Franchisenemer beroept zich op dwaling franchisegever. Beroep op dwaling slaagt niet

Partijen zijn een franchiseovereenkomst aangegaan voor de duur van vijf jaar, met ingang van 1 september 2017. De organisatie fee was €450,- per maand. Gedaagde heeft deze samenwerking op 30 april 2018 vervroegd opgezegd. Als gevolg daarvan is de overeenkomst beëindigd en heeft Eiser op 2 juli 2018 Gedaagde een factuur gestuurd ad € 27.225,00, zijnde de afkoopsom van de resterende termijnen van de organisatie fee. In artikel 17, lid e van de franchiseovereenkomst staat dat de organisatie fee moet worden doorbetaald bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

Gedaagde beroept zich op dwaling. Volgens hem zou de franchisegever hem te rooskleurige cijfers hebben verstrekt op grond waarvan hij de overeenkomst heeft getekend. De rechter gaat hier niet in mee. De rechter legt uit dat een franchise overeenkomst Gedaagde niet ontslaat van het zelfstandig werven van klanten. De kantonrechter vindt geen aanwijzingen in het dossier dat Gedaagde hier moeite voor heeft gedaan. Ook had Gedaagde voor het tekenen van de overeenkomst zelfstandig moeten onderzoeken of hij wel winst uit de onderneming zou kunnen halen. Een beroep op dwaling wordt daarom door de rechter gepasseerd.

Tot slot vindt Gedaagde het ook onredelijk bezwarend dat hij de franchise fee moet doorbetalen als hij er eerder mee stopt. Dit zou volgens hem in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter stelt vast dat het de bedoeling van partijen is geweest om een overeenkomst af te sluiten voor de duur van vijf jaar. Logischerwijs kan dan niet zonder meer en zonder vergoeding worden afgeweken van die termijn van vijf jaar. Hoewel het doorbetalen van de gehele management fee tot aan het oorspronkelijke einde van het contract aan de hoge kant is, en voor Gedaagde nadelig is, is van onaanvaardbaarheid in deze geen sprake. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is evenmin sprake, nu de bedoeling van de overeenkomst voor partijen duidelijk was.

De vordering van Eiser zal dus worden toegewezen en de vorderingen van Gedaagde zullen worden afgewezen.

Datum: 27 maart 2019
Rechtbank: Rechtbank Limburg
Zaaknummer: 7296608/ CV EXPL 18-7323

Vonnis

in de zaak van:

Eiser,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde IntoCash,

tegen:

Gedaagde,

wonend van Berlostraat 1,

5809 EX Leunen,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. G.L. de Gier.

Partijen zullen hierna EISER en GEDAAGDE genoemd worden.

1.            De procedure

1.1.         Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.         Ten slotte is vonnis bepaald.

2.            De feiten

2.1.         Partijen zijn een franchiseovereenkomst aangegaan voor de duur van vijf jaar, met ingang van 1 september 2017.

2.2.         Als gevolg van deze overeenkomst is GEDAAGDE aan EISER onder meer maandelijks € 450,00, exclusief BTW, aan organisatie fee verschuldigd, alsmede een maandelijkse bijdrage aan landelijke marketing € 83,33, exclusief BTW.

2.3.       GEDAAGDE heeft aan EISER € 18.150,00, inclusief BTW, als start fee betaald.

2.4.       GEDAAGDE heeft deze samenwerking op 30 april 2018 vervroegd opgezegd.

2.5.       Als gevolg daarvan is de overeenkomst beëindigd en heeft EISER op 2 juli 2018 GEDAAGDE een factuur gestuurd ad E 27.225,00, zijnde de afkoopsom van de resterende termijnen van de organisatie fee.

2.6.       GEDAAGDE heeft meerdere facturen, waaronder die van 2 juli 2018, onbetaald gelaten.

3.           Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.       EISER vordert — samengevat — veroordeling van GEDAAGDE tot betaling van € 25.000,00, vermeerderd met rente en kosten en voert verweer tegen de vordering in reconventie.

