Gedaagde had geen grond om de overeenkomst met de eiser voortijdig op te zeggen

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde een overeenkomsten gesloten voor de levering van elektriciteit en gas met een door Eiser geselecteerde energieleverancier, voor de duur van 5 jaar. De vof is daarvoor een maandelijkse vergoeding verschuldigd aan Eiser. Gedaagde heeft deze overeenkomst vroegtijdig opgezegd. Eiser vordert de toekomstige maandelijkse termijnvergoedingen, die Gedaagde verschuldigd is conform de algemene voorwaarden.

Gedaagde erkent de overeenkomst vroegtijdig te hebben beëindigd. Volgens Gedaagde heeft Eiser ergens een rekenfout gemaakt en deze niet gecorrigeerd, hetgeen voor Gedaagde reden was de overeenkomst op te zeggen. Eiser reageert hierop dat de bedragen die hij heeft gerekend gebaseerd zijn op het verbruik van het adres conform het centraal aansluitingenregister. Dit heeft Eiser met alle facturen gedaan, ook op de eerdere facturen, die Gedaagde wel zonder bezwaar heeft voldaan. Ook komt Gedaagde niet met bewijzen waaruit blijkt dat hij dit bezwaar ooit heeft aangekaart. Dit had wel op de weg van Gedaagde gelegen indien hij het werkelijk niet eens was met de hoogte van de factuur.

De rechter oordeelt dat Gedaagde geen grond had om de overeenkomst voortijdig op te zeggen. Gedaagde moet de vergoedingen conform de algemene voorwaarden dan ook aan Eiser betalen.

Datum: 28 maart 2018
Rechtbank: Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 6221325 CVEXPL 17-4133

vonnis

in de zaak van EISER B.V.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

gevestigd te, eisende partij,

(rol)gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen

1. de vennootschap onder firma GEDAAGDE 1 V.O.F.,

gevestigd te,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEDAAGDE 2 B.V., vennoot van gedaagde sub 1,

gevestigd te,

3. GEDAAGDE 3, vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te, gedaagden, procederend in persoon.

Partijen worden in het hierna volgende Eiser en de vof respectievelijk Gedaagde genoemd.

1. Het procesverloop

1.1        Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juli 2017;

- de conclusie van antwoord van Gedaagde;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek van Gedaagde.

1.2        Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1  Eiser heeft in opdracht van de vof overeenkomsten gesloten voor de levering van elektriciteit en gas met een door Eiser geselecteerde energieleverancier, voor de duur van 5 jaar. De vof is daarvoor een maandelijkse vergoeding verschuldigd aan Eiser.

2.2  Op bovengenoemde overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Eiser van toepassing.

2.3  De vof heeft de overeenkomst met Energieleverancier en Eiser voortijdig opgezegd.

2.4  Eiser heeft vervolgens conform artikel 10 lid 5 van de Algemene Voorwaarden de toekomstige maandelijkse termijnvergoedingen tot het einde van de looptijd van de overeenkomst ad € 2.321,02 gefactureerd.

3. De vordering en het verweer

3.1  Eiser vordert hoofdelijk des de één betalende de ander zal zijn bevrijd veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van gedaagden aan haar te betalen € 2.729,19, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.321,02 vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding en de nakosten.

3.2  Eiser legt daaraan, tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten, het volgende ten grondslag. De vof heeft met Eiser overeenkomsten gesloten ter zake de inkoop van elektriciteit en gas bij Energieleverancier voor de duur van vijfjaar ten behoeve van het adres. De vof heeft de overeenkomst met Energieleverancier en Eiser voortijdig opgezegd. Ondanks aanmaningen zijn gedaagden in gebreke gebleven met betaling van de factuur van 17 maart 2017. Het betreft een bedrag van € 2.321,02. Eiser vordert daarom betaling van dit bedrag, alsmede de wettelijke handelsrente berekend tot 20 juli 2017 op 6 60,02. Eiser heeft haar vordering uit handen moeten geven en heeft buitengerechtelijke incassokosten gemaakt ad 348,15. Gedaagden dienen ook deze kosten te vergoeden.

3.3  Gedaagden hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Dit verweer zal hierna voor zover nodig worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Omdat gedaagden afzonderlijk verweer hebben gevoerd tegen de vordering van Eiser, zal de zaak in het hiernavolgende waar nodig apart worden behandeld.

Ten aanzien van de vof en TSN

4.2 TSN betwist niet dat hij de overeenkomst met Eiser en Energieleverancier vroegtijdig heeft beëindigd. Naar de kantonrechter begrijpt is de reden hiervoor voor TSN gelegen in de naar haar mening te hoge voorschotbedragen alsmede de door Eiser onjuist gehanteerde bedragen.

4.3 Het onder 4.2 omschreven verweer van TSN is tweeledig. Daar waar het verweer ziet op de in rekening gebrachte voorschotbedragen, oordeelt de kantonrechter dat dit deel van het verweer, alsmede de door Eiser op dit punt ingenomen stellingen, buiten beschouwing dienen te worden gelaten, omdat dit zich afspeelt in de rechtsverhouding tussen de vof en Energieleverancier en Eiser geen partij is in die overeenkomst.

Voor het overige overweegt de kantonrechter het volgende.

TSN heeft, zo begrijpt de kantonrechter, aangevoerd dat Eiser in strijd met de inhoud van de bevestigingsbrief d.d. 6 oktober 2016 en onterecht in haar facturen een bedrag van € 9,95 (verbruik boven de 10.000 m3) als maandelijkse bijdrage voor gas voor het aansluitadres in rekening brengt. Dit moet een bedrag van € 7,95 zijn, omdat het gasverbruik onder de limiet van 10.000 m3 ligt, aldus TSN. Eiser heeft nagelaten dit te corrigeren, hetgeen voor TSN reden was de overeenkomst met Eiser op te zeggen.

Eiser heeft onderbouwd gesteld dat de bedragen op haar factuur gebaseerd zijn op het verbruik per aansluitadres conform het Centraal Aansluitingenregister, welke bron ook wordt gebruikt door de leveranciers om het voorschotbedrag vast te stellen. Voorts heeft Eiser onbetwist aangevoerd dat in twee eerdere facturen eveneens een maandbedrag op basis van een verbruik boven 10.000 m3 gas op € 9,95 is gesteld en dat de vof deze zonder bezwaar heeft voldaan. De vof heeft verder nimmer aan Eiser gecommuniceerd dat de maandelijkse bijdrage voor gas onjuist zou zijn, aldus Eiser.

TSN heeft - hoewel dat op haar weg lag - geen bewijs geleverd van haar stelling dat zij bij Eiser heeft gereclameerd over de hoogte van de in rekening gebrachte maandbijdrage voor gas en heeft evenmin een concreet en gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. De kantonrechter acht geen termen aanwezig om TSN ambtshalve bewijs op te dragen op dit punt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat TSN geen bezwaren heeft geuit aan Eiser omtrent de hoogte van de maandbijdrage voor gas aan het adres.

De kantonrechter stelt vast dat TSN geen grond had om de overeenkomst met Eiser voortijdig op te zeggen.

TSN betwist voorts niet dat conform de algemene voorwaarden bij voortijdige opzegging de resterende duur van de contractperiode verschuldigde vergoedingen uit hoofde van de overeenkomst ineens opeisbaar zijn.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering jegens de vof en TSM in hoofdsom zal worden toegewezen.

Ten aanzien van Handavani

4.4  Handayani heeft aangevoerd dat zij per 22 januari 2017 is uitgetreden als vennoot van de vof.

Volgens rechtspraak van het Hof kan een uitgetreden vennoot in een vennootschap onder firma (hoofdelijk) aansprakelijk worden gehouden voor vorderingen die voortvloeien uit een voor zijn uittreden gesloten duurovereenkomst.

Omdat de overeenkomsten met Eiser zijn gesloten op 1 oktober 2016 staat een uittreding van Handayani van na die datum niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Het verweer van Handayani op dit punt wordt daarom gepasseerd.

4.5  Voorts heeft Handayani aangevoerd dat bij uitspraak van 7 maart 2017 van de rechtbank Den Haag haar beroep tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag van Handayani om verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' ongegrond is verklaard. Handayani stelt dat zij vanaf dat moment niet meer bevoegd was om als zelfstandige werkzaam te zijn en aldus niet verantwoordelijk kan zijn voor nieuw aangegane contracten.

De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

Zoals hiervoor reeds eerder overwogen zijn de overeenkomsten met Eiser gesloten op 1 oktober 2016, zodat het verweer van Handayani op dit punt eveneens geen stand houdt. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat het niet verlengen van de verblijfsvergunning van Handayani niet betekend dat zij geen vennoot van de vof meer kan zijn, zodat ook om deze reden het verweer van Handayani op dit punt toewijzing van de vordering van Eiser niet in de weg kan staan.

4.6  Tot slot heeft Handayani aangevoerd dat het deelnameformulier van Eiser door haar gezien noch getekend is en stelt zij dat dit allemaal buiten haar weten om is geregeld.

Ingevolge artikel 17 van het Wetboek van Koophandel (WvK) geldt dat elk der vennoten die daarvan niet is uitgesloten, bevoegd is om ten name van de vennootschap te handelen alsook de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden. Gesteld noch gebleken is dat TSN niet over deze bevoegdheid zou beschikken, zodat vast staat dat TSN de vof rechtsgeldig kon binden aan de overeenkomsten met Eiser.

Voorts is elke vennoot van een vennootschap onder firma ingevolge artikel 18 WvK hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van die vennootschap. Derhalve staat het Eiser vrij om Handayani mede in rechte te betrekken en faalt het verweer van haar op dit punt.

4.7  Gelet op het voorgaande zal de vordering van Eiser jegens Handayani in hoofdsom worden toegewezen.

4.8  De gevorderde wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten zijn door gedaagden niet afzonderlijk en gemotiveerd betwist, zodat deze als op de wet gegrond zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten al zijn betaald.

4.9  De door partijen aangevoerde argumenten, die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

4.10  Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 87,50.

Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1  veroordeelt gedaagden hoofdelijk des de één betalende de ander zal zijn bevrijd om aan Eiser te voldoen de som van € 2.729,19, vermeerderd met de wettelijke handelsrente rente over € 2.321,02 vanaf 20 juli 2017 tot de dag der algehele voldoening;

5.2  veroordeelt gedaagden des de één betalende de ander zal zijn bevrijd in de kosten van het geding, aan de zijde van Eiser tot op heden vastgesteld op:

€ 80,42 aan explootkosten;

€ 470,00 aan griffierecht;

€ 350,00 aan salaris gemachtigde,

vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3  veroordeelt gedaagden des de één betalende de ander zal zijn bevrijd in de nakosten, tot op heden begroot op € 87,50, indien en voor zover gedaagden niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen na betekening van dit vonnis hebben voldaan;

5.4  verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5  wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.J. Heessels en uitgesproken op 28 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.