag zijn ik neem even contact op met de bank je hoort vandaag nog Met vriendelijke groet S"

S heeft bij e-mail d.d. 21 augustus 2012 het volgende aan Eiser bericht:

"beste j
Als het goed is de betaling uitgevoerd laat het even weten of het nu op de rekening staat groetjes S"

Eiser heeft bij e-mail van diezelfde datum het volgende aan S bericht:

"Beste S,
Het is niet goed!! Geen geld op rekening!
Voel je je niet belachelijk en schandelijk om een derglijke speel met me te maken?
Je weet van mijn gerechtvaardigd vordering sinds 11 dagen en bovendien heb ik al 3 en V dagen bijkomend (14. t/m 17. Aug.) gewerkt zodat mijn te goed saldo actueel op totaal 4.250,- € staat.
Ik zou verder niet voor jou werken zoals aangekondigd.
Als het niet anders wordt ben ik in overleg om juridische maatregelen te nemen. Jammer dus!
Groet
J"

Eiser heeft, ter zake de door hem op 14 augustus 2012 tot en met 17 augustus 2012 gewerkte uren, bij factuur d.d. 24 augustus 2012, met vervaltermijn 30 augustus 2012, een bedrag van € 1.450,- aan Gedaagde in rekening gebracht.

Gedaagde heeft de onder 2.6 en 2.11 genoemde facturen niet betaald.

De stellingen van partijen in conventie

Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen:

a. de hoofdsom van € 4.250,00;
b. de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan 15 januari 2013 ad € 134,32;
c. de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 15 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;
d. de buitengerechtelijke incassokosten van € 550,00 te vermeerderen met de btw van € 115,50;
e. de kosten van deze procedure waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van Eiser;
f. de nakosten ten bedrage van 50% van het geldende salaris gemachtigde, indien en voor zover Gedaagde niet binnen de wettelijke vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een in goede justitie redelijk geachte termijn, na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, heeft voldaan;
g. de kosten van de dagvaarding.

Aan de eis is -zakelijk weergegeven en voor zover relevant- het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in opdracht en voor rekening van Gedaagde tandheelkundige werkzaamheden verricht. De kosten hiervan heeft hij bij facturen d.d. 10 augustus 2012 en 24 augustus 2012 aan Gedaagde in rekening gebracht. Ondanks daartoe te zijn aangemaand heeft Gedaagde deze facturen niet voldaan. Eiser vordert thans betaling van deze facturen, van in totaal € 4.250,--. De wettelijke rente is Gedaagde verschuldigd op grond van het bepaalde in artikel 6:119 BW.

Door en namens Eiser zijn buitengerechtelijke werkzaamheden verricht, waaronder het versturen van een kosteloze aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen. Eiser vordert ter zake, primair op grond van de overeenkomst, subsidiair op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, meer subsidiair op grond van Rapport Voorwerk II en tot slot op grond van de redelijkheid en billijkheid, een bedrag van € 665,50 incl. btw.

Eiser vordert veroordeling van Gedaagde in de proceskosten en betaling van de verschuldigde nakosten, begroot en beperkt tot 50% van het geldende salaris voor de gemachtigde. Nu deze vordering uitdrukkelijk tot dit bedrag wordt beperkt, zijn deze kosten thans voorwaardelijk te begroten en daarom toewijsbaar.

Omdat Eiser van een voormalig werknemer van Gedaagde had vernomen dat Gedaagde haar betalingsverplichtingen niet correct nakwam en hij wilde voorkomen dat hij een maand lang werkzaamheden zou verrichten zonder daarvoor betaald te krijgen, heeft Eiser aangegeven dat hij eerder een factuur zou sturen dan overeengekomen. Gedaagde is hiermee akkoord gegaan. Eiser heeft vervolgens meerdere malen om betaling van de factuur van 10 augustus 2012 verzocht. Gedaagde zegde telkens toe tot betaling over te zullen gaan, maar daadwerkelijke betaling bleef uit. Bij e-mail d.d. 19 augustus 2012 heeft Eiser aan Gedaagde meegedeeld dat, indien betaling na 20 augustus 2012 uitblijft, hij zijn werkzaamheden zal stoppen.

Eiser is op grond van artikel 5.2 van de overeenkomst gerechtigd de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.

Eiser betwist dat Gedaagde een bedrag van € 500,-- aan huur voor hem heeft betaald.

Gedaagde heeft aangevoerd dat zij een maand huur ad € 500,- voor Eiser heeft betaald. Gedaagde meent in conventie dan ook niet meer dan € 3.700,- aan Eiser verschuldigd te zijn. Gedaagde betwist dat met Eiser is overeengekomen dat hij eerder dan overeengekomen facturen zou sturen. Gedaagde heeft wel contact gehad met Eiser over facturen met het oog op artikel 3 van de overeenkomst en over de openstaande huur.

De stellingen van partijen in reconventie

Gedaagde heeft in reconventie betaling van een bedrag van € 2.700,- gevorderd.

Aan de eis is -zakelijk weergegeven en voor zover relevant- het volgende ten grondslag gelegd. Eiser was het niet eens met het bepaalde in artikel 3 van de overeenkomst en is om die reden van de ene op de andere dag opgestapt. Eiser heeft daarmee verzuimd om de opzegtermijn van een maand, zoals neergelegd in artikel 5.1 van de overeenkomst, in acht te nemen en heeft hierdoor 18 dagen verzuimd. Als gevolg daarvan heeft Gedaagde schade geleden. Zo konden patiënten niet behandeld worden en heeft zij een vervangende tandarts in moeten zetten die duurder was dan Eiser. De schade bedraagt € 5.400,-. Bovendien heeft Gedaagde omzet gederfd ter hoogte van € 1.000,-. Nu Gedaagde in conventie nog een bedrag van € 3.700,- aan Eiser is verschuldigd, vordert zij in reconventie betaling van een bedrag van € 2.700,-.

