Gedaagde is de contractspartij en niet slechts een tussenpersoon

Een college heeft met een aannemersbedrijf een overeenkomst van aanneming van werk gesloten om haar onderwijsgebouw te vernieuwen. Gedaagde heeft een overeenkomst van onderaanneming. De drie eisers hebben werkzaamheden verricht voor dit project en vervolgens hiervoor facturen gestuurd. Een deel van de facturen heeft de gedaagde echter niet betaald. Volgens de gedaagde is niet hij, maar een bovenaannemer de contractspartij die de factuur van de eisers dient te voldoen. Mocht gedaagde wel de contractspartij blijken betwist hij de vordering, aangezien volgens hem de eisers te veel uren in rekening hebben gebracht waar hij geen schriftelijk akkoord voor heeft gegeven. De rechter moet beoordelen of de gedaagde de contractspartij is of slechts een tussenpersoon. Om dit te bepalen spelen verschillende omstandigheden een rol.

Bij de uitvoering van de werkzaamheden was er dagelijks contact tussen de eisers en de gedaagde. Zo stuurde ze bouwtekeningen naar elkaar een deden eisers een ziektemelding bij gedaagde. De bovenaannemer hebben eisers bijna nooit gezien. Ook staat vast dat de gedaagde bij de eerdere facturen niet heeft geprotesteerd tegen de tenaamstelling. Dat gedaagde deze facturen voor de bovenaannemer heeft voldaan vindt de rechter onvoldoende onderbouwd. De rechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden de eisers er redelijkerwijs op mochten vertrouwen dat de gedaagde hun contractspartij was.

Tot slot heeft gedaagde de hoogte van de vordering betwist. Er zou te veel uren in rekening zijn gebracht. De eisers geven aan dat de gedaagde nooit eerder heeft geprotesteerd tegen de hoogte van de facturen. Dit verweer gaat dan ook niet op. De gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen plus de rente en incassokosten. Omdat gedaagde in het ongelijk is gesteld moet hij ook de proceskosten betalen.

Datum: 15 maart 2017
Rechtbank: Rechtbank Almere
Zaaknummer: 5369811 MC EXPL 16 10312 HKB/32027

Vonnis

inzake

1.  Eiser 1, hierna te noemen: Eiser 1,

2.  Eiser 2, hierna te noemen: Eiser 2,

3.  Eiser 3, hierna te noemen: Eiser 3, eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Eisers c.s.

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij Incassobureau IntoCash tegen:

Gedaagde,

wonende en zaakdoende te, hierna te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij SWDV Advocaten thans niet langer ten processe vertegenwoordigd.

1. De procedure

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-   de dagvaarding

-   de conclusie van antwoord

-   de conclusie van repliek.

1.2.        Gedaagde heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet voor dupliek geconcludeerd.

1.3.       Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1        Het College te … heeft met een aannemersbedrijf een overeenkomst van aanneming van werk gesloten ten behoeve van de nieuwbouw van haar onderwijsgebouw. Het aannemersbedrijf heeft een overeenkomst van onderaanneming gesloten met onder meer F B.V. (hierna: F). F heeft op haar beurt een overeenkomst van onderaanneming gesloten met de heer H (hierna: H). H heeft tot slot een overeenkomst van onderaanneming gesloten met Gedaagde.

2.2        Eisers c.s. hebben werkzaamheden verricht voor het project College. De voor deze werkzaamheden verstuurde facturen zijn op naam gesteld van en verzonden aan Gedaagde.

2.3        Gedaagde heeft (een deel van de) facturen van Eisers c.s. niet voldaan.

3. De vordering

3.1        Eisers heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen om aan Eisers te voldoen een bedrag van € 2.264,21, bestaande uit € 2.212,50 aan hoofdsom en € 51,71 aan wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum tot 17 augustus 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 17 augustus 2016 tot de voldoening. Daarnaast heeft Eisers buitengerechtelijke incassokosten gevorderd ad € 331,88 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede om Gedaagde te veroordelen in de (na)kosten van de procedure.

3.2        Eiser 2 heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen om aan Eiser 2 te voldoen een bedrag van € 4.520,56, bestaande uit € 4.400,- aan hoofdsom en € 120,56 aan wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum tot 17 augustus 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 17 augustus 2016 tot de voldoening. Daarnaast heeft Eiser 2 buitengerechtelijke incassokosten ad € 565,- exclusièf BTW gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede om Gedaagde te veroordelen in de (na)kosten van de procedure.

3.3        Eiser 3 heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen om aan Eiser 3 te voldoen een bedrag van € 5.101,56 bestaande uit € 4.975,- aan hoofdsom en € 126,56 aan wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum tot 17 augustus 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 17 augustus 2016 tot de voldoening. Daarnaast heeft Eiser 3 buitengerechtelijke incassokosten ad € 622,50 exclusief BTW gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede om Gedaagde te veroordelen in de (na)kosten van de procedure.

3.4        Ter onderbouwing van hun vorderingen hebben Eisers c.s. gesteld dat Gedaagde de door hen gestuurde facturen, ondanks sommaties, onbetaald heeft gelaten. Eisers c.s. maken aanspraak op de buitengerechtelijke kosten nu Eisers c.s. de vorderingen uit handen hebben moeten geven. Gedaagde is op grond van de wet wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de vervaldatum van de diverse facturen.

