Gedaagde veroordeeld tot betaling van mediation ongeacht het resultaat

Gedaagde en Eiser hebben een mediationovereenkomst ondertekend. Hiermee zijn partijen overeengekomen dat Eiser een mediationtraject voor een werkneemster van Gedaagde zou verzorgen tegen een tarief per uur op basis van nacalculatie. De opdracht is gedeeltelijk uitgevoerd, omdat Gedaagde niet meer mee wilde werken om tot een oplossing te komen. De factuur voor de werkzaamheden is onbetaald gebleven. De gedaagde is van mening dat de eiser ook telefonisch had kunnen concluderen dat de mediation niets zou worden en acht zich daarom niet gehouden tot (volledige) betaling van de factuur. Waarom dit ook telefonisch geconcludeerd had kunnen worden wordt vervolgens niet toegelicht. Wat wel vast staat is dat de mediator werkzaamheden heeft verricht en op grond van de mediationovereenkomst de gedaagde hier kosten voor verschuldigd is. Eiser stelt vervolgens dat de mediator het proces niet voortgezet heeft omdat de kwestie niet 'mediabel' was wegens de houding van Gedaagde. Ook hiertegen heeft Gedaagde inhoudelijk niets naar voren gebracht. De rechter concludeerd dat gedaagde de kosten voor de mediation verschuldigd is.

Datum: 25 maart 2015
Rechtbank: Rechtbank Limburg
Zaaknummer: 3545683 CV EXPL 14-11504

Vonnis

in de zaak van

1.  de vennootschap onder firma EISER,

gevestigd en kantoorhoudend,

2.  VENNOOT 1, vennoot van eiseres / verweerster sub 1,

wonend te,

3.  VENNOOT 2, vennote van eiseres / verweerster sub 1,

wonend te,

eisende partij in conventie / verwerende partij in reconventie gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam,

tegen

STICHTING GEDAAGDE,

statutair gevestigd en kantoorhoudend,

gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie, vertegenwoordigd door dr. D.N. K, directeur.

Partijen zullen hierna Eiser en Gedaagde genoemd worden.

1. De procedure
in conventie en in reconventie

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-             het exploot van dagvaarding d.d. 23 oktober 2014 met producties;

-             de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties;

-             de conclusie van repliek in conventie / conclusie van antwoord in reconventie met producties;

-             de conclusie van dupliek in conventie / repliek in reconventie;

-             de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.       Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

2.          De feiten

2.1.       Gedaagde heeft op 17 maart 2014 een op 14 maart 2014 door Eiser afgegeven en ook harerzijds ondertekende offerte ondertekend. Deze acceptatie heeft geleid tot een mediationovereenkomst waarop de algemene voorwaarden van Eiser & partners Mediation Coaching Training van toepassing verklaard zijn.

2.2.       Partijen zijn daarbij overeengekomen dat Eiser voor Gedaagde een mediationtraject ten aanzien van een werkneemster van Gedaagde zou verzorgen tegen een tarief van € 165,00 per uur op basis van nacalculatie.

2.3.       Eiser heeft na uitvoering van de opdracht (althans gedeeltelijk) op 4 april 2014 per e-mail een factuur gezonden aan Gedaagde.

2.4.       Van het factuurbedrag van € 853,11 is tot op heden slechts een bedrag van € 170,00 betaald.

3.          Het geschil

in conventie

3.1.       Eiser vordert daarom veroordeling van Gedaagde tot betaling van een bedrag van € 683,11 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 9 oktober 2014, alsmede met € 16,06 aan tot 9 oktober 2014 vervallen wettelijke handelsrente en

€ 102,47 aan buitengerechtelijke incassokosten, met verwijzing van Gedaagde in de proces- en nakosten.

3.2.       Eiser legt aan haar vordering - kort en voor zover van belang - het volgende ten grondslag.

Het onderhavige mediationtraject had betrekking op Gedaagde en een van haar werknemers. Eiser heeft dienaangaande daadwerkelijk werkzaamheden/diensten verricht. Omdat Gedaagde zich echter niet gehouden achtte om samen een oplossing te bereiken, heeft de mediator na de intakegesprekken besloten het mediationtraject niet voort te zetten. Dit doet aan de betalingsverplichting van Gedaagde - gelet op de artikel 3 van de algemene voorwaarden - niet af.

3.3.       Gedaagde heeft daar het volgende tegenover gesteld.

Eiser heeft na de intake besloten om de mediation niet voort te zetten, hetgeen ook na telefonisch contact geconcludeerd had kunnen worden. Er heeft geen gezamenlijk gesprek plaatsgevonden met Gedaagde en haar werkneemster. Gedaagde acht zich daarom niet gehouden tot (volledige) betaling van het factuurbedrag.

Daarnaast is het in rekening gebrachte bedrag in de optiek van Gedaagde exorbitant hoog omdat er alleen maar een intakegesprek plaatsgevonden heeft, waarvan zelfs niet eens een gespreksverslag opgemaakt is.

in reconventie

3.4.       Na het besluit van Eiser tot beëindiging van het mediationtraject moest Gedaagde een nieuwe mediator zoeken en aanstellen. Gedaagde heeft daardoor extra kosten moeten maken. Bovendien is als gevolg hiervan het re-integratietraject van de betreffende

werknemer pas twee maanden later van start gegaan.

3.5.       Gedaagde vordert in reconventie veroordeling van Eiser tot vergoeding van de kosten van de vertraging van het re-integratietraject en van de kosten van de tweede mediator.

3.6.       Op het verweer van Eiser zal - voor zover nodig - hieronder nader ingegaan worden.

4. De beoordeling

4.1.        Partijen hebben een overeenkomst gesloten tot het verrichten van mediation. Daaraan voorafgaand heeft Eiser een offerte aan Gedaagde gezonden. Onder punt 6 van die offerte is (onder meer) het volgende opgenomen: "De kosten van de mediation zijn €165,- per uur, exclusief BTW. Nadat beide partijen hun akkoord voor de start van de mediation hebben gegeven, worden alle werkzaamheden van de door ons ingeschakelde mediator tegen dit uurtarief in rekening gebracht. Ook als de mediator besluit de mediation niet echt van start te laten gaan na voorgesprekken laat dit de betalingsverplichting van opdrachtgever onverlet".

Gedaagde heeft deze offerte op 17 maart 2014 voor akkoord ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat Gedaagde op dit punt enig voorbehoud gemaakt heeft.

4.2.       Gedaagde heeft niet weersproken dat op de onderhavige overeenkomst de algemene voorwaarden van Eiser & partners Mediation Coaching Training van toepassing zijn. Onder artikel 3 daarvan is het volgende opgenomen: "Ongeacht het behaalde resultaat dient het totaal verschuldigde factuurbedrag betaald te worden

4.3.       Gedaagde stelt zelf in haar conclusie van antwoord: "Opstal en partner heeft besloten om mediation niet voort te zetten na intake", waarmee zij dus impliciet erkent dat intakegesprekken - althans een intakegesprek met haar - plaatsgevonden heeft.

Zij stelt vervolgens wel dat ook na telefonisch contact geconcludeerd had kunnen worden tot het niet-voortzetten van de mediation, maar legt niet uit wat zij daarmee precies bedoelt.

Voor zover zij daarmee bedoelt te zeggen dat het intakegesprek met haarzelf ook telefonisch plaats had kunnen vinden, wordt overwogen dat zij niet uitlegt waarom zij die mening toegedaan is bijvoorbeeld omdat het intakegesprek helemaal niets voorstelde en de kwestie binnen enkele minuten afgehandeld was.

Volgens Eiser heeft er ook een intakegesprek met de onderhavige werkneemster plaatsgevonden, hetgeen door Gedaagde niet betwist is.

De mediator heeft dus werkzaamheden verricht, waarvoor Gedaagde op grond van de hiervoor onder 4.1. en 4.2. aangehaalde passages kosten verschuldigd is.

4.4.       Eiser stelt vervolgens dat de mediator het proces niet voortgezet heeft omdat de kwestie niet 'mediabel' was wegens de houding van Gedaagde. Ook hiertegen heeft Gedaagde inhoudelijk niets naar voren gebracht.

4.5.       Geconcludeerd wordt dan ook dat Gedaagde de kosten van het intakegesprek / de intakegesprekken aan Eiser verschuldigd is.

4.6.       In de optiek van Gedaagde is het in rekening gebrachte bedrag exorbitant hoog, hetgeen door Eiser gemotiveerd betwist is.

Uit de factuur die Eiser aan Gedaagde gezonden heeft (productie 4 bij exploot), blijkt dat een bedrag van € 655,05 in rekening gebracht is voor intakegesprekken en daarnaast een bedrag van € 50,00 voor 'kantoor- en administratiekosten', een en ander vermeerderd met btw ('BTW').

