Gedaagden hadden in ieder geval het onbetwiste gedeelte van de vordering moeten betalen

Gedaagden zijn de voormalig vennoten van de ontbonden v.o.f. BG. Eiser heeft in december 2015 meubilair verkocht en geleverd aan BG. Eiser heeft daarvoor aan BG een factuur gezonden (hierna ook te noemen: factuur A). Volgens Eiser zou BG het meubilair demonteren en afvoeren en daarvoor een bedrag van € 2.200,-- exclusief btw aan Eiser factureren. Partijen zouden vervolgens de facturen verrekenen waarna voor BG nog een te betalen bedrag zou resteren. BG heeft echter nooit een factuur gestuurd, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. Zonder factuur kan er niet verrekend worden. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hebben niets betaald, ook niet het bedrag dat na verrekening zou resteren, terwijl zij daarom herhaaldelijk zijn verzocht.

De Gedaagden voeren verweer. Het gevorderde bedrag klopt volgens hun niet. Behalve het bedrag van € 2.200,- exclusief btw voor demontage en afvoer van het meubilair, mocht BG ook € 240,- exclusief btw rekenen voor het verplaatsen van meubilair dat BG niet overnam. Inclusief btw mocht dus een bedrag van totaal € 2.952,40 worden gefactureerd (hierna ook te noemen: factuur B). De facturen A en B mochten vervolgens met elkaar worden verrekend, zodat BG nog een bedrag van € 1.187,13 aan Eiser verschuldigd zou zijn. Nadat BG de werkzaamheden had afgerond, wilde Eiser echter volledige betaling van haar factuur. De rente en kosten worden betwist.

Partijen zijn het tijdens de zitting er over eens geworden over de nieuwe hoofdsom. Gedaagden zullen dan ook worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Dat de Eiser volgens de gedaagden volledige betaling van factuur A wilde is volgens de rechter onvoldoende onderbouwd. Ook oordeelt de rechter dat de Gedaagden tenminste het bedrag wat ze niet betwisten hadden moeten betalen en dat hebben zij niet gedaan. Zij zijn dan ook terecht in rechte betrokken. Gedaagden worden dan ook veroordeelt in de kosten van de proceduren. Ook de incassokosten en rente worden toegewezen.

Datum: 22 juni 2017
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 5711872 CV EXPL 17-1188

Vonnis

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EISER B.V.,

gevestigd te, eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen:

1.   GEDAAGDE 1,

wonende te, gedaagde sub 1, procederende in persoon,

2.   GEDAAGDE 2, wonende te, gedaagde sub 2, procederende in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als Eiser, Gedaagde 1 en Gedaagde 2.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1.         de dagvaarding van 2 februari 2017;

2.         de conclusie van antwoord van Gedaagde 1 en Gedaagde 2;

3.         het tussenvonnis van 23 februari 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast;

4.         de brief van de zijde van Eiser van 17 mei 2017;

5.         de aantekening van de griffier dat de comparitie heeft plaats gevonden op 24 mei 2017 ;

6.         de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De feiten

1.         Gedaagde 1 en Gedaagde 2 zijn de voormalig vennoten van de op 1 juli 2016 ontbonden v.o.f. 'BG'.

2.         Eiser heeft in december 2015 meubilair verkocht en geleverd aan BG voor een bedrag van € 4.139,53 inclusief btw. Eiser heeft daarvoor aan BG een factuur d.d. 31 december 2015 gezonden (hierna ook te noemen: factuur A).

De vordering

3. Eiser vordert na eisvermindering ter zitting dat Gedaagde 1 en Gedaagde 2 bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld tot betaling van:

a.   de hoofdsom van € 1.187,13;

b.    de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tot 31 januari 2017 van € 334,09;

c.   de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 3 l.januari 2017 tot de dag van algehele voldoening;

d.   de buitengerechtelijke incassokosten van € 539,-- exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening;

e.   de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening;

f.   de nakosten van 50% van het salaris gemachtigde, indien en voor zover Gedaagde 1 en Gedaagde 2 niet binnen twee dagen na betekening van het vonnis hebben voldaan;

g.   de kosten van de dagvaarding.

4.            Eiser stelt - samengevat - het volgende.

BG zou het meubilair demonteren en afvoeren en daarvoor een bedrag van € 2.200,-- exclusief btw aan Eiser factureren. Partijen zouden vervolgens de facturen verrekenen waarna voor BG nog een te betalen bedrag zou resteren. BG heeft echter nooit een factuur gestuurd, ondanks herhaalde verzoeken daartoe. Zonder factuur kan er niet verrekend worden. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hebben overigens niets betaald, ook niet het bedrag dat na verrekening zou resteren, terwijl zij daarom herhaaldelijk zijn verzocht.

Het verweer

5.            Gedaagde 1 en Gedaagde 2 voeren — zakelijk weergegeven en voor zover van belang — als verweer het volgende aan.

Het gevorderde bedrag klopt niet. Behalve het bedrag van € 2.200,- exclusief btw voor demontage en afvoer van het meubilair, mocht BG ook € 240,- exclusief btw rekenen voor het verplaatsen van meubilair dat BG niet overnam. Inclusief btw mocht dus een bedrag van totaal € 2.952,40 worden gefactureerd (conform de bij conclusie van antwoord overgelegde factuur d.d. 27 december 2015, hierna ook te noemen: factuur B). De facturen A en B mochten vervolgens met elkaar worden verrekend, zodat BG nog een bedrag van € 1.187,13 aan Eiser verschuldigd zou zijn. Nadat BG de werkzaamheden had afgerond, wilde Eiser echter volledige betaling van haar factuur. De rente en kosten worden betwist.

Beoordeling van het geschil

6.          Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de hoofdsom na verrekening nog € 1.187,13 bedraagt. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 zullen dan ook worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag.

7.          De stelling van Gedaagde 1 en Gedaagde 2 dat Eiser volledige betaling van haar factuur wilde, is door Eiser betwist en door Gedaagde 1 en Gedaagde 2 vervolgens niet nader onderbouwd. Dat Eiser de afspraak over verrekening niet zou zijn nagekomen is dan ook niet gebleken. Ter zitting heeft Gedaagde 1 weliswaar aangevoerd dat BG al in december 2015 aan Eiser heeft gefactureerd, maar uit de stukken (productie 4 bij dagvaarding) blijkt dat Gedaagde 1 op 25 januari 2016 nog in een e-mail schreef: 'Ik stuur de tekening morgen'. Gedaagde 1 zegt dat toen ook gedaan te hebben, maar Eiser betwist de ontvangst van de factuur. Wat daar ook van zij, Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hadden tenminste het bedrag van € 1.187,13 moeten betalen en dat hebben zij niet gedaan. Zij zijn dan ook terecht in rechte betrokken.

8.            De gevorderde rente zal gelet op het betalingsverzuim van Gedaagde 1 en Gedaagde 2 worden toegewezen vanaf de vervaldatum van de factuur van Eiser. Vanaf aanvang was duidelijk dat partijen voor ogen hadden de over en weer verschuldigde bedragen met elkaar te verrekenen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook slechts over het restantbedrag van € 1.187,13 wettelijke rente verschuldigd.

9.            De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen, echter deze zullen worden herberekend op basis van de toewijsbare hoofdsom van 6 1.187,13 en aan de hand van het tarief uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Er zal dan ook een bedrag worden toegewezen van € 178,07, onder afwijzing van het meer gevorderde. De wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis zal eveneens worden toegewezen.

10.          Gedaagde 1 en Gedaagde 2 zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten en indien die kosten niet binnen 14 dagen na de datum van het vonnis zijn voldaan, de wettelijke rente daarover. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde 1 en Gedaagde 2 om aan Eiser te betalen een bedrag van € 1.365,20, te vermeerderen met de wettelij ke handelsrente over de hoofdsom van € 1.187,13 vanaf de vervaldatum van de factuur van Eiser tot de dag van algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten van f 178,07 vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde 1 en Gedaagde 2 in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde

van Eiser bepaald op:

aan explootkosten                     € 80,42

aan informatiekosten                  €  ---          

aan griffierecht                            € 470,00

aan salaris gemachtigde             € 300,00

totale kosten                              €850,42

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien deze kosten niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan en de nakosten indien Gedaagde 1 en Gedaagde 2 niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op € 75,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.