Gedaagde heeft de eiser geen mogelijkheid gegeven tot herstel, waardoor ze de rekening van de eiser gewoon moeten betalen

Eiser heeft verbouwingswerkzaamheden voor gedaagden verricht. De factuur hebben ze onbetaald gelaten. Als reden geven ze dat Eiser werkzaamheden aan het toilet niet goed heeft uitgevoerd. De rechter oordeelt dat juridisch gezien Eiser die werkzaamheden wel heeft uitgevoerd. Partij Gedaagde heeft op die verbouwing weliswaar kritiek geuit - en misschien niet helemaal ten onrechte meent de kantonrechter na partijen hierover te hebben gehoord tijdens de comparitie - maar partij Gedaagde heeft - weer juridisch gezien - niet de juiste weg gevolgd om zich nu met succes te kunnen te beroepen op een opschortingsrecht of op een recht op schadevergoeding wegens herstelkosten.

Wat Gedaagde had kunnen doen volgens de wet:

a)   de overeenkomst te ontbinden (met ongedaanmakingsverbintenissen aan beide zijden) nadat aan Eiser een fatale termijn was gesteld om alsnog deugdelijk na te komen en die termijn zonder resultaat zou zijn verstreken (zie artikel 6 265 juncto artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek);

b)   haar betalingsverplichting op te schorten totdat Eiser alsnog deugdelijk was nagekomen of

c)   schadevergoeding te eisen nadat aan Eiser een fatale termijn was gesteld om alsnog deugdelijk na te komen en die termijn zonder resultaat zou zijn verstreken (zie artikel 6:74 juncto artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek).

Dit hebben de Gedaagden niet gedaan, waardoor ze de rekening voor de werkzaamheden gewoon moeten betalen.

Datum: 9 mei 2018
Rechtbank: Rechtbank Limburg
Zaaknummer: 6568992 \ CV EXPL 18-224

Vonnis

in de zaak van:

EISER

(tevens handelend onder de naam AANNEMERSBEDRIJF EISER)

wonende/zaakdoende te,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde IntoCash,

tegen:

GEDAAGDE 1

en

GEDAAGDE 2,

wonende te,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde mr. W.W.J. Houben.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding

de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie productie 1 tot en met 5 van partij Gedaagde (brief van 19 april 2018) - productie 6 tot en met 9 van partij Eiser (brief van 16 april 2018) het proces-verbaal van de comparitie van 24 april 2018.

1.2. Tot slot is bepaald dat vonnis wordt gewezen. De uitspraak is bij vervroeging bepaald op heden.        

2. De vorderingen over en weer

2.1. Eiser heeft op basis van een overeenkomst voor partij Gedaagde verbouwingswerkzaamheden verricht. Eiser stelt dat partij Gedaagde de (laatste) factuur van 28 augustus 2017 niet volledig heeft voldaan. Er resteert nog € 1.883,81

Ondanks incasso-inspanningen heeft Eiser niet kunnen bereiken dat partijGedaagde dat bedrag alsnog heeft betaald.

2.2. Eiser vordert nu in conventie dat partij Gedaagde bij een vonnis - uitvoerbaar bij voorraad verklaard - wordt veroordeeld om aan hem te betalen:

a)   € 1.883,81 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente daarover, berekend vanaf 18 december 2017 tot de dag der algehele voldoening;

b)   € 10,84 aan wettelijke rente over de hoofdsom, berekend tot 18 december 2017;

c)   € 282,57 excl. btw aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente daarover, berekend vanaf 14 dagen na datum vonnis tot de dag van algehele voldoening;

d)   een vergoeding voor proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, en voor nakosten.

2.3. Partij Gedaagde heeft verweer gevoerd, ook tegen de gevorderde uitvoerbaar-bij- voorraad-verklaring.              

2.4. Zij heeft - zo begrijpt de kantonrechter - van haar kant gevorderd, in reconventie dat Eiser wordt veroordeeld om aan haar te betalen:

€ 3.500,00 aan schadevergoeding voor herstelwerkzaamheden aan het door Eiser ondeugdelijk verbouwde toilet.

2.5.  Eiser heeft ter comparitie verweer gevoerd tegen de tegenvordering van partij Gedaagde.   

3. De beoordeling van de vorderingen

3.1. De kantonrechter heeft ter comparitie al in grote lijnen aangegeven hoe zijn beslissing zal luiden. Er kan daarom worden volstaan met een verkort gemotiveerd vonnis.

3.2. Eiser vordert dat partij Gedaagde haar contractuele betalingsverplichtingen nakomt nu hij van zijn kant de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht.

