Gedaagde is terecht in persoon gedagvaard en moet de vordering betalen

samenvatting:
In juni 2017 hebben Eiser en Gedaagde een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een geluid- en lichtinstallatie. In de overeenkomst is afgesproken dat Gedaagde een maandelijkse aflossing zou betalen van € 559,20 en de rente conform een afgesproken betalingsmodel. Voorts is overeengekomen dat totdat Gedaagde alle betalingen heeft voldaan Eiser 100% eigenaar blijft van de materialen. Op 30 oktober 2017 heeft Gedaagde per e-mail Eiser verzocht om de nota op naam van zijn bedrijf ZyR B.V. te laten zetten in plaats van op zijn privénaam, omdat Gedaagde anders het btw-bedrag niet kan terugvragen. Eiser heeft Gedaagde vervolgens per e-mail een nieuwe leaseovereenkomst gestuurd op naam van ZyR B.V. Deze overeenkomst is nooit door Gedaagde ondertekend en teruggestuurd naar Eiser. Omdat Gedaagde in gebreke was gebleven met betaling van de maandelijks overeengekomen termijnen, heeft Eiser de geluid- en lichtapparátuur opgehaald bij Gedaagde.

Eiser wilt dat Gedaagde conform de leaseovereenkomst betaalt voor de apparatuur. Gedaagde is het hier niet mee eens en heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en daartoe het volgende aangevoerd. Eiser heeft de verkeerde partij gedagvaard, want de overeenkomst is gesloten met ZyR B.V. Daarnaast is Gedaagde het niet eens met eindafrekening. want ten onrechte heeft Eiser de gehele rente in rekening gebracht. Voorts heeft Eiser zich niet aan de afspraak gehouden door geen vervangende goedkopere apparatuur te leveren. Hierdoor heeft ZyR B.V. schade geleden.

De kantonrechter is van oordeel dat Gedaagde terecht in persoon is gedagvaard en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat in de leaseovereenkomst van 22 juli 2017 Gedaagde als huurder is opgenomen, dat deze leaseovereenkomst door Gedaagde is ondertekend, dat in de leaseovereenkomst niet is opgenomen dat Gedaagde handelde in zijn hoedanigheid als directeur van ZyR B.V. en dat in de leaseovereenkomst geen enkele verwijzing is opgenomen naar ZyR B.V. Er is derhalve in eerste instantie een overeenkomst met Gedaagde in persoon afgesloten.

De volgende vraag is of de rente terecht in rekening is gekomen. De kantonrechter stelt vast dat in de leaseovereenkomst niet is overeengekomen dat Eiser de rente mag doorberekenen (uitfactureren) bij een vroegtijdige beëindiging van de leaseovereenkomst, zodat dit geen grondslag voor de vordering kan zijn. Eiser heeft echter op grond van artikel 6:227 lid 1 BW wel recht op vergoeding van de door de ontbinding ontstane schade, omdat Eiser de overeenkomst met Gedaagde heeft moeten ontbinden vanwege een tekortkoming aan de zijde van Gedaagde. Volgens Eiser bestaat zijn schade — onder andere — uit de in de eindafrekening doorberekende rente. De kantonrechter is van oordeel dat Eiser zijn schade voldoende heeft onderbouwd. Er was immers sprake van een huurkoopsituatie. Doordat Eiser de goederen heeft teruggenomen na het einde van de overeenkomst, heeft dat een deel van de schade gedekt. Onbetwist is echter dat Eiser de geluid- en lichtapparatuur ook heeft moeten financieren en over deze financiering ook rente moet betalen. Daarnaast omvat de schade ook gederfde kosten. Het is daarom niet onredelijk dat Eiser de rente heeft uitgefactureerd, zodat het verweer van Gedaagde hiertegen niet slaagt.

Dit betekent dat Gedaagde zal worden veroordeeld het in de eindafrekening openstaande bedrag van € 1.015,55 aan Eiser te betalen.

