Gedaagde beschuldigt eiser van diefstal en vernieling, maar kan zijn stelling niet bewijzen

Eiser heeft voor Gedaagde gewerkt. De facturen die Eiser hiervoor naar Gedaagde heeft gestuurd worden niet betaald. Er is een bedrag van €6.000,- onbetaald gebleven. De reden die Gedaagde hiervoor geeft is dat hij van mening is dat Eiser voor €1.500,- aan koper zou hebben gestolen op de werkplaats. Ook zou Eiser volgens Gedaagde schade aan de bedrijfsauto hebben toegebracht van €1.790,-. Eiser betwist dat hij koper zou hebben gestolen en dat hij schade zou hebben toegebracht aan de auto. Hiermee is het aan de gedaagde om zijn beweringen te bewijzen. De rechter geeft de gedaagde de mogelijkheid om zijn beschuldigingen te onderbouwen, echter heeft de gedaagde aan het einde van de procedure besloten om niet meer te reageren. Dat betekent dat de rechter het verweer van de gedaagde als onvoldoende onderbouwd verwerpt. De rechter beslist dan ook dat de gedaagde de eiser moet betalen voor zijn geleverde werk.

Datum: 15 maart 2017
Rechtbank: Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 5571682 UC EXPL 16-18267 PP/1211

Vonnis

inzake

Eiser, tevens handelend onder de naam,

wonende te ,

verder ook te noemen Eiser,

eisende partij,

gemachtigde: Incassobureau IntoCash, tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde B.V.,

gevestigd te, verder ook te noemen Gedaagde, gedaagde partij, procederend in persoon.

1. De procedure

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-  de dagvaarding

-  de conclusie van antwoord

-  de conclusie van repliek.

1.2.       Gedaagde heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet voor dupliek geconcludeerd.

1.3.       Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.       Eiser heeft in opdracht van Gedaagde werkzaamheden verricht. In de onderhavige procedure vordert Eiser betaling daarvan.

2.2.       Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van Gedaagde om aan Eiser te voldoen € 3.070,01 (bestaande uit € 2.400,00 aan hoofdsom, € 107,01 aan wettelijke handelsrente tot 16 november 2016 en € 563,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 16 november 2016 tot de voldoening en met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten.

2.3.      Ter onderbouwing van die vordering stelt Eiser dat Gedaagde jegens hem toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst door een viertal facturen met nummers 2016-38, 2016-39, 2016-40 en 2016- 42 ondanks sommaties, deels onbetaald te laten. Eiser maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten nu Gedaagde in verzuim is geraakt, respectievelijk Eiser de vordering uit handen heeft moeten geven.

2.4.      Gedaagde heeft in haar conclusie van antwoord aangevoerd dat de factuur van Eiser een bedrag van ongeveer € 6.000,- vermeldde en dat zij de helft daarvan heeft betaald. De rest betaalt Gedaagde niet, omdat Eiser voor ongeveer € 1.500,- aan koper heeft gestolen op het werk, welk bedrag door de opdrachtgever van Gedaagde op haar aanneemsom is ingehouden. Verder heeft Eiser voor een bedrag van € 1.790,- schade toegebracht aan de bedrijfsauto van Gedaagde, aldus nog steeds Gedaagde.

2.5.      Eiser heeft naar aanleiding van dit verweer bij conclusie van repliek betwist dat hij koper heeft gestolen op het werk. Gedaagde heeft dit ook op geen enkele wijze onderbouwd. Verder betwist Eiser dat hij voor een bedrag van € 1.790,- aan schade heeft toegebracht aan de auto van Gedaagde. Desgevraagd heeft Gedaagde geen stukken overgelegd om haar verweer te onderbouwen, ook niet bij de conclusie van antwoord. Voor zover Gedaagde bedoeld heeft een beroep te doen op verrekening, slaagt dat beroep derhalve niet, aldus Eiser. Eiser handhaaft zijn vordering.

2.6.      Gedaagde heeft de nadere stellingen van Eiser niet weersproken, zodat de kantonrechter in beginsel van de juistheid hiervan uitgaat. Gedaagde heeft bij haar conclusie van antwoord aangevoerd dat zij bij conclusie van dupliek de bewijsstukken zal overleggen. Nu Gedaagde niet voor dupliek heeft geconcludeerd, zijn die bewijsstukken ook niet overgelegd. Dat betekent dat het verweer van Gedaagde als onvoldoende onderbouwd verworpen moet worden. Voor zover Gedaagde een beroep op verrekening heeft willen doen, slaagt dat beroep alleen daarom al niet. Gedaagde heeft de hoofdsom verder niet gemotiveerd betwist. Deze zal daarom worden toegewezen.

2.7.      De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom evenals de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zullen, als onweersproken, worden toegewezen zoals hierna vermeld.

2.8.      Eiser heeft een bedrag van € 563,00 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De kantonrechter stelt vast dat Eiser voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten, zal worden afgewezen, nu niet is gesteld dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

2.9.       Als de in het ongelijk gestelde partij zal Gedaagde in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden begroot op:

-dagvaarding                €                      79,81

-  griffierecht                €                    223,00

-  salaris gemachtigde €__________ 350,00              (2 punten x tarief € 175,00)

Totaal                           €                    652,81,

2.10.     De gevorderde nakosten zullen, als onweersproken, wórden toegewezen zoals hierna vermeld.

3. Beslissing

De kantonrechter:

3.1.       veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.070,01, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.400,00 vanaf 16 november 2016 tot de voldoening;

3.2.       veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 652,81, waarin begrepen € 350,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.       veroordeelt Gedaagde, onder de voorwaarde dat deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op een half punt van het toepasselijke liquidatietarief, met een maximum van € 100,00 aan salaris gemachtigde, dus in dit geval begroot op € 87,50, vermeerderd met de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.4.       verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.       wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Loots, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.