Eiser betwist dat hij gehouden was een opzegtermijn van een maand in acht te nemen en beroept zich op het bepaalde in artikel 5.2 van de overeenkomst. Eiser betwist bovendien dat Gedaagde schade heeft geleden. De schade wordt op geen enkele wijze onderbouwd en Eiser is ook nimmer in gebreke gesteld ter zake de vermeende schade.

De beoordeling van het geschil

In conventie

Eiser heeft in conventie betaling van de facturen d.d. 10 augustus 2012 en 24 augustus van in totaal een bedrag van € 4.250,- gevorderd. Gedaagde heeft de verschuldigdheid van dit bedrag erkend, zodat dit bedrag in beginsel toewijsbaar is. Gedaagde heeft zich echter op het standpunt gesteld dat Eiser nog een bedrag van € 500,00 aan haar verschuldigd is, omdat zij een bedrag van € 500,00 aan huur voor hem heeft betaald, hetgeen Eiser heeft betwist. De kantonrechter duidt het verweer van Gedaagde als een beroep op verrekening. Een dergelijk beroep heeft slechts dan kans van slagen indien de gegrondheid van het verweer op eenvoudige wijze is vast te stellen. Nu Eiser heeft betwist dat Gedaagde een bedrag van € 500,- voor hem heeft betaald en Gedaagde niets in het geding heeft gebracht waaruit de juistheid van haar stelling blijkt, hetgeen wel op haar weg had gelegen, is niet aan bovenstaand vereiste voldaan. Om die reden faalt het beroep op verrekening.

De gevorderde hoofdsom van € 4.250,- wordt derhalve toegewezen.

Opgemerkt zij nog dat niet duidelijk is waarom Gedaagde spreekt van een bedrag van € 4.200,- in plaats van € 4.250,-

De wettelijke rente wordt als onweersproken toegewezen zoals gevorderd.

Eiser maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu het verzuim van Gedaagde na 30 juni 2012 is ingetreden. Eiser heeft aan Gedaagde een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96, zesde lid BW. Voldoende gebleken is dat ook overigens is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten, zodat, rekening houdend met de vergoeding waarop aanspraak kan worden gemaakt op grond van genoemd Besluit, de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voor het gevorderde bedrag van € 665,50 wordt toegewezen.

Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

De door Eiser (voorwaardelijk) gevorderde afwikkelingskosten (nakosten) worden afgewezen, nu voldoende gegevens ontbreken om die kosten reeds thans te kunnen begroten. Mocht tussen partijen een geschil ontstaan omtrent de omvang van die kosten, staat het Eiser vrij de kantonrechter te verzoeken deze te begroten op de voet van artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

In reconventie

Gedaagde heeft haar vordering tot schadevergoeding gegrond op de stelling dat Eiser in strijd met het bepaalde van artikel 5.1 van de overeenkomst heeft gehandeld door de daarin opgenomen opzegtermijn van een maand in acht te nemen. Eiser heeft daarvan gesteld dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 5.2 van de overeenkomst, gerechtigd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen, omdat Gedaagde herhaaldelijk had aangegeven de openstaande factuur te hebben voldaan, terwijl er gene betaling was gedaan.

Artikel 5.2 van de overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst met onmiddellijke ingang door een van partijen kan worden opgezegd indien sprake is van een dringende reden zijnde een situatie waarin van de andere partij in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de overeenkomst voortzet en deze reden onverwijld wordt meegedeeld. Vast staat dat Eiser meerdere malen om betaling heeft verzocht en dat Gedaagde Eiser min of meer aan het lijntje heeft trachten te houden door hem meerdere malen voor te houden dat de betaling reeds was verricht, terwijl dat dit niet het geval was. Toen de betalingstermijn van de factuur d.d. 10 augustus 2012 op 20 augustus 2012 daadwerkelijk verstreek en Eiser, ondanks de concrete en herhaalde toezeggingen van Gedaagde nog steeds geen geld op zijn rekening had ontvangen, stond het hem dan ook vrij om op te zeggen. Aan de stelling van Gedaagde dat de reden van het staken van de werkzaamheden door Eiser eigenlijk was gelegen in een geschil over artikel 3 van de overeenkomst wordt voorbijgegaan, nu dit standpunt op geen enkele wijze wordt onderbouwd en uit de e-mail van Eiser d.d. 19 augustus 2012 juist onmiskenbaar blijkt dat hij zijn werkzaamheden zou staken indien betaling na 20 augustus 2012 uitblijft. Aan zowel het vereiste van de dringende reden als de onverwijlde mededeling daarvan, zoals bedoeld in artikel 5.2 is derhalve voldaan, hetgeen met zich brengt dat Eiser gerechtigd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. De vordering tot schadevergoeding strandt derhalve reeds bij gebreke van een deugdelijke grondslag.

Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing. Hetgeen verder nog is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en wordt daarom ook niet (nader) besproken.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen een bedrag van € 5.049,82 vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.250,00 vanaf 15 januari 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 305,82 aan verschotten en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.