Datum: 14 juni 2019
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 7308489/ CV EXPL 18-46039

vonnis

in de zaak van

Eiser
wonende te,
eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde,
wonende,
gedaagde,

gemachtigde: mr.

Partijen worden hierna aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- het exploot van dagvaarding van 18 oktober 2018, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het vonnis van 8 januari 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de door Eiser ten behoeve van de comparitie van partijen nagezonden productie:
- het proces-verbaal van de op 12 april 2019 gehouden comparitie van partijen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 22 juni 2017 heeft Eiser met Gedaagde een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een geluid- en lichtinstallatie. Deze overeenkomst had een geldigheidsduur van 1 juli 2017 tot en met 31 juni 2018. In de overeenkomst is afgesproken dat Gedaagde een maandelijkse aflossing zou betalen van € 559,20 en de rente conform een overeengekomen betalingsmodel. Voorts is overeengekomen dat totdat Gedaagde alle betalingen heeft voldaan Eiser 100% eigenaar blijft van de materialen.

2.2.1n de leaseovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden van APEX-Entertainment van toepassing verklaard. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"10. Eigendom

1.  De Verhuurder blijft ten allen tijde eigenaar van de Materialen, ongeacht de duur van de huurperiode en heeft het recht (in nader overleg met Huurder) controle op de aanwezigheid en het onderhoud van de Materialen uit te oefenen of te doen uitoefenen. Huurder dient te voorkomen dat bij derde de verwachting of indruk worden gewekt dat Huurder tot verdere beschikking over de Materialen bevoegd is.

2.      Partijen kunnen overeenkomen dat de eigendom van de Materialen op de Huurder overgaat op het moment dat de Verhuurovereenkomst eindigt. Dit za! de uitdrukkelijk schriftelijk in de Verhuurovereenkomst worden vastgelegd.

15. Betalingen, Facturering
(..)

Huurder is. zonder nadere ingebrekestelling, over alle bedragen die niet uiterlijk de laatste dag van de betalingstermijn zijn betaald, vanaf die dag een vertrningsrente verschuldigd van 10% per 14 dagen.
Indien Huurder jegens Verhuurder na verzoek tot betaling in verzuim blijft, is hij verplicht

Verhuurder verplicht de buitengerechtelijke kosten volledig te vergoeden.

(..)"

2.3. Op 30 oktober 2017 heeft Gedaagde per e-mail Eiser verzocht om de nota op naam van zijn bedrijf ZyR B.V. te laten zetten in plaats van op zijn privénaam, omdat Gedaagde anders het btw-bedrag niet kan terugvragen.

2.4. Eiser heeft Gedaagde vervolgens per e-mail een nieuwe leaseovereenkomst gestuurd op naam van ZyR B.V. Deze overeenkomst is nooit door Gedaagde ondertekend en teruggestuurd naar Eiser.

2.5. Omdat Gedaagde in gebreke was gebleven met betaling van de maandelijks overeengekomen termijnen, heeft Eiser de geluid- en lichtapparátuur opgehaald bij Gedaagde.

2.6. Bij factuurdatum van 21 januari 2018 heeft Eiser de eindafrekening opgemaakt. Na verrekening van de kosten en de restwaarde van het materiaal met de reeds betaalde termijnen staat er volgens Eiser nog een bedrag van 1.015,55 inclusief btw (E 839,30 exclusief btw) open dat door Gedaagde moet worden voldaan.

2.7. Eiser heeft Gedaagde diverse aanmaningen gestuurd. In de 2e herinnering heeft Eiser het nog openstaande bedrag verhoogd met 10% administratiekosten, waardoor volgens Eiser nog een bedrag van € 1.117,10 betaald moest worden door Gedaagde.

3. De vordering

3.1. Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen aan haar te betalen 1.117,10 aan hoofdsom, E 55,58 aan tot en met 5 oktober 2018 verschenen wettelijke handelsrente en € 167,57 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 5 oktober 2018 tot aan de dag van algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening. Tevens heeft Eiser gevorderd Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2. Eiser heeft het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. Nadat Gedaagde drie termijnen onbetaald heeft gelaten, heeft Eiser conform de overeenkomst de apparatuur opgehaald bij Gedaagde en een eindafrekening opgemaakt. Deze heeft Gedaagde niet voldaan, zodat Eiser op grond van nakoming betaling hiervan heeft gevorderd. Op grond van artikel 6:119a BW is Gedaagde de wettelijke handelsrente verschuldigd wegens niet tijdige betaling. Voorts heeft Eiser op grond van de overeenkomst, op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding van buitenrechteiijke incassokosten. op grond van het rapport Voorwerk 11 alsmede op grond van de redelijkheid en billijkheid betaling gevorderd van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.

4. Het verweer

4.1. Gedaagde heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en daartoe het volgende aangevoerd. Eiser heeft de verkeerde partij gedagvaard, want de overeenkomst is gesloten met ZyR B.V. Daarnaast is Gedaagde het niet eens met eindafrekening. want ten onrechte heeft Eiser de gehele rente in rekening gebracht. Voorts heeft Eiser zich niet aan de afspraak gehouden door geen vervangende goedkopere apparatuur te leveren. Hierdoor heeft ZyR B.V. schade geleden.

5. De beoordeling

5.1. De eerste vraag die beantwoord zal moeten worden is of Eiser de juiste partij heeft gedagvaard. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat Eiser uiteindelijk een leaseovereenkomst is aangegaan met ZyR B.V., omdat Gedaagde de leaseovereenkomst per ongeluk had getekend. Direct na daarop geattendeerd te zijn heeft Eiser een nieuwe leaseovereenkomst met de aangepaste handelsnaam ZyR B.V. verstrekt. Volgens Gedaagde zijn vanaf het begin af aan de huurpenningen vanaf de bankrekening van ZyR B.V. afgeschreven en was ZyR B.V. ook de enige die beschikte over een btw-nummer, zodat het verleggen van de btw alleen met ZyR B.V. geregeld kan zijn.

5.2. De kantonrechter is van oordeel dat Gedaagde terecht in persoon is gedagvaard en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat in de leaseovereenkomst van 22 juli 2017 Gedaagde als huurder is opgenomen, dat deze leaseovereenkomst door Gedaagde is ondertekend, dat in de leaseovereenkomst niet is opgenomen dat Gedaagde handelde in zijn hoedanigheid als directeur van ZyR B.V. en dat in de leaseovereenkomst geen enkele verwijzing is opgenomen naar ZyR B.V. Er is derhalve in eerste instantie een overeenkomst met Gedaagde in persoon afgesloten. Pas een paar maanden nadat Gedaagde de leaseovereenkomst had ondertekend kwam Gedaagde er achter dat deze eigenlijk op naam van zijn bedrijf had moeten staan. Hij heeft toen aan Eiser gevraagd om de leaseovereenkomst aan te passen en op naam van ZyR B.V. te zetten, wat Eiser ook heeft gedaan. Gedaagde heeft deze aangepaste leaseovereenkomst echter niet ondertekend namens ZyR B.V. ❑e kantonrechter is van oordeel dat hierdoor niet geoordeeld kan worden dat er een leaseovereenkomst met ZyR B.V. tot stand gekomen. Dat de betalingen wel door ZyR B.V. zijn gedaan maakt dit niet anders, omdat ZyR B.V. voor Gedaagde bevrijdend kan betalen. Voorts heeft Gedaagde nog aangevoerd dat op de eindafrekening en aanmaningen ook ZyR B.V. staat vermeld. Eiser heeft echter toegelicht dat dit komt omdat hij in zijn systeem wel al de contactgegevens had gewijzigd nadat hij de nieuwe overeenkomst aan Gedaagde had verzonden. Dit maakt echter niet dat ook een overeenkomst met ZyR B.V. tot stand is gekomen. want hiervoor ontbreekt de handtekening op de aangepaste leaseovereenkomst.

5.3. Nu Eiser de juiste partij heeft gedagvaard moet beoordeeld worden of de vorderingen van Eiser voor toewijzing in aanmerking komen.

5.4. Eiser heeft betaling gevorderd van het openstaande bedrag op de eindafrekening.

Volgens de eindafrekening van 21 januari 2018 is dit een bedrag van 1.015.55 inclusief btw. Gedaagde heeft als enige verweer tegen de eindafrekening gevoerd dat de rente die door Eiser in de eindafrekening (in de berekening "kosten zonder waarde incl btw". uit productie 2 bij dagvaarding) in rekening is gebracht onterecht is. Hoewel de kantonrechter van oordeel is dat Gedaagde laat is met dit verweer, omdat Gedaagde dit pas ter zitting met zoveel woorden heeft aangevoerd, zal de kantonrechter dit verweer toch beoordelen.

5.5. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij de totale rente over de gehele huurperiode heeft doorberekend, omdat hij de aankoop van de geluid- en lichtapparatuur heeft moeten financieren en daarover ook rente moet betalen. Volgens Eiser is de grondslag van de in rekening gebrachte rente de overeenkomst of schadevergoeding.

5.6. De kantonrechter stelt vast dat in de leaseovereenkomst niet is overeengekomen dat Eiser de rente mag doorberekenen (uitfactureren) bij een vroegtijdige beëindiging van de leaseovereenkomst, zodat dit geen grondslag voor de vordering kan zijn. Eiser heeft echter op grond van artikel 6:227 lid 1 BW wel recht op vergoeding van de door de ontbinding ontstane schade, omdat Eiser de overeenkomst met Gedaagde heeft moeten ontbinden vanwege een tekortkoming aan de zijde van Gedaagde. Volgens Eiser bestaat zijn schade — onder andere — uit de in de eindafrekening doorberekende rente. De kantonrechter is van oordeel dat Eiser zijn schade voldoende heeft onderbouwd. Er was immers sprake van een huurkoopsituatie. Doordat Eiser de goederen heeft teruggenomen na het einde van de overeenkomst, heeft dat een deel van de schade gedekt. Onbetwist_is echter dat Eiser de geluid- en lichtapparatuur ook heeft moeten financieren en over deze financiering ook rente moet betalen. Daarnaast omvat de schade ook gederfde kosten. Het is daarom niet onredelijk dat Eiser de rente heeft uitgefactureerd, zodat het verweer van Gedaagde hiertegen niet slaagt.

5.7. Dit betekent dat Gedaagde zal worden veroordeeld het in de eindafrekening openstaande bedrag van E 1.015,55 aan Eiser te betalen.

5.8. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op € 1.117,10 aan hoofdsom. Dit bedrag is hoger dan de eindafrekening, omdat Eiser 10% administratiekosten (€ 101,55) erbij heeft gerekend. Deze in de hoofdsom begrepen administratiekosten zijn echter als buitengerechtelijke kosten aan te merken en zullen samen met de als zodanig gevorderde kosten worden beoordeeld.

5.9. Gedaagde heeft niet betwist dat Eiser buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht, zodat de buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing in aanmerking komen. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Op grond van een toewijsbare hoofdsom van € 1.015,55 zal een bedrag van € 152,33 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

5.10. De door Eiser gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom zal als niet betwist en op grond van de wet ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat deze kosten door Eiser reeds zijn betaald aan zijn gemachtigde.

5.11. Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De apartgevorderde nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen als hierna vernield.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen 1.223,46 aan hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en verschenen rente, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over € 1.015,55 vanaf 5 oktober 2018 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op:

€ 307,- aan verschotten;

€ 240,- aan salaris voor de gemachtigde;

beide bedragen vermeerderd niet de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien Gedaagde niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op:

€ 50,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- aan betekeningskosten indien betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing te vermeerderen niet btw, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door nir. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.