3.3. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende gemotiveerd betwist staat voor de kantonrechter voor wat betreft de geschilpunten het volgende vast:

de werkzaamheden aan de deur waren niet overeengekomen, maar serviceverlening van Eiser;  

In de overeenkomst staat dat Eiser moet zorgen voor hang- en sluitwerk van standaardkwaliteit; dat heeft Eiser ook geleverd en de kosten die partij Gedaagde heeft gemaakt om zelf hang- en sluitwerk van hoogwaardige kwaliteit aan te schaffen, omdat ze dat mooier vond, behoeven niet in mindering te worden gebracht op de aanneemsom;

Eiser heeft, zoals overeengekomen, de verwarmingen aan de achterzijde van de slaapkamers aangesloten en die vervolgens later op verzoek van partij Gedaagde niet meer aangesloten op de cv-leidingen in de keuken;

de door Eiser aangelegde verwarming op de bovenverdieping (voorste slaapkamer) werkt wél.

3.4. Wat resteert als geschilpunt is het toilet. Ook de werkzaamheden aan het toilet heeft Eiser - juridisch gezien - wél uitgevoerd. Partij Gedaagde heeft op die verbouwing weliswaar kritiek geuit - en misschien niet helemaal ten onrechte meent de kantonrechter na partijen hierover te hebben gehoord tijdens de comparitie - maar partij Gedaagde heeft - weer juridisch gezien - niet de juiste weg gevolgd om zich nu met succes te kunnen te beroepen op een opschortingsrecht of op een recht op schadevergoeding wegens herstelkosten.         

3.5. De wet bood partij Gedaagde de gelegenheid om:

a)   de overeenkomst te ontbinden (met ongedaanmakingsverbintenissen aan beide zijden) nadat aan Eiser een fatale termijn was gesteld om alsnog deugdelijk na te komen en die termijn zonder resultaat zou zijn verstreken (zie artikel 6 265 juncto artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek);

b)   haar betalingsverplichting op te schorten totdat Eiser alsnog deugdelijk was nagekomen of

c)   schadevergoeding te eisen nadat aan Eiser een fatale termijn was gesteld om alsnog deugdelijk na te komen en die termijn zonder resultaat zou zijn verstreken (zie artikel 6:74 juncto artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek).

3.6. Partij Gedaagde heeft echter nagelaten om aan Eiser een fatale termijn te stellen, integendeel: in haar mail van 2 oktober 2017 heeft partij Gedaagde direct aangegeven aan Eiser dat zij het vertrouwen in Eiser kwijt was en dat zij een externe partij zou inschakelen om de werkzaamheden alsnog af te ronden. Van gebruikmaking van het recht om de nakoming van de eigen betalingsverplichting op te schorten teneinde Eiser te bewegen alsnog deugdelijk na te komen, was dus geen sprake.

3.7. Om die reden kan zij zelf nu niet meer met recht claimen een vordering op Van der

Zee te hebben en moet zij dus gewoon de rekening van Eiser betalen. Dat volgt uit de wet.       

3.8. Nu het vaststaat dat Eiser nog een vordering had op partij Gedaagde welke vordering partij Gedaagde niet wilde betalen, werd Eiser gedwongen om een incassotraject m te gaan dat kosten met zich meebracht. Hij kan met recht aanspraak maken op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten en overigens ook op wettelijke rente. De hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten spoort met de daarvoor geldende tarieven en tegen de berekening van de wettelijke rente is geen bezwaar gemaakt, zodat die beide nevenvorderingen ook toewijsbaar zijn.

3.9. Omdat partij Gedaagde de in het ongelijk gestelde partij is, zal zij in de proceskosten van Eiser worden veroordeeld. Die kosten bedragen tot op heden:

in conventie

€ 80,42 aan kosten dagvaarding;

€ 226,00 aan griffierecht;

- € 225,00 voor salaris gemachtigde (1,5 x € 150,00)

in reconventie

€ 75,00 voor salaris gemachtigde (0,5 x € 150,00)

3.10. De enkele stelling van partij Gedaagde dat zij zeker in hoger beroep zal gaan van een vonnis waarin zij in het ongelijk zal worden gesteld, is geen reden om dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zoals bepleit door partij Gedaagde. Daarvoor moet meer worden aangevoerd (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1. veroordeelt Gedaagden hoofdelijk om aan Eiser tegen deugdelijk bewijs van kwijting te betalen:

-  € 1.883,81 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente daarover, gerekend vanaf 18 december 2017 tot de dag van algehele voldoening;

-  € 10,84 aan wettelijke rente, berekend tot 18 december 2017;

€ 282,57 excl. btw aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

€ 531,42 aan proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

4.2. veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

€ 75,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

4.4. wijst de vordering van Gedaagden af;

4.5. veroordeelt Gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Eiser in reconventie gevallen en deze tot heden begroot op: