Gedaagde veroordeeld tot betaling voor de gehele gebruiksperiode van leaseauto, ook al heeft zij periodes geen gebruik gemaakt van de auto

De eiser is een uitzendorganisatie voor verpleegkundigen. Gedaagde is franchisenemer van een uitzendbureau. In september 2014 heeft Gedaagde Eiser benaderd aangezien hij interesse had in het gebruik van een lease auto, een Toyota Aygo. Partijen zijn vervolgens in oktober een doorleenovereenkomst aangegaan en hebben deze ondertekend. In het contract is voornamelijk geregeld dat Gedaagde de auto ter beschikking zou hebben en Eiser hiervoor maandelijks een factuur zou sturen. Eind oktober laat Gedaagde weten toch geen gebruik meer te willen maken van de auto en vermeld hierbij dat Eiser de auto terug kan nemen. Hier ging Eiser niet mee akkoord. Vervolgens heeft Gedaagde alle facturen onbetaald gelaten. Als reden geeft Gedaagde dat de overeenkomst niet zegt dat zij verplicht is de te gebruiken. Omdat Eiser de auto niet terug ging nemen, is de auto door Gedaagde in december 2014 bij de Eiser geparkeerd en zijn vervolgens de sleutels door de brievenbus gedaan. Hierna zijn de facturen tot en met december betaald. Volgens Eiser heeft Gedaagde ten onrechte de overeenkomst voortijdig beëindigd. Als gevolg daarvan lijdt zij schade die Gedaagde moet betalen. Daarnaast komen de schoonmaakkosten, eigen risico schades, kosten verwijderen reclamesticker en de openstaande bekeuring welke eveneens voor rekening van Gedaagde. Tijdens de procedure geeft de Gedaagde nogmaals aan dat haar visie van het contract is dat ze de auto 'mag' gebruiken, maar dat zij niet verplicht is tot betaling van de maanden waarin ze de auto niet gebruikt. De rechter oordeelt dat in de overeenkomst niet staat opgenomen dat er tussentijds kan worden opgezegd. De rechter is het dan ook niet eens met de uitleg van Gedaagde. Volgens vaste rechtspraak moet niet alleen naar de letterlijke tekst van een overeenkomst worden gekeken, maar moet, bij een verschil van mening hierover, ook naar het doel van de overeenkomst gekeken worden en wat partijen van elkaar mochten verwachten. De vordering van Eiser wordt dan ook voor het grootste deel toegewezen.

Datum: 3 februari 2016
Rechtbank: Rechtbank Den Haag
Zaaknummer: 4663455 \ CV EXL 15-7370

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te, eisende partij,

gemachtigde: rnr. E.C.Y. Cheung (IntoCash),

tegen

Gedaagde, tevens h.o.d.n. Gedaagde, t.h.o.d.n. Gedaagde,

wonende te, gedaagde partij, procederende in persoon.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 30 november 2015 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties.

Na conclusie van antwoord is een inlichtingen- en schikkingscomparitie gelast. De comparitie is gehouden op 21 januari 2016. Namens Eiser is verschenen de heer W. van Groeningen, bijgestaan door mr. Cheung voornoemd. Gedaagde is in persoon verschenen. Tevens was haar echtgenoot aanwezig. Van hetgeen is besproken is aantekening gehouden.

Voorafgaande aan en ter voorbereiding van de comparitie heeft Eiser bij brief van 11 januari 2016 producties overgelegd.

Feiten

Op grond van de inhoud van de stukken en hetgeen ter comparitie is besproken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

Eiser is een uitzendorganisatie voor verpleegkundigen. Gedaagde is franchisenemer van een uitzendbureau. Zij was in september 2014 startend ondernemer. Bij mailbericht van 24 september 2014 heeft Eiser zich tot Gedaagde gewend naar aanleiding van haar interesse in het gebruik van een leaseauto, een Toyota Aygo 1.0. die bij Eiser beschikbaar was. Eiser had deze auto geleast van T Leasing. In voormeld mailbericht worden een drietal mogelijkheden voor het in gebruik nemen van de auto door Gedaagde genoemd, te weten afkoop/overname tegen een bedrag van € 5.300,00 per 1 oktober 2014, leasen voor een periode van 15 maanden tegen een tarief per maand van € 261,93 exclusief btw of leasen voor een periode van 27 maanden tegen een bedrag per maand van € 250,92 exclusief btw. Per mailbericht van dezelfde datum bericht Gedaagde aan Eiser op zoek te zijn naar een leaseauto en de dag erop telefonisch contact op te nemen.

