Gedaagde vervalst overeenkomst en stelt dat het originele document kwijt is

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde gewerkt. Gedaagde stelt dat hiervoor een overeenkomst is getekend. In deze overeenkomst zou staan: 'Opdrachtnemer zal bij relaties van opdrachtgever geen werkzaamheden verrichten tijdens deze overeenkomst en gedurende twee jaar na afloop. Indien de opdrachtnemer dit wel zou doen staat hier een boete op van €10.000,-.' Na de werkzaamheden heeft Eiser facturen gestuurd, welke Gedaagde niet heeft betaald. Gedaagde erkent dat Eiser de werkzaamheden heeft uitgevoerd en geeft daarbij toe dat de facturen terecht zijn. Volgens Gedaagde zou er echter zijn overeengekomen dat hij de facturen niet zou betalen en in ruil zou hij afzien van de boete van €10.000,- die Eiser volgens hem verschuldigd is omdat hij binnen twee jaar is gaan werken met een relatie van Gedaagde. Gedaagde is dan ook van mening dat hij conform de overeenkomst de boete kan opleggen omdat Eiser zich niet aan deze afspraak heeft gehouden.

Eiser geeft aan dat de overeenkomst is vervalst. Er was helemaal geen schriftelijke overeenkomst voor de werkzaamheden getekend. De rechter geeft Gedaagde dan ook de opdracht om het originele getekende document te overleggen. Dit kan Gedaagde niet. De originele overeenkomst zou gedaagde volgens hemzelf niet meer in zijn bezit hebben. De rechter oordeelt dat er dan geen onderzoek meer kan worden gedaan naar het document en de rechter kan dan ook niet bepalen of de handtekening is vervalst of niet. De rechter oordeelt dat Gedaagde er dan niet in geslaagd is om te bewijzen dat de boete rechtsgeldig is opgelegd. De boete kan dan ook niet weggestreept worden met de openstaande facturen. Die moet Gedaagde dan ook betalen net als de rente, incassokosten en alle kosten van de procedure.

Datum: 23 december 2016
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 5361692 CV EXPL 16-37761

vonnis

van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

Eiser,

handelend onder de namen Eiser. wonende te, eiser in conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung te Rotterdam,

tegen

Gedaagde,

handelend onder de naam Gedaagde.

wonende te,

gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge

Partijen worden hierna 'Eiser' en 'Gedaagde' genoemd.

1.           Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

•               de dagvaarding met producties van 1 september 2016;

•               de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie met producties;

•               de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie met één productie;

•               het tussenvonnis van 25 oktober 2016 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

•               de brief met producties van Gedaagde van 25 november 2016;

•               het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 30 november 2016.

2.           De vaststaande feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten. Deze feiten zijn door de ene partij gesteld en door de andere partij erkend of niet weersproken.

2.1          Eiser heeft in opdracht en voor rekening van Gedaagde werkzaamheden verricht.

2.2          In de volgens Gedaagde gesloten schriftelijke overeenkomst staat, voor zover nu van belang:

14. Opdrachtnemer zal bij relaties van opdrachtgever, en diens opdrachtgever geen werkzaamheden verrichten tijdens deze overeenkomst en gedurende twee jaar na afloop. Onder relaties van opdrachtgever wordt mede doch niet uitsluitend verstaan de (onder)aannemers en hoofdaannemers, in- en uitleners in de keten waar opdrachtgever en/of opdrachtnemer in werken tijdens de opdracht.

(...)

16. In geval de opdrachtnemer in strijd handelt met het onder 14 en 15 genoemde

verbod, verbeurt de opdrachtnemer ten behoeve van de opdrachtgever een direct — zonder verdere sommatie of ingebrekestelling - opeisbare boete van 10.000 euro per overtreding alsmede 1.000 euro per dag dat hij in overtreding is, onverminderd het recht van de opdrachtgever om volledige schadevergoeding van de opdracht­nemer te vorderen.

2.3 Eiser heeft bij factuur van 6 juni 2015 € 772,00 bij Gedaagde in rekening gebracht, bij factuur van 13 juni 2015 € 861,00 en bij factuur van 20 juni 2015 € 903,00, bij elkaar een bedrag van € 2.536,00. Gedaagde heeft deze facturen niet betaald.

3. Het geschil (in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie)

Eiser vordert in conventie betaling van de onder 2.3 genoemde facturen van in to­taal € 2.536,00. In verband met de uitblijvende betaling van dit bedrag vordert Eiser ook rente, tot 18 augustus 2016 berekend op € 238,40, en € 378,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. De totale vordering van Eiser bedraagt dus € 3.153,00.

3.2 Gedaagde betwist de vordering in conventie. Hij voert aan dat partijen overeengekomen zijn dat als Eiser af zou zien van betaling van de onder 2.3 genoemde facturen, Gedaagde geen aanspraak zou maken op de boete van € 10.000,00 die Eiser verbeurd heeft vanwege overtreding van het relatiebeding (Eiser is in strijd met dat relatiebeding werkzaamhe­den gaan uitvoeren voor X).

3-3 Voor het geval de kantonrechter het beroep van Gedaagde op de verrekeningsafspraak niet honoreert, vordert hij in reconventie veroordeling van Eiser tot betaling van een bedrag van € 20.000,00 wegens overtreding van het relatiebeding. Eiser heeft namelijk niet al­leen relatie X benaderd maar ook de relaties P&K Infraservice en Sato Project Sup­port. Eiser verbeurt hierdoor een boete van € 30.000,00 die Gedaagde, zonder zijn recht op het meerdere prijs te geven, in verband met de competentiegrens vermindert tot € 20.000,00.

3.4 Eiser betwist dat partijen hun overeenkomst op papier hebben gezet. De in het ge­ding gebrachte overeenkomst is volgens hem vervalst.

3 -5 Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hiema ingegaan op de overige stel­lingen van partijen.

4. De beoordeling

4.1  Het verweer van Gedaagde in conventie en zijn vordering in (voorwaardelijke) reconventie staan of vallen met de authenticiteit van de (opvallend genoeg) door Eiser zelf in het geding gebrachte overeenkomst. Eiser stelt dat de overeenkomst vervalst is en ter on­derbouwing van deze stelling voert hij aan dat dit blijkt uit het feit dat in de overeenkomst een handelsnaam staat die hij al jaren niet meer gebruikt (maar die overigens wel in de dagvaarding als een van de handelsnamen van Eiser wordt genoemd) en dat er een door hem in het desbetreffende jaar niet gebruikt tarief in de overeenkomst staat.

4.2  Hoewel het zoals gezegd opvallend is dat Eiser de overeenkomst waarvan hij de authenticiteit betwist bij dagvaarding zélf in het geding brengt ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en dat hij de betwisting van de au­thenticiteit onderbouwt met het feit dat er een oude handelsnaam in de overeenkomst staat

die nota bene ook in de dagvaarding als handelsnaam van Eiser wordt vermeld, het is Gedaagde die wat de boetes betreft een beroep doet op de overeenkomst en het is dan ook aan hem, nu Eiser de authenticiteit van de overeenkomst betwist, om te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat de schriftelijke overeenkomst authentiek is.

4.3   In reactie op de stelling van Eiser dat de overgelegde overeenkomst vervalst is, had Gedaagde, zoals Eiser ook heeft voorgesteld, de originele overeenkomst tijdens de compari­tie van partijen moeten tonen. Gedaagde gaf echter aan dat hij het originele document niet meer heeft. Naar het originele document kan daarom geen onderzoek meer gedaan worden. Gedaagde zou het bestaan van een relatie- en boetebeding ook op een andere manier kunnen bewijzen, maar hij geeft niet aan hoe hij dit denkt te gaan doen.

4.4   Het voorgaande betekent dat er, nu het originele document er volgens Gedaagde niet meer is en hij niet concreet aangeeft hoe hij anderszins het bestaan van het relatie- en boetebeding wil bewijzen, van uitgegaan moet worden dat tussen partijen géén relatie- en boetebeding is overeengekomen. Het verweer van Gedaagde dat de betaling van de facturen weggestreept zou worden tegen de verbeurde boetes wordt daarom verworpen en aan beoordeling van de vor­dering in voorwaardelijke reconventie wordt niet toegekomen. De kantonrechter verwerpt de stelling van Gedaagde dat de verrekeningsafspraak blijkt uit het feit dat Eiser anderhalf jaar heeft gewacht met het incasseren van de vordering. Zolang de vordering niet verjaard is, staat het Eiser vrij de vordering al dan niet te incasseren. Het achterwege blijven van incassomaatregelen kan niet zonder meer tot het oordeel leiden dat ook Eiser meende dat hij geen vordering meer had op Gedaagde.

4.5   Gedaagde erkent dat Eiser werkzaamheden voor hem heeft verricht en hij betwist de juistheid van hetgeen Eiser hem daarvoor in rekening heeft gebracht niet. De vordering van Eiser tot veroordeling van Gedaagde tot betaling van € 2.536,00 aan facturen is dan ook toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke handelsrente, waaronder de tot 18 augustus 2016 berekende rente van 6 238,40, is toewijsbaar.

4.6  Nu voldoende is gesteld dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding toekent, en Gedaagde deze stelling van Eiser niet betwist, is ook de vordering tot veroordeling van Gedaagde tot beta­ling van € 378,60 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar.

4.7  Gedaagde is de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van

de procedure. De gevorderde nakosten worden toegewezen zoals onder de beslissing te ver­melden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser € 3.153,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelij­ke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW over 6 2.536,00 vanaf 18 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW over € 378,60 vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 77,75 aan dagvaardingskosten, € 223,00 aan griffierecht en € 350,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van € 175,00 per punt), te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening, en, als Gedaagde niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis vrijwillig daaraan voldoet, begroot op € 75,00 aan nasa- laris, te verhogen met € 68,00 aan betekeningskosten als betekening van dit vonnis plaats­vindt, een en ander voor zover van toepassing inclusief omzetbelasting;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.