3.2.       EISER legt aan haar vordering ten grondslag dat artikel 17, lid e van de franchiseovereenkomst bepaalt dat de organisatie fee moet worden doorbetaald bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

3.3.       GEDAAGDE vordert - samengevat — de overeenkomst d.d. 1 september 2017 te vernietigen en veroordeling van EISER tot betaling van E 19.059,74, vermeerderd met rente en kosten en voert verweer tegen de vordering in conventie.

3.4.       GEDAAGDE voert als verweer op en legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat er sprake is van dwaling en doet — als dat verweer niet op gaat — een beroep op,de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

3.5.       Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie en in reconventie

4.1.       Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen
deze gezamenlijk behandeld en beoordeeld worden.

4.2.       Vast staat dat er op 1 september 2017 een franchiseovereenkomst is afgesloten voor de duur van vijf jaar. Ook staat vast dat deze overeenkomst door GEDAAGDE is opgezegd waardoor deze tussentijds is geëindigd.

Dwaling
4.3.       Als meest verstrekkende verweer in conventie en als grondslag voor zijn vordering
in reconventie, brengt GEDAAGDE naar voren dat er sprake is van een wilsgebrek door dwaling en de overeenkomst aldus op die grond vernietigbaar is.

4.4.        Artikel 6:228, eerste lid BW bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen

onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is:

a)   indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b) (...).

Blijkens het tweede lid kan de vernietiging niet warden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

4.5.       Hoewel GEDAAGDE, gelet op zijn stellingen, een beroep doet op artikel 6:228, eerste lid, onder a BW, is de kantonrechter van foute inlichtingen, althans te rooskleurig cijfers, verstrekt door EISER, niet gebleken.
De kantonrechter overweegt daarbij dat daar waar GEDAAGDE een beroep doet op de vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van dwaling het ook aan hem is om datgene wat hij stelt te onderbouwen. Dat doet hij echter niet, althans onvoldoende.

4.6.       EISER betwist immers dat zij omzetprognoses heeft opgesteld. Volgens EISER is er sprake van een rekenmodel met voorbeelden van omzet, niet zijnde prognoses, en heeft EISER er voor gezorgd dat GEDAAGDE deze voorbeelden van omzet niet zonder meer in zijn eigen rekenmodel heeft kunnen overnemen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de enkele stelling van GEDAAGDE dat er sprake is van een verkeerde voorspiegeling van zaken door EISER niet slagen, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan. De enkele stelling dat hij in februari 2018 nog geen enkele klant had geworven, is ook volstrekt onvoldoende. Te meer gelet op de onderbouwde stelling van EISER dat GEDAAGDE nauwelijks gebruik heeft gemaakt van de door EISER geboden trainingen. Een franchise overeenkomst, ontslaat GEDAAGDE ook niet van liet zelfstandig werven van klanten. De kantonrechter vindt geen aanwijzingen in liet dossier dat GEDAAGDE hier moeite voor heeft gedaan. Ook ziet de kantonrechter geen onderbouwing voor de stelling van GEDAAGDE dat EISER concurrentie in zijn rayon heeft toegelaten.

Hoewel GEDAAGDE stelt dat ook andere ondernemers hebben ervaren dat EISER een te rooskleurige omzet heeft voorgespiegeld, biedt hij hiervan geen bewijs aan, zodat deze stelling wordt gepasseerd.

Ook heeft GEDAAGDE naar het oordeel van de kantonrechter daarmee niet aangetoond dat EISER haar informatieplicht jegens GEDAAGDE heeft geschonden.

Een verwijzing door GEDAAGDE naar jurisprudentie over het geven van te rooskleurige prognoses dan wel het verstrekken van onjuiste of te weinig informatie kan dan evenmin slagen.

4.7.       Zou er al sprake zijn van dwaling dan is de kantonrechter van oordeel dat de overeenkomst niet vernietigbaar is als redenen genoemd in het tweede lid van artikel 6:228 BW. Immers, dat EISER een informatieplicht heeft jegens GEDAAGDE, ontslaat naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval GEDAAGDE geenszins om zelfstandig onderzoek te doen naar de haalbaarheid van de onderneming. Uit niets blijkt dat GEDAAGDE zelf onderzoek naar de haalbaarheid heeft gedaan voorafgaande aan het ondertekenen van de overeenkomst.

4.8.       Het beroep op dwaling wordt daarom door de kantonrechter gepasseerd.

Strijd met de redelijkheid en billijkheid c.q. innerlijke tegenstrijdigheid

4.9.       GEDAAGDE heeft voorts gesteld dat de overeenkomst is gesloten in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Volgens GEDAAGDE is er sprake van een onredelijk bezwarend beding, omdat artikel 17, sub e van de overeenkomst een dermate nadelige strekking voor GEDAAGDE, de franchisenemer heeft. Het beding moet buiten toepassing worden gelaten op grond van strijd met redelijkheid en billijkheid.

4.10.      De kantonrechter overweegt allereerst dat alleen dan sprake kan zijn van een onredelijk bezwarend beding, in geval van Algemene Voorwaarden. Artikel 17, sub e is echter opgenomen in de franchiseovereenkomst, zodat deze niet op grond daarvan buiten toepassing kan worden verklaard.

4.11.      GEDAAGDE doet echter ook een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, als bedoeld in artikel 6:248, tweede lid BW. In artikel 6:248, tweede lid BW is bepaald dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Van een voor GEDAAGDE onaanvaardbare regel in de overeenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet gebleken.

4.12.      Artikel 16, lid a van voornoemde overeenkomst maakt het mogelijk tussentijds de overeenkomst te beëindigen, indien de bedrijfsuitoefening door GEDAAGDE wordt gestaakt. Volgens artikel 17, lid e blijft bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst de organisatie fee genoemd in artikel 14, lid b, verschuldigd tot aan het einde van de oorspronkelijke looptijd van de overeenkomst.

Blijkens artikel 14, lid b betreft de organisatie fee € 450,00 per maand.

4.13.      De kantonrechter stelt vast dat het de bedoeling van partijen is geweest om een overeenkomst af te sluiten voor de duur van vijf jaar. Logischerwijs kan dan niet zonder meer en zonder vergoeding worden afgeweken van die termijn van vijf jaar. Hoewel het doorbetalen van de gehele management fee tot aan het oorspronkelijke einde van het contract aan de hoge kant is, en voor GEDAAGDE nadelig is, is van onaanvaardbaarheid in deze geen sprake. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is evenmin sprake, nu de bedoeling van de overeenkomst voor partijen duidelijk was.

4.14. De vordering van EISER zal dus worden toegewezen en de vorderingen van GEDAAGDE zullen worden afgewezen.

4.15. De kantonrechter acht geen termen aanwezig GEDAAGDE toe te laten tot nadere bewijslevering.

in conventie en in reconventie

4.16.      GEDAAGDE zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten
van deze procedure. De kosten aan de zijde van EISER worden begroot op:

-      dagvaarding                              81,00

-      griffierecht                                952,00

-      salaris gemachtigde conventie   960,00 (2 x tarief 480,00)

-      salaris in reconventie                360.00 ( 2 x 0,5 x tarief E 360,00)

totaal                                         €  2.353,00

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

4.17.       De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.           De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

in conventie

5.1.        veroordeelt GEDAAGDE om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan EISER te betalen een bedrag van E 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

5.2.        wijst de vorderingen af,

in conventie en in reconventie

5.3.        veroordeelt GEDAAGDE in de proceskosten aan de zijde van EISER gevallen en tot op heden begroot op E 2.353,00, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.        verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.        wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.