Partijen zijn op 1 oktober 2014 een doorleenovereenkomst aangegaan waarvan de schriftelijke weergave als volgt luidt:

" Doorleenovereenkomst Eiser en Gedaagde ten behoeve van geleasede Toyota Aygo.

Ondergetekenden:

1. Eiser

en

2. Gedaagde

In aanmerking nemende dat:

1.  Eiser de franchise nemer een Toyota Aygo 1.0 VVT-i Cool 5d ter beschikking stelt;

2. Franchisenemer bevoegd is tot het berijden van deze auto;

3. Partijen het wenselijk achten om vast te leggen welke voonvaarden van kracht zijn bij hel ter beschikking stellen van een auto;

artikel 1 Aard en duur gebruikersrecht

L Werknemer krijgt een Toyota Aygo met kenteken 73-SVT-5 ter beschikking gesteld;

2.  De auto wordt beschikbaar gesteld in de kleur Midnight Black.

3. De gebruiksperiode van deze leaseauto is, van 01-10-2014 tot en met 31 december 2015.

4.  Eiser zal € 261,93 exclusief 21 % BTW per maand in rekening brengen. De facturatie is maandelijks vooraf en exclusief brandstofkosten.

5.  Voor de bij punt 3 genoemde periode is inbegrepen 31.250 km (25,000 km per jaar). Voor de meer gereden kilometers zijn de kosten € 0,11 per kilometer exclusief BTW,

6. Schade die om wat voor reden dan ook niet door de verzekering van de leasemaatschappij wordt vergoed, is voor rekening van de berijder, die de leasemaatschappij alsmede HappyNurse Woerden, vrijwaart tegen eventuele aanspraken, ook van derden.

7. Het eigen risico bedraagt € 200,00 per schadegeval, indien de schade niet verhaalbaar is.

8. De kilometerstand bij aanvang van de overeenkomst is 63268 km "

(...)

De overeenkomst is door beide partijen ondertekend.

Bij mailbericht van 27 oktober 2014 laat Gedaagde aan Eiser weten dat zij er bezwaar tegen heeft dat de auto voor een hoger bedrag, te weten € 11,00 per maand, aan haar wordt doorgeleend dan het tarief dat Eiser betaalt aan de leasemaatschappij. Voorts neemt zij het Eiser kwalijk dat hierover niet vooraf informatie is gegeven. Verder deelt zij mee dat de auto wat haar betreft per onmiddellijke ingang beschikbaar is voor een ander. Als van dit aanbod geen gebruik wordt gemaakt, kondigt zij aan de auto per 3 1 december 2014 terug te brengen. Tevens vermeldt zij dat zij tegen die tijd haar nieuwe leaseauto krijgt.

Eiser heeft de auto niet terug genomen. Zij heeft voor het gebruik vanaf oktober 2014 facturen aan Gedaagde gestuurd, welke laatstgenoemde onbetaald heeft gelaten.

Bij mailbericht van 17 december 2014 laat Gedaagde aan Eiser weten dat de afgesproken gebruikersperiode niets zegt over de duur van de overeenkomst en dat zij niet verplicht is de auto gedurende de periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2015 te gebruiken.

Bij mailbericht van dezelfde datum laat Eiser aan Gedaagde weten dat zij zich op het standpunt stelt dat er is getekend voor een looptijd van 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2015 zonder tussentijdse opzegmogelijkheid.

Een door Eiser ingeschakelde advocaat zendt Gedaagde bij brief van 24 december 2014 een aanmaning en ingebrekestelling voor de onbetaald gelaten facturen.

Gedaagde is op 30 december 2014 naar Eiser onderweg geweest teneinde de auto in te leveren. Van de zijde van Eiser is haar te kennen gegeven dat de auto niet in ontvangst zal worden genomen. De uiteindelijke inlevering van de auto bij Eiser heeft op 9 februari 2015 plaatsgevonden. Gedaagde heeft de auto bij Eiser geparkeerd en de autosleutels in de brievenbus gedaan.

Na nog diverse contacten over en weer hebben partijen op 28 februari 2015 met elkaar gesproken en zijn afspraken gemaakt om het verschil van mening op te lossen. Zoals ter zitting besproken gaan beide partijen, zij het om uiteenlopende redenen, ervan uit dat deze afspraken zijn vervallen zodat deze hier verder geen vermelding behoeven.

Gedaagde heeft de facturen voor het gebruik van de auto tot en met december 2014 voldaan.

Eiser heeft een brief van Terberg Leasing van 15 januari 2015 in het geding gebracht waaruit is op te maken dat in verband met de voortijdige beëindiging van het contract van de in geding zijnde auto per 1 maart 2015 een bedrag van € 1.450,00 aan haar in rekening zal worden gebracht.

Vordering

Eiser vordert van Gedaagde een bedrag van € 2.602,45, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten. Het bedrag aan hoofdsom is als volgt is opgebouwd:

maandtermijn januari 2015: € 301,29

maandtermijn februari 2015: € 301,29

verwijderen reclamesticker: € 79,00

afkoop contract: € 1.450,00

schoonmaakkosten: € 114,95

eigen risico schades: € 200,00

doorbelasting bekeuring: € 155,92

Volgens Eiser heeft Gedaagde ten onrechte de overeenkomst voortijdig beëindigd. Als gevolg daarvan lijdt zij schade, tot betaling waarvan Gedaagde is gehouden. Daarnaast komen de schoonmaakkosten, eigen risico schades, kosten verwijderen reclamesticker en de openstaande bekeuring welke eveneens voor rekening van Gedaagde.

Verweer

Gedaagde heeft verweer gevoerd. Dit verweer komt voor zover van belang bij de beoordeling van de vordering aan de orde.

Beoordeling

Eiser heeft haar vordering ten aanzien van de maandtermijnen over januari 2015 en februari 2015 alsmede het bedrag aan afkoop ad € 1.450,00 gebaseerd op enerzijds nakoming tot 1 maart 2015 en anderzijds de voortijdige beëindiging van de doorleenovereenkomst door Gedaagde. Gedaagde voert hiertegen als verweer dat er geen doorleenovereenkomst voor een periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2015 zonder tussentijdse opzeggingsmogelijkheid tot stand is gekomen. In haar visie, zoals uitgewerkt in de conclusie van antwoord, moet de aangegane overeenkomst zo worden begrepen dat zij van de auto gebruik "mag" maken maar dat zij niet verplicht kan worden tot afname gedurende de overeengekomen periode. Daarnaast meent zij dat het Eiser vanaf het begin af aan duidelijk was dat zij slechts voor beperkte tijd en zeker niet tot eind december 2015 van de auto gebruik wenste te maken Zij meent dan ook dat zij na 31 december 2014 niets meer verschuldigd is aan Eiser.

De kantonrechter overweegt het volgende. Naar zijn oordeel is de hierboven aangehaalde overeenkomst in duidelijke bewoordingen gesteld. Er is uit af te leiden dat partijen de bedoeling hebben gehad een auto die Eiser ter beschikking had aan Gedaagde door te lenen. Partijen hebben het verder wenselijk gevonden, zo staat in de overeenkomst, de voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn vast te leggen. Een van die voorwaarden die wordt genoemd is dat er een gebruiksperiode zal gelden van 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2015, tegen een maandelijkse vergoeding van € 261,93 exclusief btw. Dat de overeenkomst tussentijds kan worden opgezegd is in de overeenkomst niet opgenomen en is ook niet anderszins tussen partijen komen vast te staan. Samengevat komt het volgens de kantonrechter neer op een afspraak van gebruik van de auto voor een bepaalde tijd tegen een afgesproken maandelijkse vergoeding.

Gedaagde legt de overeenkomst zo uit dat onder "gebruik" moet worden verstaan gebruik van de auto in vrijblijvende zin, te weten zolang zij deze nodig heeft en dat voor haar geen verplichting van gebruik gedurende een bepaalde periode uit de overeenkomst voortvloeit. Eiser heeft deze uitleg bestreden en ook de kantonrechter verwerpt deze uitleg, nu de bewoordingen van de overeenkomst op dit punt duidelijk zijn: "De gebruiksperiode van deze leaseauto is van 01-10-2014 tot en met 31 december 2015." Hieruit kan niet iets anders worden opgemaakt dan dat er voor (de overeengekomen) bepaalde tijd verplichtingen zijn aangegaan.

Volgens vaste rechtspraak moet niet alleen naar de letterlijke tekst van een overeenkomst worden gekeken, maar moet, bij een verschil van mening hierover, ook acht worden geslagen op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit eikaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Gedaagde heeft aangevoerd dat het steeds haar bedoeling is geweest voor korter dan voor de overeengekomen periode gebruik te gaan maken van de auto en dat zij deze bedoeling ook kenbaar heeft gemaakt aan Eiser Ter onderbouwing van dit standpunt volstaat zij echter met verwijzing naar haar mailbericht van 16 februari 2015 aan Eiser waarin zij verwijst naar telefonische contacten hierover met Eiser in september 2014. Voor de onderbouwing van haar standpunt dat bij haar een andere bedoeling, namelijk gebruik voor kortere tijd dan de overeengekomen duur, heeft voorgezeten en dat dit aan de wederpartij bij het aangaan van de overeenkomst bekend was, is een door haarzelf gezonden mailbericht, dat dateert van enkele maanden later, niet toereikend. Bij de beoordeling van toepassing van voormeld criterium bij de uitleg van de aangegane overeenkomst is voorts van belang dat Gedaagde (beginnend) ondernemer was en dat van haar in die maatschappelijke positie kan worden verwacht dat zij de strekking van een op zichzelf heldere afspraak, te weten gebruik voor bepaalde duur, kan overzien en zich bewust is van de gevolgen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van Gedaagde wordt verworpen. Nu zij een voor bepaalde tijd aangegane overeenkomst zonder instemming van Eiser tussentijds heeft beëindigd is zij gehouden de schade die hieruit voortvloeit voor Eiser te vergoeden.