Bij de factuur is een specificatie gevoegd waaruit blijkt hoe de gedeclareerde tijd - 3 uur en 58 minuten - opgebouwd is. Gedaagde heeft de juistheid van deze specificatie niet weersproken. Daarnaast blijkt uit de door Gedaagde overgelegde factuur van R. de Leede - de door Gedaagde bedoelde 'tweede' mediator - dat ook deze 4 uur aan voorbereidende gesprekken in rekening gebracht heeft.

De kantonrechter kan daarom zonder nadere uitleg van Gedaagde - die ontbreekt - niet tot de conclusie komen dat hetgeen Eiser aan uren in rekening gebracht heeft 'exorbitant hoog' is.

Eiser legt echter op haar beurt niet uit waarop zij de post 'kantoor- en administratiekosten' baseert. Daarom zal een bedrag van € 60,50 (€ 50,00 vermeerderd met btw) van de factuur niet toegewezen worden.

Gelet op het vorenstaande zal aan hoofdsom een bedrag van (€ 683,11 - € 60,50 =) € 622,61 toegewezen worden.

4.7.        De factuur is per e-mail van 4 april 2014 aan Gedaagde gezonden. Gedaagde heeft een uur na ontvangst van het bericht aan Eiser laten weten dat zij niet akkoord kon gaan met het in rekening gebrachte bedrag waarop Eiser haar een voorstel gedaan heeft tot vermindering van de factuur. Gesteld noch gebleken is dat Gedaagde daarop gereageerd heeft. Zij is echter ook niet overgegeaan tot (volledige) betaling van de factuur van 4 april 2014. Uit de overgelegde stukken blijkt dat Gedaagde door / zijdens Eiser diverse malen aangemaand is. Gedaagde heeft de ontvangst van zulke aanmaningen of sommaties niet betwist. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom toegewezen worden, met dien verstande dat het toe te wijzen bedrag wordt vastgesteld op (15% van €622,61 =)€ 93,39.

4.8.       Eiser heeft een bedrag van € 16,06 aan tot en met 9 oktober 2014 vervallen rente gevorderd en verder aanspraak gemaakt op de wettelijke handelsrente vanaf laatstgenoemde datum.

Eiser heeft geen specificatie overgelegd van de vervallen rente. Denkbaar is dat een deel daarvan betrekking heeft op de onder 4.6. bedoelde post 'kantoor- en administratiekosten'. De kantonrechter zal daarom het bedrag van € 16,06 afwijzen. Eiser stelt dat de vervaldatum van de factuur 18 april 2014 is. Gesteld noch gebleken is dat dit een overeengekomen vervaltermijn is. Op grond van art. 6:119a lid 2 aanhef en sub a BW zal daarom wettelijke handelsrente toegewezen worden vanaf 5 mei 2014 (zijnde 30 dagen na 5 april 2014) en wel over € 622,61 nu Eiser evenmin duidelijk maakt wanneer Gedaagde het bedrag van € 170,00 betaald heeft (en dit dus ook binnen die termijn van 30 dagen gebeurd kan zijn).

4.9.       Gedaagde dient - als de overwegend in het ongelijk gestelde partij - veroordeeld te worden tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op:

exploot dagvaarding:               € 77,52

griffierecht:                              € 462,00

salaris gemachtigde:                € 200,00

totaal  € 739,52.

in reconventie

4.10.     Eiser betoogt in haar antwoord dat de vordering van Gedaagde afgewezen dient te worden omdat niet voldaan is aan de substantiëringsplicht. Zo ontbreekt een rechtsgrond om vergoeding van kosten van vertraging van het re-integratietraject te vorderen, noemt Gedaagde kostenposten die niet aan Eiser te wijten zijn en geeft Gedaagde geen inzicht in de hoogte van de beweerde kosten.

4.11.     De kantonrechter is het met Eiser eens dat Gedaagde niet voldaan heeft aan de substantiëringsplicht en dat een deugdelijke - zowel juridische als feitelijke - onderbouwing van de eis ontbreekt. Gedaagde heeft die ook in haar conclusie van repliek in reconventie niet gegeven. De vordering zal daarom afgewezen worden.

4.12.     Gedaagde zal - als de in het ongelijk gestelde partij - verwezen worden in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 200,00 salaris gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter in conventie

5.1.       veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser een bedrag van € 716,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 622,61 vanaf 5 mei 2014 tot de dag van voldoening;

5.2.       veroordeelt Gedaagde tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 739,52;

5.3.       verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.       wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.5.       wij st de vordering af;

5.6.       veroordeelt Gedaagde tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 200,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.