3.5         Gedaagde voert verweer. Volgens Gedaagde is niet hij, maar H de contractspartij van Eisers c.s. en dienen de vorderingen derhalve te worden afgewezen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Gedaagde verwezen naar een drietal overeenkomsten van onderaanneming, waarin H als contractspartij staat vermeld (vgl. producties 1 t/m 3 bij conclusie van antwoord). Op verzoek van H heeft Gedaagde eerdere facturen van Eisers c.s. voldaan. H heeft hem echter verzocht om geen betalingen meer aan Eisers c.s. te verrichten. Voor zover er wel overeenkomsten met Eisers c.s. tot stand zijn gekomen, betwist Gedaagde de vorderingen van Eisers c.s., omdat Eisers c.s. te veel uren in rekening hebben gebracht en geen schriftelijk akkoord aan F hebben gevraagd voor het meerwerk.

3.6        Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1        Kern van het geschil is met wie Eisers c.s. een overeenkomst van onderaanneming hebben afgesloten. Is dit Gedaagde geweest, zoals Eisers c.s. stellen, of is dit H geweest en heeft Gedaagde 'slechts' als tussenpersoon van H gehandeld? Het antwoord op die vraag hangt af van hetgeen Gedaagde en Eisers c.s. daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Daarbij spelen alle omstandigheden een rol (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877).

4.2         Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat Gedaagde Eisers c.s. heeft benaderd voor het verrichten van werkzaamheden, dat hij bij de uitvoering van de werkzaamheden dagelijks contact onderhield met Eisers c.s., dat Gedaagde instructies aan Eisers c.s. gaf voor de uit te voeren werkzaamheden, dat Eisers een ziektemelding deed bij Gedaagde en dat Gedaagde aan Eisers c.s. de bouwtekeningen stuurde. Eisers c.s. hebben H één of twee keer gezien. Ook staat vast dat Gedaagde eerdere facturen van Eisers c.s. voor het project Collegde voldeed en dat Gedaagde niet heeft geprotesteerd tegen de tenaamstelling van de facturen. Dat Gedaagde de facturen van Eisers c.s. voor H heeft voldaan in de zin van artikel 6:30 BW, heeft Gedaagde in het licht van bovenstaande onvoldoende onderbouwd. Weliswaar staat op de overeenkomsten H als contractspartij, maar deze overeenkomsten zijn niet door H ondertekend. Bovendien is onweersproken gebleven dat Gedaagde die overeenkomsten aan Eisers c.s. ter beschikking heeft gesteld. Nu overigens Gedaagde de stellingen van Eisers c.s. niet verder bij dupliek heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van Eisers c.s. De kantonrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden Eisers c.s. er redelijkerwijs op mochten vertrouwen dat Gedaagde hun contractspartij was.

4.3        Gedaagde heeft tot slot de hoogte van de vorderingen betwist. Volgens hem zijn er teveel uren in rekening gebracht en hadden Eisers c.s. toestemming nodig van F om werkzaamheden te verrichten. Zoals hiervoor is overwogen is Gedaagde contractspartij van Eisers c.s. Zij behoeven dan ook geen toestemming van F aangezien zij geen contractuele relatie met hem hebben. Voorts hebben Eisers c.s. onbetwist gesteld dat Gedaagde niet eerder heeft geprotesteerd tegen de hoogte van de facturen. Het verweer van Gedaagde zal worden verworpen.

4.4         Voorgaande betekent dat de gevorderde hoofdsommen worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt eveneens toegewezen vanaf de vervaldata van de diverse facturen tot aan de dag van voldoening, nu Gedaagde de ontvangst van de facturen niet heeft betwist en de vervaldata op de facturen na de termijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur liggen zoals bedoeld in artikel 6:119a BW.

4.5        De kantonrechter stelt vast dat Eisers c.s. voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De door Eisers c.s. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad respectievelijke 331,88, € 565,- en

€ 622,50 zullen worden toegewezen. Eisers c.s. vorderen tevens wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Niet gesteld of gebleken is echter dat Eisers c.s. deze kosten al daadwerkelijk aan hun gemachtigde hebben betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeren en als zodanig vermogensschade hebben geleden. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom niet worden toegewezen.

4.6         Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten worden begroot op:

•            salaris gemachtigde € 600,-                           (2 x € 300,-)

•            explootkosten             € 77,75

•            griffierecht________ € 47 C-

Totaal                                     € 1.148,75

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

4.7         De nakosten, waarvan Eisers c.s. betaling vorderen, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5. Beslissing

De kantonrechter:

5.1 veroordeelt Gedaagde om aan Eisers tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.596,09, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.212,50 vanaf 17 augustus 2016 tot de dag der voldoening;

5.2 veroordeelt Gedaagde om aan Eiser 2 tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.085,56 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 4.400,- vanaf 17 augustus 2016 tot de dag der voldoening;

5.3 veroordeelt Gedaagde om aan Eiser 3 tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.724,06 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 4.975,- vanaf 17 augustus 2016 tot de dag der voldoening;

5.4 veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eisers c.s., tot op heden aan de zijde van Eisers c.s. begroot op € 1.148,75, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag der voldoening;

5.5 veroordeelt Gedaagde onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Eisers c.s. volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,- aan salaris gemachtigde;

5.6             verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7            wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.