Gedaagde beroept zich op een kwitantie maar stelt daarna dat deze vals is

Een bedrag van €20.000 is door eiser aan gedaagde in bewaring gegeven. Hiervan is €3.800 terugbetaald. Eiser zegt het volledige bedrag al terug te hebben betaald, en onderbouwd dit met twee handgeschreven kwitanties. Een kwitantie is een document dat wordt ondertekend door een schuldeiser die daarmee verklaart dat de schuldenaar de schuld heeft voldaan. Deze twee kwitanties gaan echter over een andere lening, wat ook op de kwitanties vermeld staat. De gedaagde stelt vervorgens dat de tekst op de kwitanties onjuist of vals is. De rechter oordeelt dat deze stelling niet slaagt. Zowel uit de omschrijving van de kwitanties, als uit de correspondentie blijkt dat het gaat om twee verschillende geldleningen. Dat gedaagde de €20.000,- al heeft terugbetaald is vervolgens niet verder onderbouwd met betaalbewijzen of iets dergelijks. De vordering van de eiser zal daarom worden toegewezen.

Datum: 1 juli 2014
Rechtbank: Den Haag, Team kanton Den Haag
Zaaknummer: 2708562 RL EXPL 14-1853

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonende te, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, Incassobureau Intocash

tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. L.E.M. de Vries-Blom.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

de dagvaarding met producties van 10 januari 2014;

de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie met producties van 11 maart 2014;

Op 22 mei heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden waarbij door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Verschenen zijn Eiser in persoon met gemachtigde en Gedaagde in persoon met gemachtigde.

Feiten

in conventie en in reconventie:

1.1 Op 30 juni 2009 heeft Eiser een bedrag van € 20.000,- aan Gedaagde in bewaring gegeven. Op dit bedrag is een bedrag van € 3.800,- terugbetaald.

1.2 Op 9 augustus 2012 heeft Eiser aan Gedaagde een e-mail gestuurd met als onderwerp: Onderlinge overeenstemming betreffende restant betaling. In deze e-mail is onder meer vermeld:

"Refererend aan ons bijna 1 1/2 uur durende telefoongesprek van hedenmorgen, betreffende het terugbetalen van de nog openstaande retourbetaling van het op 30/6/09 aan jou in bewaring gegeven geldbedrag van €20.000,- met een restbedrag op heden, ad € 16.200,- excl. Rente, ben ik verheugd dat e.e.a. in de minne geschikt is.
Zomede de afhandeling van de Garantiestelling van J aan W d.d. 11/12/09 voor een bedrag ad € 21.000,- als zekerheid voor B.
Mede door het betreffende telefoongesprek van vanmorgen, zijn wij het eens geworden over een regeling aangaande de terugbetaling van de voornoemde €16.200,-
We waren verheugd dat hiermee de "kon uit de lucht" is genomen en we weer gewoon "on speaking terms " zijn....
Los van mijn persoonlijke overeenstemming dat voornoemd bedrag zal worden ingelost voor of uiterlijk op 1 mei 2013, zal er eveneens een regeling getroffen moeten worden met W.
Aangaande de aankomende incassokosten zijnde € 952,- heb ik je toegezegd, deze voor mijn rekening te nemen, nadat ik joirw persoonlijke toezegging had gekregen dat e.e.a. zal worden afgedaan voor of op 1 mei 2013....
Voor de goede orde, zodat we elkaar goed begrepen hebben, zie ik jouw akkoord bevinden graag per kerende mail retour, zodat ik ook het Incassobureau hiervan op de hoogte kan stellen."

1.3 In een e-mail van vrijdag 10 augustus van Gedaagde aan van Eiser met als onderwerp: re: Onderlinge overeenstemming betreffende restant betaling. Is onder meer vermeld:

" Ik ga akkoord met je voorwaarden, wel met een beetje wrange gevoelens dat begrijp je.
Ik zou hierbij toch graag willen vermelden, Dat als er alsnog gelden binnen komen van de Duitse oplichters mijn ingelegde gelden terug komen, verder werk ik hard om zo snel mogelijk jouw niet nog meer problemen te bezorgen... "

Vordering

in conventie

2.1 Eiser vordert Gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag ad € 16.200,-, alsmede de overeengekomen rente ad 6,2% op jaarbasis tot 6 januari 2014 berekend op € 4.550,43 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6,2% per jaar over € 16.200,- vanaf 6 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening, de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.210,- inclusief BTW en de kosten van de procedure en nakosten.

in reconventie

2.2 Gedaagde vordert Eiser te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 4.550,- te vermeerderen met de wettelijke rente met veroordeling van Eiser in de kosten van de procedure.

Verweer

3. Partijen hebben in conventie en reconventie gemotiveerd verweer gevoerd waarop hierna voor zover van belang zal worden ingegaan.

Beoordeling

in conventie en in reconventie:

4.1 Gedaagde heeft bij antwoord erkend een bedrag van € 20.000,- in bewaring van Eiser te hebben ontvangen in 2009. Gedaagde heeft vervolgens gesteld dat hij Eiser heeft terugbetaald in twee termijnen te weten € 15.000,- in maart 2010 en € 5.000,- op 16 april 2010. Gedaagde beroept zich ter onderbouwing van deze stelling op twee handgeschreven kwitanties als productie 1 bij antwoord in het geding gebracht.

4.2 Eiser heeft gemotiveerd weersproken dat deze betalingen zien op de geldlening/bewaring van € 20.000,-. Eiser heeft daartoe gesteld dat deze betalingen zien op een terugbetaling van een ander bedrag te weten een garantiestelling van Gedaagde aan W ten behoeve van het project "E". Ter onderbouwing van deze stelling beroept Eiser zich op de tekst van de hiervoor bedoelde kwitanties waar Gedaagde zich op beroept. Op beide kwitanties staat vermeld: "Inzake W/E.”

4.3 Eiser voert vervolgens aan dat op de eveneens door Gedaagde als productie 3 in het geding gebrachte kwitanties staat vermeld: Inzake 1e respectievelijk 2e retourbetaling van Hoofdsom € 20.000,- Dit zijn betalingen gedaan op respectievelijk 29 mei 2010 en 29 december 2010 en deze betalingen zijn dan ook in mindering gebracht op de vordering. Eiser heeft zich voorts ter onderbouwing van zijn stelling beroepen op een e-mail van 9 augustus 2012 van Eiser aan Gedaagde en een e-mail van 10 augustus 2012 van Gedaagde aan Eiser, waarin de terugbetalingsverplichting nog is bevestigd.

4.4 Gedaagde heeft vervolgens ten verwere gesteld dat de kwitanties waarop hij zich beroept onjuist zijn dan wel dat de tekst op die kwitanties onjuist of vals is.

4.5 De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van Gedaagde dat hij reeds aan zijn verplichting tot terugbetaling heeft voldaan niet slaagt. Zowel uit de omschrijving op de in het geding gebrachte kwitanties als de onder de feiten weergegeven e-mail correspondentie volgt dat er sprake is van twee verschillende geldleningen. Gedaagde heeft daarbij op 10 augustus 2012 in zijn e-mail akkoord gegeven op terugbetaling van het restant van de lening van € 20.000,- te weten € 16.200,-. Terwijl de kwitanties waar Gedaagde zich op beroept teneinde zijn terugbetaling te onderbouwen niet alleen een afwijkende omschrijving geven maar ook zien op betalingen in 2010. Niet te volgen valt waarom Gedaagde in 2012 akkoord geeft op een verplichting € 16.200,- terug te betalen als hij dit al in 2010 zou hebben gedaan. Gedaagde heeft zijn stelling dat hij de € 20.000 volledig heeft terugbetaald vervolgens niet verder onderbouwd met betaalbewijzen of anderszins. Dit betekent dat de vordering van Eiser tot betaling van het restant bedrag ad € 16.200,- zal worden toegewezen.

4.6 De vordering in reconventie zal in het licht van het bovenstaande worden afgewezen. Deze is immers gestoeld op dezelfde kwitanties als hiervoor genoemd. Ingevolge deze kwitanties is er een bedrag van € 5.000,- en € 15.000,- en € 1.000,- betaald inzake W/E of te wel totaal € 21.000,- en vervolgens een totaalbedrag van € 3.800,- met omschrijving retourbetaling hoofdsom € 20.000,-. Nu hiervoor is vastgesteld dat er sprake is van twee verschillende geldleningen, één van € 20.000,- en één van € 21.000,-, is niet gebleken dat Gedaagde een bedrag van € 4.550,- teveel aan Eiser heeft betaald. Voor zover Gedaagde nog stelt dat de (door hem zelf) in het geding gebrachte kwitanties vals zijn, geldt dat zij niet kunnen dienen te onderbouwing van zijn vordering.

rente

4.7 Gedaagde heeft bij antwoord betwist dat er een overeenkomst zou zijn waaruit blijkt dat hij een rente van 6,2% op jaarbasis verschuldigd is. De kantonrechter overweegt dat de gevorderde rente op de door Eiser als productie 1 bij dagvaarding in het geding gebrachte kwitantie voor het bedrag van € 20.000,- is vermeld als 6,2 % rente. Bij antwoord heeft Gedaagde zelf vermeld dat het de bedoeling was het aan hem in bewaring gegeven bedrag van € 20.000,- op een buitenlandse rekening te zetten waar meer rente gegenereerd kon worden dan in Nederland. Ter comparitiezitting heeft Gedaagde nog toegevoegd dat het geld in Tsjechië vast is gezet. Gelet op deze feiten en omstandigheden wordt de enkele betwisting van Gedaagde dat de rente ad 6,2 % niet is overeengekomen verworpen. De gevorderde rente zal dan ook worden toegewezen.

buitengerechtelijke incassokosten

4.8 Eiser heeft een bedrag ad € 1.210,- inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Gedaagde heeft de verschuldigdheid daarvan weersproken door te stellen dat de werkzaamheden uit niet meer hebben bestaan dan een enkele aanmaning ter voorbereiding van de procedure. De kantonrechter is van oordeel dat uit de als productie 3 bij dagvaarding zijdens Eiser in het geding gebrachte aanmaningen en correspondentie volgt dat de werkzaamheden waarop deze kosten betrekking hebben gerekend moeten worden tot de werkzaamheden ter instructie van de zaak waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering bedoeld (proces)kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.9 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

5.1 veroordeelt Gedaagde tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser van een bedrag ad € 16.200,- te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 6,2 % per jaar, berekend tot 6 januari 2014 op € 4.550,43 en vanaf 6 januari 2014 over € 16.200,- tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2 veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 1.357,43 waarvan € 800,- aan salaris gemachtigde;

5.3 wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

5.4 wijst de vordering af;

5.5 veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 200,-- aan salaris gemachtigde;

in conventie en reconventie:

5.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. T.J. Sleeswijk Visser-de Boer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.