Ten aanzien van de onderscheiden schadeposten overweegt de kantonrechter het volgende.

De vordering met betrekking tot de termijnen over januari 2015 en februari 2015 zijn niet door Gedaagde voldaan. Zij heeft de auto tegen de zin van H.N. B.V. op 9 februari 2015 ingeleverd. Op grond van de overeenkomst heeft Eiser recht op betaling van maandelijkse termijnen en daarom zullen deze onderdelen van de vordering worden toegewezen.

Zoals door Eiser onbestreden is gesteld is in verband met de voortijdige beëindiging van het leasecontract door de leasemaatschappij Terberg aan Eiser een afkoopsom ter grootte van € 1.450,00 in rekening gebracht. Dat bedrag zou zij niet verschuldigd zijn geweest wanneer Gedaagde zich aan de gemaakte afspraken had gehouden en wordt nu als schade door Eiser gevorderd. Gedaagde heeft hiertegen geen ander verweer gevoerd dan dat de overeenkomst per 31 december 2014 is geëindigd, welk verweer hiervoor is verworpen. Ook op dit punt ligt de vordering voor toewijzing gereed.

Voor toewijzing komt eveneens in aanmerking, gelet op het bepaalde in punt 7 van de overeenkomst, de vordering ten aanzien van het eigen risico schade ter grootte van € 200,00. Vergelijking van het innamerapport van de auto van 11 februari 2015 met het innamerapport van dezelfde auto op 22 september 2014 leert dat er al wel enkele kleine schades aan de auto bij ingebruikneming door Gedaagde aanwezig waren, maar ook dat er schades, zij het kennelijk van beperkte omvang, zijn bijgekomen, te weten: "links krassen dorpel, RA bumper krasje en LA bumper deukje".

Eveneens zal worden toegewezen het bedrag ter grootte van € 155,92 in verband met een bekeuring die door Gedaagde is veroorzaakt en door Eiser is betaald. Eerdere bekeuringen zijn door Gedaagde voldaan en zij heeft ter zitting erkend dat er nog een bekeuring openstaat die zij nog dient te voldoen.

Het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op het verwijderen van een reclamesticker ter grootte van € 79,00 zal worden afgewezen. Het betreft hier het verwijderen van een reclame-uiting van Eiser op de auto die Gedaagde in gebruik nam. Gedaagde heeft betwist tot betaling hiervan gehouden te zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Eiser tegenover de gemotiveerde betwisting van Gedaagde

onvoldoende gesteld om te kunnen bepalen op grond waarvan Gedaagde gehouden is tot betaling hiervan.

Hetzelfde geldt voor de gevorderde schoonmaakkosten ter grootte van € 114,95. Namens Eiser is ter zitting aangevoerd dat het hier gaat om schade in de zin van punt 6 van de overeenkomst. Deze uitleg komt de kantonrechter niet overtuigend voor, nu deze bepaling, gelet op de gehanteerde bewoordingen, ziet op schade die om welke reden dan ook niet door de verzekering van de leasemaatschappij wordt vergoed. Niet aannemelijk is dat men hiermee ook schoonmaakkosten op het oog heeft gehad.

De wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten zullen op na te melden worden toegewezen, nu deze niet zijn bestreden en deze vorderingen overigens niet als ongegrond of onrechtmatig worden aangemerkt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen grotendeels worden toegewezen.

Als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij zal Gedaagde in de kosten van het geding worden veroordeeld. Tevens wordt Gedaagde veroordeeld in de nakosten, die de kantonrechter begroot op € 87,50.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 2.408,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde tot betaling van 6 385,25 aan Eiser in verband met buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na datum waarop het onderhavige vonnis wordt gewezen tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Eiser tot op deze uitspraak vastgesteld op € 893,84, waarvan € 350,00 aan salaris voor de gemachtigde van Eiser, een en ander onverminderd de eventueel over de proceskosten verschuldigde btw, en bepaalt dat de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in de nakosten, die door de kantonrechter worden begroot op € 87,50;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde